Miss J. en de mannen

Tijd om eens een update te geven hoe het zit met de mannen in m’n leven #roddelgeroddel. Een lijst van mannen die een onuitwisbaar positieve indruk hebben gemaakt de laatste drie jaar:

Zowat leeg dus (al overdrijf ik nu wel wat). Laten we het dan maar hebben over de mannen die daarvoor al met stip in mijn favorietenlijstje stonden en staan. Om vele redenen, ziehier*:

  • de leraren Latijn: de datief, de accusatief; het gidsen door de Aeneis; de manier waarop ze hele verzen ter aarde konden vleien, met de hand op tafel tikkend om het metrum te benadrukken; de sappige verhalen uit het oude Rome/Temptation Island alsof ze VIP-toeschouwers waren in de arena/aan het kampvuur. No words. Voor altijd in m’n hart.
  • de leraren toneel/voordracht: omdat ze me eerst afwezen, vervolgens in de armen sloten, me heelder regels lieten declameren met zo’n intensiteit dat ik me wel moest afvragen wie van mijn personages ik op en naast het podium was en wou zijn.
  • de scoutsleider: kunnen sjorren, vuur maken, liedjes zingen, knopen leggen, constructies tekenen en ze ook in elkaar zetten, het varken uithangen gecombineerd met een grote verantwoordelijkheidszin, … Dit alles gecombineerd met het dragen van een korte broek en het kennen van morse: yup.
  • de student-bioloog: de eerste die me zo lief vertelde dat hij  een oogje op me had. En ik had het wel zwaar zitten voor biologie toen. Maar niet voor de bioloog. De nagelaten indruk zit hem in de getoonde breekbaarheid.
  • de prof. anatomie en fysiologie: omdat hij zo gepassioneerd lesgaf over iets waar ik al een voorliefde voor had en nog altijd heb. En omdat ik hem door had: de belangrijkste info vertelde hij bij de overgang tussen dia’s. Easy peasy, dat vak.
  • de eerste deftige baas: de baas die me gedurende 11 jaar heeft gesoigneerd, opgevangen, me de basics en advanced lessons van diplomatie heeft geleerd. De baas die me alle ruimte gaf om te kunnen groeien en exploreren. De baas die zelf ook bleef groeien. Hij doet dat goed nu, het loont om mijn baas te zijn 🙂
  • de vader: de man die me liet tsjoolen op scoutskamp tussen de jongens, ook al was ik dan blijkbaar een meisje; de man die in me bleef geloven om verder te studeren; de man die naar me luisterde toen dat het meest nodig was en zei dat hij alles begreep.
  • de jongste broer: omdat hij, ondanks al het geplaag van een oudere zus, zijn leven toch wel het meest op orde heeft op dit moment. En dat hij dat, op zijn eigen manier, goed doet en zich van de rest niets aantrekt.
  • de male besties: omdat elk meisje een beste vriend nodig heeft. Omdat ik daar alles aan mag vertellen. Omdat ze altijd reageren. En ze doen dat elke keer meer juist.
  • de saxofonist: de jongen die beter saxofoon kon spelen dan dit meisje. Omdat hij veel betere stukken speelde en daarbij nog eens schoon was om naar te kijken. En dat zijn ogen twinkelden tijdens het spelen. Die van mij ook.
  • de blonde eerstgeborene: omdat hij me confronteert met hoe ik was als kind, maar hij gaat dat veel beter doen.
  • de bruinharige smartass: omdat hij me confronteert met hoe ik wou zijn als kind maar hij gaat dat veel beter doen.
  • de kleinste bollie: omdat hij me zo confronteert met alles wat is geweest. Maar hoe wij samen zijn gegroeid: dan weet ik dat er ons nog grootse zaligheden te wachten staan.

Wat ze gemeenschappelijk hebben? Ze kunnen iets wat ik ook graag wil kunnen of wou kunnen. Ze dagen me uit of hebben me op verschillende manieren uitgedaagd van mezelf een rijker, wijzer of schoner mens te worden.

Waarom staan er geen vrouwen in dat lijstje, zegt u? Omdat (1) het lijstje dan nog wel wat langer zou worden en (2) de titel dan niet zo catchy zou klinken en u vast en zeker dit stuk niet had gelezen :p

IMG_3338

* dit betreft uiteraard een finest selection, begin nu niet te bleiten, dank u!

Advertenties

Oogcontact. Met een arts. Of drie.

IMG_0854

Week 1 van 7. Toen ik moest rusten. Rusten!

Wat voorafging. In februari 2016 ging ik langs bij een oogarts in Kortrijk omdat het een ‘beetje piekte aan mijn ogen’ Of hij niet eens wilde kijken wat er scheelde. Vijf consultaties volgden, twee ontstekingen zo zwaar dat het wit rond mijn ogen rood was en het bleef zo wel een beetje pieken. En ik wou intussen niet zien dat ik eigenlijk minder kon zien en kon niet meer zien wat ik wel nog wou zien. Nog mee?

Dag op dag een jaar geleden kreeg ik van een oogarts in Oudenaarde te horen dat ik met onmiddellijke ingang niet meer met de auto mocht rijden. Het zicht van ondergetekende was beneden de wettelijk vereiste norm (dat bestaat dus, ja) en er werd een attest slash verbod uitgeschreven.

Bovenop het rijverbod kwam een schermverbod. Voor één week. En dat ik dan maar eens moest terugkomen.

Dat heeft uiteindelijk zeven weken geduurd. Zeven weken thuis zitten, nergens naar toe kunnen (behalve de wekelijkse ritjes naar de oogarts), van iedereen afhankelijk zijn om jezelf en je kinders ergens naar toe te brengen (in de vakantie!!), als een oud omaatje naar de winkel stappen, nog net geen zak-op-wieltjes achter je aan sleurend.

Zeven weken voor me uit staren. Om niets te zien. Zeven weken gaan wandelen en niet durven opkijken omdat ik mensen toch niet zou herkennen. Zeven weken geen oogcontact durven maken omdat ik niet zeker wist of het een man of vrouw zou zijn waarnaar ik zat te knipogen. Zeven weken, waarvan één week trunten en zagen over wat ik in godsnaam moest doen. Zeven weken, waarvan zes weken boeken lezen met grote letters, schrijven, wandelen, muziek beluisteren. En trunten en zagen, dat ook nog.

Het lijf had gesproken. “Gij wilt niet rusten? Gij zult rusten! Desnoods maak ik u halfblind!” En zo geschiedde.

En het lijf had meteen ook besloten dat het niet eenvoudig te verhelpen zou zijn. Er volgden druppels, pillen, zalfjes, pluggen, opties voor serumbehandeling, etc. Een half maandloon mét vakantiegeld heb ik daaraan verspeeld (eerlijkheidshalve: hierin zitten ook de vele flessen wijn en hapjes die ik serveerde aan mensen die de halve blinde kwamen entertainen). Er volgden tranen, van miserie. Maar ook: omdat het deugd deed. Enkel bij waterige ogen zag ik de wereld wat meer helder. Toen ik wettelijk terug genoeg zag om auto te mogen rijden (en die lat ligt echt laag, mensen!) huilde ik opzettelijk om beter te kunnen zien. My inner dramaqueen kwam in die periode tot volle wasdom (om intussen alweer plaats gemaakt te hebben voor de queen of eyerolls, no worries).

Toen in september de oogarts meldde dat ze “ten einde raad was met mijn geval” en me zou doorverwijzen, zocht ik zelf maar een second (en dus eigenlijk al third) opinion. Enter andere oogarts uit Kortrijk. Die wist een fancy en veel-te-dure behandeling te vermijden door zijn gezond verstand te gebruiken en eens naar het lijf rond de ogen te kijken. En het probleem verdween. En de medicatie stopte. En het probleem kwam terug. En de medicatie werd herstart. En het probleem stopte. Waarop de medicatie werd afgebouwd. En gestopt. En het probleem kwam nog eens loeren. Van september 2016 tot mei 2017 speelden lijf en oogarts een tennismatch op hoog niveau. Met voorlopig een lichte voorsprong voor de oogarts. Komende september, 1 jaar en 7 maanden na mijn eerste aanmelding bij oogarts 1, na ettelijke uren intiem oogcontact (“kijk eens naar boven”; “naar onder”; “ogen open”; “niet schrikken, het zal een beetje prikken”; “zucht”; “ZUCHT”) krijg ik hopelijk te horen dat het probleem echt weg is.

Tot die tijd en ver daarna draag ik een bril. En koester ik wat ik zie. Vooral nu de zomer eraan komt. Een zomer waarin ik dingen meer helder zie in vergelijking met vorig jaar. Op veel vlakken. Dankjewel lief lijf. Maar lap me dit geen tweede keer meer, trut.

Eerder had ik dit bericht al geschreven, stond nog bij concepten. Die ogen liggen me duidelijk nog zwaar op de maag.

IMG_0799

Week 3 van 7. Uiteindelijk zot veel genoten van de extra tijd die ik zo kreeg. Iets wat ook wel eens tijd werd. Zie ne keer hoe klein die oogskes zijn zeg.

 

Three doctors and a red-eyed lady

Het antwoord op de veel gestelde vraag: “Oewistmejoenogennogeigenlijk?”

Een woensdag in februari was het. Ik zat met rode oogjes in de wachtzaal van de oogarts die me het snelst kon behandelen. Want die oogjes waren precies wat ontstoken. Niets ergs, maar ’t was toch ferm ambetant.

De vijf woensdagen erna zat ik er weer. Dat het een ferme ontsteking was geweest maar dat het, na wat verslechteren, nu toch verbeterde. Omdat ik zo flink mijn tienduizend jaar oude en volledig gedemodeerde bril droeg. En ja, je mag je lenzen terug dragen. Maar pak voor alle zekerheid een nieuw doosje. Een nieuwe bril? Daar wachten we misschien best nog even mee tot je ogen weer helemaal goed zijn en dat wat stabiel blijft. Allez, ’t beste hé! En duim dat de mensen u niet te veel uitlachen als er intussen nog eens een ader springt in uw oog of zo.

Een maandag in juni was het. Met zware hoofd- en oogpijn naar het ziekenhuis gebeld. Of ik alstublieft snel mocht komen. Dat kon, eind juli ergens. En dat ik anders maar via spoed moest binnen komen. Dat dacht ik niet. Die spoedartsen hebben levens te redden, geen halfblinde vrouwen te sussen.

Enter dokter 2 die me wel kon ontvangen nadat ze m’n klachten had gehoord. Richting Oudenaarde dan maar, half blind, achteraf gezien mocht ik wettelijk zelfs niet meer in auto rijden. Verdict: een paar dagen thuis, dat gaat wel beter zijn dan. Ogen laten rusten, niet in auto rijden, niet werken. “Maar jij bent oogarts, jij kan me toch niet thuis zetten?”, waarop zij: “Ik ben arts, en elke arts kan je thuis zetten, en nu mag jij van mij zelfs niet meer naar huis rijden, neh!”. Met m’n grote mond ook altijd.

Dat dat wel eens rap ging genezen viel wat tegen. Het medisch mysterie, een paar dagen thuis werd uiteindelijk een dikke maand (verlof inclusief) oogmiserie, vakantiegeld werd met grote tegenzin uitgegeven aan dokterskosten en met heel veel zin uitgegeven aan wijnproeverij voor vrienden die op bezoek kwamen. En de doemberichten bleven komen bij het wekelijks bezoekje aan de enige vrouw ooit die zo geconcentreerd in mijn ogen keek: dat het vijf na twaalf was, dat lenzen geen optie meer waren, nooitniemeer, dat dat het probleem is met mensen met een hoge pijndrempel, die voelen het niet meer als iets piekt, … Het gesukkel bleef, de frons van de oogarts werd week na week groter, mijn bankrekening week na week leger, de band met de apotheker werd hechter, de wildste diagnoses werden in het rond gestrooid.

Waarna oogarts 2 het voor bekeken hield (“Ik ben ten einde raad met u…”) en er dan maar doorverwezen werd voor behandelingen die ik bijlange niet zag zitten. En mijn bankrekening nog minder. Ook al had ik dan een reden om om de vier dagen in de coolste stad van ’t land rond te hangen. Yes but for now, no thanks.

Enter dokter 3. Tweede opinie, in afwachting van dat halfwekelijks rondhangen in een Gents ziekenhuis. En dat ging van “amai… da’s ernstig” over “goh…” tot “hmmm, ik denk …” en “kijk, we kunnen het maar proberen hé, ziet gij dat zitten?”. En dan een maand later: “Moh! Da’s dag en nacht verschil!” en “We gaan dat heel voorzichtig afbouwen hé, dat dat niet terugkomt” vergezeld van wat meer dan terecht geklop op de borst bij dokter 3 en vochtige, maar oprecht, echt, eerlijk, heerlijk vochtige blauw-met-groen-en-een-beetje-bruine kijkers bij mij. Contentement alom. Mentaal vreugdedansje. En dat er zelfs terug lenzen in die oogjes mogen komen. Maar niet te frequent. “Ahja, zo om te sporten, meneer doktoor, dat zou handig zijn, niewaar?”. “Ja, bijvoorbeeld”, zei hij, “of om uit te gaan ook misschien.” *wink wink* deed hij toen. En ik zag het!

He knows me, hoe kan dat ook anders als een mens zolang zo diep in mijn ogen heeft gekeken?

[Aan alle chauffeurs van mij en mijn gebroed: merci! Aan al wie mijn eerdere wanhoop begripvol aanhoorde: ook merci! Aan al wie voor bevochtiging van de ogen heeft gezorgd door me keihard te doen bleiten: … nah, laat maar. Aan al wie voor bevochtiging van de ogen heeft gezorgd door me keihard te doen lachen: #applesofmyeye.]

 

Opvoedingsplan – hoofdstuk emancipatie

“Maar mannen zijn toch zwakker dan vrouwen!”

Vergezeld van gepaste pathos sprak Kind2 deze woorden uit, veel te serieus. Hij meende het, zo bleek uit het verdere gesprek.

  • Kind2: “Vrouwen zijn sterk, die doen gewoon alles.”
  • Moeder: “Maar mannen en vrouwen zijn toch even sterk hoor, ze kunnen allebei dingen goed.”
  • Kind1: “Wat jij hier allemaal doet en wat je kan, ik weet niet of een man dat kan hoor.”*
  • Kind2: “Ik wil later zeker samenwonen met een vrouw.”
  • Kind3: “Jij bent lief, mama.”

Ja, het is een compliment. De euforie overheerste de eerste minuten. Ik gaf mezelf een ton denkbeeldige schouderklopjes, high-fives én kushandjes omwille van zoveel powerwijverigheid. Mijn zonen, die waren geëmancipeerd jong, nu al! Die zouden niet bang zijn van sterke vrouwen, etc. etc. *blaast het stof van haar standbeeld*

En daarna begon ik te denken. Dat iets niet klopt in hun redenering. Dat ze de powervrouwengedachte niet als waarheid mogen aannemen. Net zomin als de idee dat mannen het sterk(st)e geslacht (moeten) zijn. Dat ‘niet sterk’ niet impliceert dat er zwakte is. Dat geslacht daar eigenlijk niet toe doet.

Ik kan ze het niet kwalijk nemen, mijn drie jongens. Ze zien hier dan ook wel wat powerwijverij. De ene dag al wat meer dan de ander, in verschillende gradaties van succes.

Zoals op de dag voorafgaand aan het bovenstaande gesprek: ze zien een moeder die op bevel van de burgemeester (politiereglement nummer tig paragraaf whatever) haar haag moet scheren, niet binnen afzienbare tijd maar wel onmiddellijk en eigenlijk gisteren. Niet omdat ze dat de vorige jaren heeft verwaarloosd, wel omdat ze blijkbaar meer grond, en dus haag, heeft dan gedacht. Een snelle, maar grondige, check op het plan gaf de burgemeester gelijk (“Rijker dan je denkt: de tegen-wil-en-dank-editie”) waarop moeder een uur lang stond te foeteren, vervolgens in gang schoot, een ander powerwijf-en-moeder-met-haagschaar** belde en zodus op een zonnige zaterdag het kampioenschap task switching organiseerde.

Vijf jongens zagen twee moeders met verlengkabels sleuren, takken afscheren, zakken vullen, een ladder en stelling op en af springen. Ze zagen dat hun moeders er zelfs plezier in hadden, genietend van de aandacht die ze kregen van elke passant, duimen opstekend bij elke duim omhoog die ze zelf kregen. Ze zagen die moeders een pauze nemen die ze invulden met het op tafel toveren van een maaltijd die meer voedzaam was dan de gemiddelde fastfood die op dergelijke werkmansdagen wordt voorgeschoteld, en passant een bezoek aan het stort brengen om zich dan vol overgave terug op haag en takken te gooien.

Ze zagen een moeder die de volle acht uur was bezig geweest met een haag proper te zetten, afgewisseld met het scheidsrechteren bij ruzies en het troosten van Kind3, om daarna vlotjes de rol op te nemen van cuddle-me-mummy, voederend, badjes gevend, voetjes verzorgend, etc.

En geen seconde had ze durven zagen of klagen, die moeder.

En dat was fout. Grondig fout. Want dat schept foute verwachtingen. Naar vrouwen, naar toekomstige partners, naar zichzelf.

En dus besloot ik om dezelfde avond nog het powerwijf imago te doorbreken. Althans naar mijn zonen toe (je moet niet alles ineens willen 😊) en enkel over het fysieke (je moet niet alles ineens vertellen). Ik besloot te zeggen dat er toch wel die rugpijn was, die stramme armen, … mijn uitzonderlijke fysieke prestaties van die dag gestaafd door FitBit-data. … Ze reageerden door me te laten uitslapen, door koffie te zetten, door toch het volle anderhalf uur elke medewerking te verlenen die ik vroeg op zondagmorgen.

Om dan ’s avonds opnieuw te vertellen dat “wij mannen, allez, jongens hé, wij mogen blij zijn dat er vrouwen en meisjes zijn hoor”. Ik vroeg hen waarom. “Omdat je daar toch echt veel plezier mee kan maken, soms meer dan met jongens alleen.”

Een kleine kentering. Hadden ze iets geantwoord in de trant van “omdat die vrouwen zoveel doen”, dan was het terug naar af. Maar mijn missie is verre van volbracht. En ik neem me nu voor om, als ze wat ouder zijn, eens te gaan huilen, al dan niet geïnitieerd door hormonale opstoten. Dat ze leren dat powerwijven dat soms tegen wil en dank zijn, met soms stank voor dank zijn, ondanks zijn, dankzij zijn.

Dus als u me ooit in het gezelschap van minstens één van mijn kleine mannen ziet huilen: het maakt deel uit van mijn opvoedingsplan, het plan om hen te leren dat mannen en vrouwen, papa’s en mama’s powermensen kunnen zijn maar dat zoiets nooit als norm beschouwd kan worden.

Als powerwijverij hun norm zou worden dan vrees ik (1) dat die nooit van straat raken, (2) dat ze zich zullen gedragen als verwende, hulpeloze jongetjes, waardoor ook punt (1) een nog grotere waarschijnlijkheid heeft om een feit te worden en (3) dat ik over 20 jaar hun haag sta te scheren.

*Ik was eerder bezig met een post over enkele ‘Oh, was er maar een man’-situaties en hoe elke situatie uiteindelijk toch goed uitdraait tot zelfs een ‘Moh, dat kan ik best alleen’. Het lijkt me beter om die instelling nu even te laten rusten. Wat niet wil zeggen dat die situaties niet verder gedocumenteerd zullen worden 😊.

**Topwijf E., waaraan ik heb beloofd om in juni haar groen te helpen scheren. Want wij zijn een topteam, zo. 

IMG_3020Een haag kussen als ik blij ben, ik kan dat. 

Sportief bindingsmoment

Ik ben al heel vaak gestart met lopen en voorlopig al één keer minder dan heel vaak gestopt. Regen is één excuus, de zonen zijn 3 excuses. Zo zit ik aan vier en dat is telkens genoeg om in de-week-met-kinderen niet te lopen.

Tot er sprake was van een helder moment en er overwogen werd om de zonen mee te laten lopen. Zij bewegen (nog meer), ik ben eens weg van de huis-, tuin- en keukenbeweging van die week én ze krijgen het opvoedkundig geheel verantwoorde beeld van een moeder die me-time maakt, dit sprankelend weet te combineren met quality-time met de zonen, uiteraard overgoten met gegrap en gegrol tijdens het lopen (voor mij) en fietsen (voor hen). Oh ja, als we lachen zijn onze tanden tandpastawit. En mijn haar ligt heel erg hard in de plooi.

Soit. Zondagnamiddag. Twee derde van de kroost was naar de Chiro, het jongste derde deel bleef. En er zou gefietst worden. Daar was hij al sinds twee dagen op voorbereid. En hij zag het nog zitten ook. Het kon niet beter worden. Kind warm ingeduffeld, moeder in loopkleren en weg was dit olijke duo voor wat meer een mentale uithoudingstest zou worden dan een fysieke inspanning.

De geplande route (5K) werd na 50m enigszins ingekort. Na een herevaluatie op 100m werd het uiteindelijk dit:

img_0092

Zie je’t? Toch wel een persoonlijk record: mijn eerste 2-4 km hardlopen. Ze weten je wel te motiveren nadat je toch al een paar keer wat meer hebt gehaald.

In die drie kwartier en 3 kilometer had ik heerlijke bindingsmomenten met Zoon3 (noteer wel of geen sarcasme naar eigen goesting):

  • “Maar dat is veel te snel!” – ik was naast hem aan het wandelen.Wandelen!
  • “Niet zo snel mama” – ik loop voor hem, al zwaaiend, achteruit zelfs.
  • “Oh stop, mama, een nootje” – stapt van de fiets en zoekt de noot. Vindt de noot binnen de halve minuut terwijl moeder op en neer staat te springen.
  • “Oh stop, mama, een nootje” – zie hierboven, maar vindt de noot niet. Moeder stopt met springen en zoekt mee.
  • “Mama, ik kan niet mee” – elke drie minuten dat hij geen noot aan het zoeken was, terwijl ik gewoon naast hem wandelde.
  • “Mamaaaaaah!!” – in ongeveer de helft van de gevallen dat ik een sprintje wou trekken presteerde hij het om van zijn fiets te vallen.
  • “Oh, maïs! Kijk, 1, 2, 3 maïsen! Maar kijk dan toch mama!”
  • “Maar er ligt hier modder” – en toen wou hij niet meer rijden. Wel wandelen terwijl ik met fiets aan de hand door de modder mocht stappen.
  • “Ik heb het warm van al dat fietsen” – hij had de juiste kleren aan. Ik had kleren aan om een half uur te lopen. Dan doe je geen wollen parka aan. Ik heb koud gehad vandaag.
  • “Appeltjes!” – en toen zijn we beginnen appels rapen en hebben we thuis een cake gebakken. Dat kon omdat ik een douche had uitgespaard. Karma was me genadig vandaag.
  • “Maar wij hebben iets leuks gedaan vandaag, hé mama?” – om indruk te maken op twee in de kofferbak gegooide moddermormels.

Kind3 ziet appeltjes en stopt. Uiteraard | Moeder bakt cake en krijgt een beter humeur | Modderkoffer | Moeder eet van de cake en krijgt een nog beter humeur.

Eigenlijk alleen maar om te zeggen: lopen met een kind dat nog trager fietst dan ik slenter, dat doen we niet meer.

Iemand hier ervaring mee? Hoe hou ik drie koters 30 tot 60 minuten bezig zonder dat mijn huis afbrandt, ik 10 loltelefoontjes krijg van hen, er eentje ontsnapt of ze elkaar het hoofd inslaan met één van mijn handtassen?

20 (!) dingen waar ik goed in ben

  1. Moppen verpesten door op het pointe-moment de pointe te vergeten. Zelfs de zonen worden er gek van.
  2. Bananen decoreren, met of zonder thema. Zonen vragen, moeder tekent, zonen eten fruit, moeder blij.
  3. Situaties ontzenuwen door mezelf als een clown te gaan gedragen. Dat heb je dan met die introverte extraverten (of extraverte introverten). Die voelen spanningen aan en die willen dan mensen doen lachen door zichzelf het mikpunt van spot te maken.
  4. Mensen afschrikken. Grote mond en zo. Bakstenen omgeven door tralies omgeven door beton omgeven door overwoekerd onkruid. Kan op één moment verdwijnen als ik me op mijn gemak voel. Is ondoordringbaar in andere situaties ook al lijkt het van niet. Dat afschrikken heeft me al veel smalltalk met losers bespaard. Dus vooralsnog meer voordeel dan nadeel.
  5. Voetballen. Als mijn zonen het zelf zeggen dan zal het wel kloppen. Vooral mijn schot richting ingebeelde winkelhaak mag er blijkbaar zijn.
  6. Knutselen – bakken – kneden – in aarde wroeten. Als ik maar met m’n handen kan bezig zijn. Pottenbakken op de wijze van Ghost was nog iets voor mij geweest.
  7. Filosoferen. En ik kan dat in volledig nuchtere toestand. Over dat er een beperkt aantal prototypes van mensen bestaan waarop alle variaties kunnen teruggebracht worden. Omdat ik ooit eens in het buitenland iemand heb gezien die sprekend op een vriendin leek. En daar dus andere mensen dan mee lastig val.
  8. Mijn kerstboom decoreren. Ik heb dat jaren niet (graag) gedaan. En nu doe ik dat. In ’t wit. Met pluimen en boa’s en al. Eén hoek in het huis er los over. That’s it. De rest van mijn huis blijft vrij van ballen en bellen.
  9. Boeken kaften – ik doe dat graag en gruwelijk efficiënt.
  10. Bedden opmaken – ik doe dat elke morgen maar slaag er vooralsnog niet in om dat mijn zonen aan te leren. Waardoor ik het nog met plezier voor hen doe ook. Bij een opgemaakt bed ’s avonds heb ik altijd het gevoel dat de slaapkamer Fébrèze-ish is. En daar ben ik dan instant vrolijk van, zo net voor het slapengaan.
  11. Verjaardagsfeestjes geven. Liefst voor iets te veel kinderen. Zo’n 10 stuks in uw huis, dat doet iets met een mens zijn gehoor en wallen. Om niet te spreken van je huis. Maar ik doe dat graag.
  12. Aperitieven. Doen én voorbereiden. Als ik verantwoordelijk ben voor de aperitief dan moet er niet veel meer gehoofdgerecht worden. Ik heb vakantiedagen gehad waar ik als ontbijt, middagmaal, vieruurtje en avondmaal in good company heb zitten aperitieven.
  13. Geheimen bewaren. Punt. Hieraan gelinkt: me naïever voordoen dan ik ben ook al heb ik bepaalde zaken relatief snel door. Voor de wereldvrede en zo.
  14. Niet naar tv kijken. Als de tv op vrijdag om 18u op Ketnet stond en de zonen vertrekken dan is de kans groot dat, als ze terugkomen, de tv op Ketnet aanfloept. Ik vergeet dat gewoon, tv kijken. En het is bovendien ook beter voor mijn gezondheid, want als ik tv kijk dan begin ik ofwel op mijn nagels te bijten, ofwel jaag ik er tussen twee reclameblokken een zak chips door. Gevolgd door een appel. Balance, that is.
  15. Gaatjes boren, banden vervangen, meubels in elkaar zetten. Ik zou dat kunnen vragen aan andere mensen maar ik doe dat eigenlijk liever zelf. Alpha female stuff. Is soms ook de oorzaak van punt 4.
  16. Tegen paaltjes rijden en parkeerboetes verzamelen. En ik lig daar dus geen seconde wakker van.
  17. Verdrietjes troosten door er instant een voordeel van te maken. Is zoon2 te laat aangekomen op de scholenveldloop en ontroostbaar? Bel naar uw moeder die zegt dat je naam toch wel is omgeroepen voor iedereen daar aanwezig. Hoeveel kunnen er dat zeggen? En hoeveel mensen hebben nu toch ook weer gehoord wat voor een coole naam hij heeft? Zo’n dingen dus.
  18. Boos kijken. Dat is mijn bitchy resting face. Ik ben zelden boos aangezien dat een emotie is waar ik liever geen energie aan verspil. Maar ik zie er dus wel permanent boos uit. En verdrietig in de ochtend, maar dat is dan omdat mijn gezicht altijd later wakker wordt dan mijn geest.
  19. Sorteren. De handdoeken op kleur, kleerkasten, speelgoed, mijn koelkast. Ik kan instant gelukkig worden bij de aanblik van een schoon gesorteerde doos vol vers geslepen kleurpotloden. Ik kan daarvan genieten, maar opnieuw: mijn slaap zal ik er niet voor laten. Hieraan gelinkt: lijstjes maken. Ik ben een paper addict. Lijstjes, schriftjes, pennen, …  me loves!
  20. Op m’n eentje naar tentoonstellingen gaan. En daar dan verloren lopen in al het moois dat te zien is. Of ergens alleen gaan ontbijten, met een goed boek erbij. Of het vlammenspel voorspellen bij een kampvuur. Dat lukt me steeds beter. Vraag me dan niet om met mensen te praten, dat is er te veel aan. Te druk bezig met staren, genieten, rond badderen in m’n hoofd.

En jullie? Waar zijn jullie zoal goed in? En hopelijk doen jullie er minder lang over dan ikzelf 😉 #inspiratie.

In wijzerzin, links: moddermoeder met kind op hoofd, niet zo stilleven – doe eens extra onnozel als er één kind boos is – u vraagt, moeder tekent – banana..

In wijzerzin, rechts: Patti op Watou 2016, zwaar genieten – gelukkig staat mijn poes er wel goed op – vurige marshmallowkinderen – breakfast in Boedapest.

 

Gezocht: voltijds moederschap

f8a94ec9-05d4-41e0-ad0e-704d58253333“Hoe wenst u de betrekking in te vullen? Halftijds, voltijds, 9/14, 5/7?” – is iets wat nog geen enkele vrouw te horen kreeg bij het krijgen van een kind. Moederen doe je voltijds, sticking to the plan, punt.

Een halftijdse ‘job’ als mama: ik blijf het daar bijzonder moeilijk mee hebben.

Er zijn de pompen-of-verzuipendagen met drie koters. Ook genoemd: de dagen van compleet contentement bij het moederdier.

  • de dagen dat ik zowaar eens zou verlangen naar een extra paar handen om het werk gedaan te krijgen;
  • de avonden waarop ik om half tien mijn bed in strompel, de me-time gereduceerd tot sleep time, niet goed wetend waarom ik eigenlijk moe ben en al lang tevreden dat mijn huis er proper bij ligt;
  • de ochtenden met strak schema waar ik intens kan genieten van het ontbijt als rustpunt in de drukte;
  • het hoofd schudden als twee grote zonen quasi nonchalant richting speelplaats slenteren, duidelijk hebben laten weten geen zoen meer te willen, maar wel nog altijd eens achterom kijken met een blik die zegt: “Gooi anders maar een zoen, mama, zie je me nog?”;
  • het trots gevoel als de jongste de prachtigste volzinnen richting oren en hart zwiert;
  • de triomfantelijke blik richting kassierster als ik er weer eens in geslaagd ben een volle kar door de winkel te manoeuvreren, met links en rechts iets van 30kg eraan bengelend en in de kar een druiven en chips verpletterend klein monstertje. Maar wel met manieren, mevrouw;
  • de momenten waar ik de kroost zie voetballen, zetelhangen, spelletjes spelen, chillaxen, tekenen, dansen, ruzie maken en denk: ’t zijn echt de mijne. En wij doen dat goed, wij.

Er is de bijtankdag. De halve dag na 1 van de 26 afscheidsavonden op een jaar. Een ochtend waarop ik met lijf en leden geniet van de rust, de ochtendkrant, de koppen koffie en de orde in mijn huis. Een halve dag. Dan ben ik ermee klaar. En begint het gelummel, zo af en toe.

Er zijn de opvuldagen. Dagen 0.5 tot 7.

  • de momenten waarop ik een t-shirt niet meer hoef te strijken omdat ik er al te lang met mijn hand heb over geaaid, snuffelend naar jongensgeuren die nog moeten komen;
  • er zijn de stapeltjes kleren, klaar om in een kleerkast te stoppen in een kamer zonder geluiden, zonder beweging, zonder knuffels. Het bed veel te netjes opgemaakt, het huis als een toonzaal;
  • er is het hier en daar terugvinden van een puzzelstuk, een dopje van een stift, een verloren krijtje, een tekening, een vergeten snoepje, steentjes, stokjes, overschotjes in de koelkast;
  • die ene avond waar een maaltijd in viervoud wordt klaargemaakt, ofwel uit gewoonte, ofwel om niet meer te moeten koken op de andere dagen;
  • een vaatwas die een hele week niet draait, een badkamer die blijkbaar ook vuil kan worden als ik de enige gebruiker ben ook al zeg ik tegen mijn kinderen van niet, een keukentafel en aanrecht die stof vangen;
  • de avonden waar ik, al dan niet met goesting, wegga, want zo hoort dat en een mens moet toch nieuwe mensen leren kennen;
  • de nachten waarin ik veel te laat thuis komt en stil de trap op strompel om toch niemand, letterlijk niemand, wakker te maken;
  • het opvolgen van adviezen van zij die het wel, niet of beweren te weten: “Ga uit!”, “Doe dingen die je graag doet!”, “Doe maar eens zot!”, “Gedraag je eens als een 20-jarige labiele bakvis!*”;
  • het jaloers gevoel als je andere moeders/vaders met hun kroost of kind ziet, goed wetende dat zij over enkele dagen op hun beurt naar lege stoelen moeten staren terwijl jij geniet van in het rond vliegende broodkruimels;
  • de dagen met gestolen momenten door dokters- en kappersbezoeken in te plannen, de bezoekjes omdat ze toch dringend iets compleet overbodigs nodig hebben, de boeken die nog binnengebracht worden om te kaften, de momenten dat je beseft dat je al een uur zit te glimlachen, omdat je door hun foto’s aan het bladeren bent, de telefoontjes waar je ofwel naar hun verhalen luistert en blij vragen stelt, ofwel gewoon luistert in de hoop dat zij jou geen vragen stellen omdat ze anders de tranen als knikkers over een houten vloer zouden horen rollen.

Er is de terugkomdag. Dat gewriemel in het moederlijf. Dat verwachtingsvol naar huis rijden. De poort openzetten of spurten naar de voordeur als de bel gaat. De kroost als bezoekers van hun thuis. Sinterklaas, de kerstman, je verjaardag, de paashaas, de schoolreis, je lentefeest/communie, … het voelt als het tienvoudige (maal drie) van al die dagen samen. Plannen maken voor ‘jouw week’, ‘onze week’, ‘hun week’. Altijd is het wel hun week. Zolang zij maar voltijds kind kunnen blijven.

*niemand heeft me ooit deze raad gegeven, het zou anders veel kunnen verklaren.