Vloeken en zo

Als de moeder kwaad is of als iets niet lukt dan durft ze nogal gauw het woordje ‘sh*t’ op allerlei toonhoogtes en volumes uit te spreken. Bij de vader glippen woorden als ‘vrdmme’, ‘miljaarde’, of ‘gdvdmme’ uit de mond.

We vloeken sowieso al bijna nooit (ik begin tegenwoordig nog eerder te kuisen van colère dan dat ik zou roepen), en als we die woorden zeggen is het zelden in het bijzijn van de zonen. Maar toch, die monstertjes vangen zowat alles op, ook woorden die ze in school, bij familie, bij vriendjes horen. Dus hadden we er hier twee rondlopen die nogal graag, zo voor de fun weet u wel, bepaalde vloektermen wilden gebruiken. Maar dan meer als ‘potverdimme’ en ‘potverdomme’. Toen de ‘pot’ op een bepaalde dag vervangen werden door ‘god’ was er voor mij persoonlijk niet echt veel verschil (want in West-Vlaanderen spreken we hier van ‘hod’, dus Wuk? What’s the problem?), maar er zijn sociale normen, mensen die snel gechoqueerd zijn door zo’n dingen, dus moest er weer wat opgevoed worden.

Gevolg: we hebben ze weer wat nieuwe woordjes aangeleerd en horen nu, bij de minste frustratie van de zonen, woorden als ‘potvolkoffie’, ‘potvolchoco’, ‘sapristietjes’, ‘drommels drommels’, ‘potvolthee’. Fries zou er nog wel eens een ‘potvolkaka’ aan durven toe te voegen maar dat kind zit zo diep in zijn pipi- en kakafase dat we vrezen dat hij schoonmaker van septische putten zal worden.

Dus als u ooit een halve janet ziet staan stampvoeten, met de handjes in de zij, en hoort roepen dat het allemaal weer heel erg potvolchoco’s is: ’t zal er één van de mijne zijn.

Advertentie