Opvoedingsplan – hoofdstuk emancipatie

“Maar mannen zijn toch zwakker dan vrouwen!”

Vergezeld van gepaste pathos sprak Kind2 deze woorden uit, veel te serieus. Hij meende het, zo bleek uit het verdere gesprek.

  • Kind2: “Vrouwen zijn sterk, die doen gewoon alles.”
  • Moeder: “Maar mannen en vrouwen zijn toch even sterk hoor, ze kunnen allebei dingen goed.”
  • Kind1: “Wat jij hier allemaal doet en wat je kan, ik weet niet of een man dat kan hoor.”*
  • Kind2: “Ik wil later zeker samenwonen met een vrouw.”
  • Kind3: “Jij bent lief, mama.”

Ja, het is een compliment. De euforie overheerste de eerste minuten. Ik gaf mezelf een ton denkbeeldige schouderklopjes, high-fives én kushandjes omwille van zoveel powerwijverigheid. Mijn zonen, die waren geëmancipeerd jong, nu al! Die zouden niet bang zijn van sterke vrouwen, etc. etc. *blaast het stof van haar standbeeld*

En daarna begon ik te denken. Dat iets niet klopt in hun redenering. Dat ze de powervrouwengedachte niet als waarheid mogen aannemen. Net zomin als de idee dat mannen het sterk(st)e geslacht (moeten) zijn. Dat ‘niet sterk’ niet impliceert dat er zwakte is. Dat geslacht daar eigenlijk niet toe doet.

Ik kan ze het niet kwalijk nemen, mijn drie jongens. Ze zien hier dan ook wel wat powerwijverij. De ene dag al wat meer dan de ander, in verschillende gradaties van succes.

Zoals op de dag voorafgaand aan het bovenstaande gesprek: ze zien een moeder die op bevel van de burgemeester (politiereglement nummer tig paragraaf whatever) haar haag moet scheren, niet binnen afzienbare tijd maar wel onmiddellijk en eigenlijk gisteren. Niet omdat ze dat de vorige jaren heeft verwaarloosd, wel omdat ze blijkbaar meer grond, en dus haag, heeft dan gedacht. Een snelle, maar grondige, check op het plan gaf de burgemeester gelijk (“Rijker dan je denkt: de tegen-wil-en-dank-editie”) waarop moeder een uur lang stond te foeteren, vervolgens in gang schoot, een ander powerwijf-en-moeder-met-haagschaar** belde en zodus op een zonnige zaterdag het kampioenschap task switching organiseerde.

Vijf jongens zagen twee moeders met verlengkabels sleuren, takken afscheren, zakken vullen, een ladder en stelling op en af springen. Ze zagen dat hun moeders er zelfs plezier in hadden, genietend van de aandacht die ze kregen van elke passant, duimen opstekend bij elke duim omhoog die ze zelf kregen. Ze zagen die moeders een pauze nemen die ze invulden met het op tafel toveren van een maaltijd die meer voedzaam was dan de gemiddelde fastfood die op dergelijke werkmansdagen wordt voorgeschoteld, en passant een bezoek aan het stort brengen om zich dan vol overgave terug op haag en takken te gooien.

Ze zagen een moeder die de volle acht uur was bezig geweest met een haag proper te zetten, afgewisseld met het scheidsrechteren bij ruzies en het troosten van Kind3, om daarna vlotjes de rol op te nemen van cuddle-me-mummy, voederend, badjes gevend, voetjes verzorgend, etc.

En geen seconde had ze durven zagen of klagen, die moeder.

En dat was fout. Grondig fout. Want dat schept foute verwachtingen. Naar vrouwen, naar toekomstige partners, naar zichzelf.

En dus besloot ik om dezelfde avond nog het powerwijf imago te doorbreken. Althans naar mijn zonen toe (je moet niet alles ineens willen 😊) en enkel over het fysieke (je moet niet alles ineens vertellen). Ik besloot te zeggen dat er toch wel die rugpijn was, die stramme armen, … mijn uitzonderlijke fysieke prestaties van die dag gestaafd door FitBit-data. … Ze reageerden door me te laten uitslapen, door koffie te zetten, door toch het volle anderhalf uur elke medewerking te verlenen die ik vroeg op zondagmorgen.

Om dan ’s avonds opnieuw te vertellen dat “wij mannen, allez, jongens hé, wij mogen blij zijn dat er vrouwen en meisjes zijn hoor”. Ik vroeg hen waarom. “Omdat je daar toch echt veel plezier mee kan maken, soms meer dan met jongens alleen.”

Een kleine kentering. Hadden ze iets geantwoord in de trant van “omdat die vrouwen zoveel doen”, dan was het terug naar af. Maar mijn missie is verre van volbracht. En ik neem me nu voor om, als ze wat ouder zijn, eens te gaan huilen, al dan niet geïnitieerd door hormonale opstoten. Dat ze leren dat powerwijven dat soms tegen wil en dank zijn, met soms stank voor dank zijn, ondanks zijn, dankzij zijn.

Dus als u me ooit in het gezelschap van minstens één van mijn kleine mannen ziet huilen: het maakt deel uit van mijn opvoedingsplan, het plan om hen te leren dat mannen en vrouwen, papa’s en mama’s powermensen kunnen zijn maar dat zoiets nooit als norm beschouwd kan worden.

Als powerwijverij hun norm zou worden dan vrees ik (1) dat die nooit van straat raken, (2) dat ze zich zullen gedragen als verwende, hulpeloze jongetjes, waardoor ook punt (1) een nog grotere waarschijnlijkheid heeft om een feit te worden en (3) dat ik over 20 jaar hun haag sta te scheren.

*Ik was eerder bezig met een post over enkele ‘Oh, was er maar een man’-situaties en hoe elke situatie uiteindelijk toch goed uitdraait tot zelfs een ‘Moh, dat kan ik best alleen’. Het lijkt me beter om die instelling nu even te laten rusten. Wat niet wil zeggen dat die situaties niet verder gedocumenteerd zullen worden 😊.

**Topwijf E., waaraan ik heb beloofd om in juni haar groen te helpen scheren. Want wij zijn een topteam, zo. 

IMG_3020Een haag kussen als ik blij ben, ik kan dat. 

Sportief bindingsmoment

Ik ben al heel vaak gestart met lopen en voorlopig al één keer minder dan heel vaak gestopt. Regen is één excuus, de zonen zijn 3 excuses. Zo zit ik aan vier en dat is telkens genoeg om in de-week-met-kinderen niet te lopen.

Tot er sprake was van een helder moment en er overwogen werd om de zonen mee te laten lopen. Zij bewegen (nog meer), ik ben eens weg van de huis-, tuin- en keukenbeweging van die week én ze krijgen het opvoedkundig geheel verantwoorde beeld van een moeder die me-time maakt, dit sprankelend weet te combineren met quality-time met de zonen, uiteraard overgoten met gegrap en gegrol tijdens het lopen (voor mij) en fietsen (voor hen). Oh ja, als we lachen zijn onze tanden tandpastawit. En mijn haar ligt heel erg hard in de plooi.

Soit. Zondagnamiddag. Twee derde van de kroost was naar de Chiro, het jongste derde deel bleef. En er zou gefietst worden. Daar was hij al sinds twee dagen op voorbereid. En hij zag het nog zitten ook. Het kon niet beter worden. Kind warm ingeduffeld, moeder in loopkleren en weg was dit olijke duo voor wat meer een mentale uithoudingstest zou worden dan een fysieke inspanning.

De geplande route (5K) werd na 50m enigszins ingekort. Na een herevaluatie op 100m werd het uiteindelijk dit:

img_0092

Zie je’t? Toch wel een persoonlijk record: mijn eerste 2-4 km hardlopen. Ze weten je wel te motiveren nadat je toch al een paar keer wat meer hebt gehaald.

In die drie kwartier en 3 kilometer had ik heerlijke bindingsmomenten met Zoon3 (noteer wel of geen sarcasme naar eigen goesting):

  • “Maar dat is veel te snel!” – ik was naast hem aan het wandelen.Wandelen!
  • “Niet zo snel mama” – ik loop voor hem, al zwaaiend, achteruit zelfs.
  • “Oh stop, mama, een nootje” – stapt van de fiets en zoekt de noot. Vindt de noot binnen de halve minuut terwijl moeder op en neer staat te springen.
  • “Oh stop, mama, een nootje” – zie hierboven, maar vindt de noot niet. Moeder stopt met springen en zoekt mee.
  • “Mama, ik kan niet mee” – elke drie minuten dat hij geen noot aan het zoeken was, terwijl ik gewoon naast hem wandelde.
  • “Mamaaaaaah!!” – in ongeveer de helft van de gevallen dat ik een sprintje wou trekken presteerde hij het om van zijn fiets te vallen.
  • “Oh, maïs! Kijk, 1, 2, 3 maïsen! Maar kijk dan toch mama!”
  • “Maar er ligt hier modder” – en toen wou hij niet meer rijden. Wel wandelen terwijl ik met fiets aan de hand door de modder mocht stappen.
  • “Ik heb het warm van al dat fietsen” – hij had de juiste kleren aan. Ik had kleren aan om een half uur te lopen. Dan doe je geen wollen parka aan. Ik heb koud gehad vandaag.
  • “Appeltjes!” – en toen zijn we beginnen appels rapen en hebben we thuis een cake gebakken. Dat kon omdat ik een douche had uitgespaard. Karma was me genadig vandaag.
  • “Maar wij hebben iets leuks gedaan vandaag, hé mama?” – om indruk te maken op twee in de kofferbak gegooide moddermormels.

Kind3 ziet appeltjes en stopt. Uiteraard | Moeder bakt cake en krijgt een beter humeur | Modderkoffer | Moeder eet van de cake en krijgt een nog beter humeur.

Eigenlijk alleen maar om te zeggen: lopen met een kind dat nog trager fietst dan ik slenter, dat doen we niet meer.

Iemand hier ervaring mee? Hoe hou ik drie koters 30 tot 60 minuten bezig zonder dat mijn huis afbrandt, ik 10 loltelefoontjes krijg van hen, er eentje ontsnapt of ze elkaar het hoofd inslaan met één van mijn handtassen?

20 (!) dingen waar ik goed in ben

  1. Moppen verpesten door op het pointe-moment de pointe te vergeten. Zelfs de zonen worden er gek van.
  2. Bananen decoreren, met of zonder thema. Zonen vragen, moeder tekent, zonen eten fruit, moeder blij.
  3. Situaties ontzenuwen door mezelf als een clown te gaan gedragen. Dat heb je dan met die introverte extraverten (of extraverte introverten). Die voelen spanningen aan en die willen dan mensen doen lachen door zichzelf het mikpunt van spot te maken.
  4. Mensen afschrikken. Grote mond en zo. Bakstenen omgeven door tralies omgeven door beton omgeven door overwoekerd onkruid. Kan op één moment verdwijnen als ik me op mijn gemak voel. Is ondoordringbaar in andere situaties ook al lijkt het van niet. Dat afschrikken heeft me al veel smalltalk met losers bespaard. Dus vooralsnog meer voordeel dan nadeel.
  5. Voetballen. Als mijn zonen het zelf zeggen dan zal het wel kloppen. Vooral mijn schot richting ingebeelde winkelhaak mag er blijkbaar zijn.
  6. Knutselen – bakken – kneden – in aarde wroeten. Als ik maar met m’n handen kan bezig zijn. Pottenbakken op de wijze van Ghost was nog iets voor mij geweest.
  7. Filosoferen. En ik kan dat in volledig nuchtere toestand. Over dat er een beperkt aantal prototypes van mensen bestaan waarop alle variaties kunnen teruggebracht worden. Omdat ik ooit eens in het buitenland iemand heb gezien die sprekend op een vriendin leek. En daar dus andere mensen dan mee lastig val.
  8. Mijn kerstboom decoreren. Ik heb dat jaren niet (graag) gedaan. En nu doe ik dat. In ’t wit. Met pluimen en boa’s en al. Eén hoek in het huis er los over. That’s it. De rest van mijn huis blijft vrij van ballen en bellen.
  9. Boeken kaften – ik doe dat graag en gruwelijk efficiënt.
  10. Bedden opmaken – ik doe dat elke morgen maar slaag er vooralsnog niet in om dat mijn zonen aan te leren. Waardoor ik het nog met plezier voor hen doe ook. Bij een opgemaakt bed ’s avonds heb ik altijd het gevoel dat de slaapkamer Fébrèze-ish is. En daar ben ik dan instant vrolijk van, zo net voor het slapengaan.
  11. Verjaardagsfeestjes geven. Liefst voor iets te veel kinderen. Zo’n 10 stuks in uw huis, dat doet iets met een mens zijn gehoor en wallen. Om niet te spreken van je huis. Maar ik doe dat graag.
  12. Aperitieven. Doen én voorbereiden. Als ik verantwoordelijk ben voor de aperitief dan moet er niet veel meer gehoofdgerecht worden. Ik heb vakantiedagen gehad waar ik als ontbijt, middagmaal, vieruurtje en avondmaal in good company heb zitten aperitieven.
  13. Geheimen bewaren. Punt. Hieraan gelinkt: me naïever voordoen dan ik ben ook al heb ik bepaalde zaken relatief snel door. Voor de wereldvrede en zo.
  14. Niet naar tv kijken. Als de tv op vrijdag om 18u op Ketnet stond en de zonen vertrekken dan is de kans groot dat, als ze terugkomen, de tv op Ketnet aanfloept. Ik vergeet dat gewoon, tv kijken. En het is bovendien ook beter voor mijn gezondheid, want als ik tv kijk dan begin ik ofwel op mijn nagels te bijten, ofwel jaag ik er tussen twee reclameblokken een zak chips door. Gevolgd door een appel. Balance, that is.
  15. Gaatjes boren, banden vervangen, meubels in elkaar zetten. Ik zou dat kunnen vragen aan andere mensen maar ik doe dat eigenlijk liever zelf. Alpha female stuff. Is soms ook de oorzaak van punt 4.
  16. Tegen paaltjes rijden en parkeerboetes verzamelen. En ik lig daar dus geen seconde wakker van.
  17. Verdrietjes troosten door er instant een voordeel van te maken. Is zoon2 te laat aangekomen op de scholenveldloop en ontroostbaar? Bel naar uw moeder die zegt dat je naam toch wel is omgeroepen voor iedereen daar aanwezig. Hoeveel kunnen er dat zeggen? En hoeveel mensen hebben nu toch ook weer gehoord wat voor een coole naam hij heeft? Zo’n dingen dus.
  18. Boos kijken. Dat is mijn bitchy resting face. Ik ben zelden boos aangezien dat een emotie is waar ik liever geen energie aan verspil. Maar ik zie er dus wel permanent boos uit. En verdrietig in de ochtend, maar dat is dan omdat mijn gezicht altijd later wakker wordt dan mijn geest.
  19. Sorteren. De handdoeken op kleur, kleerkasten, speelgoed, mijn koelkast. Ik kan instant gelukkig worden bij de aanblik van een schoon gesorteerde doos vol vers geslepen kleurpotloden. Ik kan daarvan genieten, maar opnieuw: mijn slaap zal ik er niet voor laten. Hieraan gelinkt: lijstjes maken. Ik ben een paper addict. Lijstjes, schriftjes, pennen, …  me loves!
  20. Op m’n eentje naar tentoonstellingen gaan. En daar dan verloren lopen in al het moois dat te zien is. Of ergens alleen gaan ontbijten, met een goed boek erbij. Of het vlammenspel voorspellen bij een kampvuur. Dat lukt me steeds beter. Vraag me dan niet om met mensen te praten, dat is er te veel aan. Te druk bezig met staren, genieten, rond badderen in m’n hoofd.

En jullie? Waar zijn jullie zoal goed in? En hopelijk doen jullie er minder lang over dan ikzelf 😉 #inspiratie.

In wijzerzin, links: moddermoeder met kind op hoofd, niet zo stilleven – doe eens extra onnozel als er één kind boos is – u vraagt, moeder tekent – banana..

In wijzerzin, rechts: Patti op Watou 2016, zwaar genieten – gelukkig staat mijn poes er wel goed op – vurige marshmallowkinderen – breakfast in Boedapest.

 

Gezocht: voltijds moederschap

f8a94ec9-05d4-41e0-ad0e-704d58253333“Hoe wenst u de betrekking in te vullen? Halftijds, voltijds, 9/14, 5/7?” – is iets wat nog geen enkele vrouw te horen kreeg bij het krijgen van een kind. Moederen doe je voltijds, sticking to the plan, punt.

Een halftijdse ‘job’ als mama: ik blijf het daar bijzonder moeilijk mee hebben.

Er zijn de pompen-of-verzuipendagen met drie koters. Ook genoemd: de dagen van compleet contentement bij het moederdier.

  • de dagen dat ik zowaar eens zou verlangen naar een extra paar handen om het werk gedaan te krijgen;
  • de avonden waarop ik om half tien mijn bed in strompel, de me-time gereduceerd tot sleep time, niet goed wetend waarom ik eigenlijk moe ben en al lang tevreden dat mijn huis er proper bij ligt;
  • de ochtenden met strak schema waar ik intens kan genieten van het ontbijt als rustpunt in de drukte;
  • het hoofd schudden als twee grote zonen quasi nonchalant richting speelplaats slenteren, duidelijk hebben laten weten geen zoen meer te willen, maar wel nog altijd eens achterom kijken met een blik die zegt: “Gooi anders maar een zoen, mama, zie je me nog?”;
  • het trots gevoel als de jongste de prachtigste volzinnen richting oren en hart zwiert;
  • de triomfantelijke blik richting kassierster als ik er weer eens in geslaagd ben een volle kar door de winkel te manoeuvreren, met links en rechts iets van 30kg eraan bengelend en in de kar een druiven en chips verpletterend klein monstertje. Maar wel met manieren, mevrouw;
  • de momenten waar ik de kroost zie voetballen, zetelhangen, spelletjes spelen, chillaxen, tekenen, dansen, ruzie maken en denk: ’t zijn echt de mijne. En wij doen dat goed, wij.

Er is de bijtankdag. De halve dag na 1 van de 26 afscheidsavonden op een jaar. Een ochtend waarop ik met lijf en leden geniet van de rust, de ochtendkrant, de koppen koffie en de orde in mijn huis. Een halve dag. Dan ben ik ermee klaar. En begint het gelummel, zo af en toe.

Er zijn de opvuldagen. Dagen 0.5 tot 7.

  • de momenten waarop ik een t-shirt niet meer hoef te strijken omdat ik er al te lang met mijn hand heb over geaaid, snuffelend naar jongensgeuren die nog moeten komen;
  • er zijn de stapeltjes kleren, klaar om in een kleerkast te stoppen in een kamer zonder geluiden, zonder beweging, zonder knuffels. Het bed veel te netjes opgemaakt, het huis als een toonzaal;
  • er is het hier en daar terugvinden van een puzzelstuk, een dopje van een stift, een verloren krijtje, een tekening, een vergeten snoepje, steentjes, stokjes, overschotjes in de koelkast;
  • die ene avond waar een maaltijd in viervoud wordt klaargemaakt, ofwel uit gewoonte, ofwel om niet meer te moeten koken op de andere dagen;
  • een vaatwas die een hele week niet draait, een badkamer die blijkbaar ook vuil kan worden als ik de enige gebruiker ben ook al zeg ik tegen mijn kinderen van niet, een keukentafel en aanrecht die stof vangen;
  • de avonden waar ik, al dan niet met goesting, wegga, want zo hoort dat en een mens moet toch nieuwe mensen leren kennen;
  • de nachten waarin ik veel te laat thuis komt en stil de trap op strompel om toch niemand, letterlijk niemand, wakker te maken;
  • het opvolgen van adviezen van zij die het wel, niet of beweren te weten: “Ga uit!”, “Doe dingen die je graag doet!”, “Doe maar eens zot!”, “Gedraag je eens als een 20-jarige labiele bakvis!*”;
  • het jaloers gevoel als je andere moeders/vaders met hun kroost of kind ziet, goed wetende dat zij over enkele dagen op hun beurt naar lege stoelen moeten staren terwijl jij geniet van in het rond vliegende broodkruimels;
  • de dagen met gestolen momenten door dokters- en kappersbezoeken in te plannen, de bezoekjes omdat ze toch dringend iets compleet overbodigs nodig hebben, de boeken die nog binnengebracht worden om te kaften, de momenten dat je beseft dat je al een uur zit te glimlachen, omdat je door hun foto’s aan het bladeren bent, de telefoontjes waar je ofwel naar hun verhalen luistert en blij vragen stelt, ofwel gewoon luistert in de hoop dat zij jou geen vragen stellen omdat ze anders de tranen als knikkers over een houten vloer zouden horen rollen.

Er is de terugkomdag. Dat gewriemel in het moederlijf. Dat verwachtingsvol naar huis rijden. De poort openzetten of spurten naar de voordeur als de bel gaat. De kroost als bezoekers van hun thuis. Sinterklaas, de kerstman, je verjaardag, de paashaas, de schoolreis, je lentefeest/communie, … het voelt als het tienvoudige (maal drie) van al die dagen samen. Plannen maken voor ‘jouw week’, ‘onze week’, ‘hun week’. Altijd is het wel hun week. Zolang zij maar voltijds kind kunnen blijven.

*niemand heeft me ooit deze raad gegeven, het zou anders veel kunnen verklaren.

Woorden van de week

BFNNaast het 346 keer uitspreken van het woord mama (gemiddelde per dag, per kind) -op verschillende toontjes, met verschillende urgenties en voor 340 irrelevante zaken (gemiddelde per dag, per kind)- zijn er toch wel andere woorden of uitdrukkingen die hier tijdelijk wat hotter en swagger (hierbij de eerste al) zijn. Bij gebrek aan meer inspiratie: het rubriekje ‘Woorden van de week’. Te interpreteren als: de woorden die het gebroerte gebruikt om aan te geven dat coolness toch wel een verdiende middle name was geweest.

  • “Da’s magic” – te gebruiken bij de zoveelste wereldgoal die je in je eigen tuin in een imaginair doel schiet; bij je moeder die zegt dat het water uit de douche nog altijd niet gratis is; bij je jongste broer die plots-en-totaal-niet-ingefluisterd het woord ‘twerken’ in de mond neemt en het dan nog eens demonstreert ook. Bij voorkeur te combineren met twee zwaaiende handjes en een veel te grote smile. Smoelentrekkerij à la Jim Carrey. Vermoedelijke oorsprong: Chiro- of voetbalkamp.
  • “Naais” of “Naaaaaaais” – te gebruiken bij een actie, zegswijze, repliek die je eigen coolness zwaar in de verf zet. Zoals een repliek op een commentaar van je moeder; een voorstel van je moeder om ergens naar toe te gaan maar waar je vooral niet té enthousiast mag over doen. Te combineren met één of twee opgetrokken wenkbrauwen en een high-five naar één van de broers. Vermoedelijke oorsprong: Chirokamp.
  • “Mo how zeg” – enkel te gebruiken in combinatie met een uitspraak van de kleinste broer. Zoals daar zijn: “Mag ik een handwasje?” gevolgd door: “Mo how zeg, ’t is wel een washandje hé”; “Het kindje van de poes is een ketting” gevolgd door: “Mo how zeg, ’t is een kitten hé”; “Ik wil graag slagroom op mijn boterham” gevolgd door “Mo how zeg, ’t is wel hagelslag dat ie bedoelt, niewaar?” Waarop de jongste: “Ja, dat”. Waarop de oudste twee tegen elkaar: “Naais!”. Vermoedelijke oorsprong: moeder en grootouders.
  • “Watte?” – voorlopig enkel gebruik bij Zoon2. Ter vervanging van het iets beleefdere “Wablief?”. Tot grote ergernis van de moeder. Hopelijk niet overdraagbaar op andere delen van het gebroerte. Vermoedelijke oorsprong: onbekend.
  • “It’s a prank! Ne prank, mama!” – te gebruiken net op die ene nanoseconde tussen het taxeren van de zogenaamde crisissituatie (door moeder) en het ontvangen van de bijhorende preek en straf. Ideaal in combinatie met de kleinste broer als nietsvermoedende handlanger van het kwaad. Bij voorkeur te gebruiken op een plaats waar moeder de voorbereidingen van de prank niet kan zien. Kan gevolgd worden door: een paar zware oogrollen van moeder, een vragende blik van de jongste zoon en een high-five bij de oudste zonen gecombineerd met “Da’s magic” of “Naais”. Vermoedelijke oorsprong: YouTube.

Ik ga daar nog zwaar mee scoren met die gasten. Ik voel dat.

Uit de kast ermee!**

Goh, gij zijt toch een sterke hé, zoveel dingen doen, en al die ballen in de lucht. En nu nog zwanger van een derde… topwijf gij!” (in het gezicht, x10)

Wacht maar, die gaat echt nog serieus haar klop krijgen. Dat kan niet anders. Vroeg of laat komt dat er van.” (achter de rug, x20)

Ja, ze heeft haar klop gekregen. Meerdere klopjes, het eerste zo’n vier jaar geleden, het laatste zo’n twee jaar geleden. Jaren 1 tot en met 3 heb ik daarover gezwegen. Jaar 4 heb ik daarover gepraat, kunnen praten, durven praten. En dus is hier nu the blogue, v2.0. 

Hoe dat zo ging.

Een derde kind in de buik en een lijf dat bij de derde keer toch iets wist van tegensputteren. Vreemd. Maar ze ging door. Signalen van uw lichaam zijn er vooral om niet naar te luisteren. “Wilskracht boven fysieke kracht!” was de kreet. Alsof ze een opvoeding in een 19de-eeuwse kostschool had gekregen. Er moest immers verbouwd worden, voor twee kleine jongens gezorgd worden, er was een relatie te redden, een carrière uit te bouwen waarbij het glazen plafond zou vermorzeld worden met een lichte kopstoot. En vooral: er moest wat schijn opgehouden worden. Want was ze niet één van die sterke vrouwen waar meisjes naar opkeken?

En toen bleek Held3 een huil- en krijsbaby te zijn. Daar waar ik vroeger wat meewarig naar verhalen over huilbaby’s luisterde kreeg ik nu de rekening gepresenteerd voor mijn gebrek aan empathie en het teveel aan oordelen. En toen waren er wat veranderingen op het werk. Minor issues, redeneerde ik. Major impact, besloot het hoofd. Maar dat werd nog even verdrongen. Net zoals de relatiedemon die al een tijdje om het hoekje aan het gluren was. De ongewenste bezoeker die we maar niet buiten kregen, die te lang bleef en alle toekomstplannen wegvrat, zoals de praatzieke tante die komt binnenvallen en je lievelingskoekjes opeet nog voor je er zelf één van hebt kunnen proeven. Er was het afscheid nemen van een huis, een illusie van een thuis, toekomst, een ideaalbeeld. Afscheid van mensen, sommige levend, sommige levend en wel, andere al vervormd tot herinneringen en foto’s.

Het waren de maanden van mist in het hoofd. Van gedachtesprongen die voor niemand uit te spreken waren aangezien het zelfs voor mij te snel, te hoog, te diep, te ver ging. En ik zweeg. En ik las haar stukjes. En die van haar. En ik zag andere stukjes passeren waarin vrouwen bijzonder krachtig hun zwaktes beschreven. En het was te confronterend: de opluchting van anderen om hun masker(s) af te gooien kwam dreunend mijn hoofd binnen. En dreunde verder, het hele lijf door. Wat waren ze sterk, die anderen. Wat hadden ze geluk dat ze wél op begrip konden rekenen bij hun coming-out van superwijf-met-beperkingen-en-twijfels. Hoe luider de roep klonk naar meer authenticiteit in blogland (of toch de provincies waar een select clubje bloggers mag vertoeven), hoe zwaarder de stilte werd. Ik had noch de middelen (praten en schrijven lukte niet), noch de energie (overlevingsmodus aan), noch de goesting (ontkenning ten top) om ook maar te reageren dat een post herkenbaar was, of iemand veel sterkte toe te wensen. Laat staan dat ik zelf mijn verhaal zou doen. De woorden waren er nog niet. Het schrift moest nog gemaakt worden, de pen nog gevuld.

En ik bleef lezen hoe zij, mijn favoriete blogster van het eerste uur,  worstelde*. En dat, overall, positief denken en lief zijn voor jezelf enkele van de sleutels zijn om de donkere kerkers van je geschiedenis te verluchten. En ik durfde mijn zwakheden tonen, voorzichtig, soms langs mijn neus weg, liet ik wat vallen. Sommige begrepen het. Anderen zwegen en duwden met man en macht het masker terug op mijn gezicht. Zij die van haar voetstuk zou vallen, dat kon niet. Er was de periode van kwaadheid. Kwaad op al wie me ‘gemaakt’ had tot wie ik nu ben. Tot ik besefte dat ik daar de enige verantwoordelijke voor ben. Gevolg: ik werd kwaad omdat ik kwaad was. Kwaad omdat ik zeker niet zo’n grumpy, oud, zagerig, cynisch wijf wou worden.

En toen zei iemand: “Het is ok om kwaad te zijn, dat mag.” Waarop ik: “Maar! Ik! Wil! Niet! Zo’n! Kwaad! Stuk! Venijn! Zijn!” De ander: “Dat ben je niet, dat zal je ook niet worden. Maar nu mag je kwaad zijn om alles wat gebeurd is”. Waarop het kwaad stuk venijn: “Eventjes dan?” De ander: “Eventjes dan.”

Dat -eventjes dan- boos mogen zijn zorgde voor een sluier van mildheid. Voor de anderen, maar nog meer voor mezelf. De woede, een volle bibliotheek, werd omzwachteld met begrip tot ze verschrompeld was tot een hoofdstukje van een perkamenten boek in een stoffige archiefruimte.

En hier staan we dan: three heroes and a princess. Een moeder van drie helden. Een vrouw met een ‘gefaalde’ carrière, op het zijspoor gezet om te investeren in zonen die leven met goesting. Een meisje dat nog gelooft in liefde en elkaar hogerop tillen. Een meisje dat gelooft in romantiek. Want dan kan er gelachen worden en is een sarcastische opmerking op zijn plaats. Zo is ze ook wel.

*Wat haar woordenstromen betekend hebben zal pas uit te drukken zijn als er een woord wordt uitgevonden om het gevoel te beschrijven dat de mensheid ervaart bij het ontvangen van een signaal van buitenaards leven. In de veronderstelling dat we daar met z’n allen verrukt op reageren natuurlijk.  

**Dit is geen stukje geschreven vanuit moed. Misschien ook niet vanuit slimheid. Het is wat het toen was. En het is een voetnoot in wat nog komen zal. 

3 jaar, 6 maanden, 8 dagen

  • tussen het laatste bericht en het voorzichtig afblazen van wat stof.
  • tussen een herfst, een winter en een aarzelende lente.
  • tussen het vallen -in een oorsuizende stilte- en het recht staan, stof afkloppen, de troepen bijeenroepen en voorwaarts, het leven terug in.

Of er verhalen zullen komen over die 3 jaar, 6 maanden en 8 dagen? Vraag het nog eens als het stof over die periode definitief is gaan liggen.

Abandoned places, het zit ‘m in de schoonheid van verlaten te zijn. En de mogelijkheden die zo’n plaats plots lijkt te krijgen. Enter thesassysquad.be: een blog over een prinses en haar drie helden. #writersgonnawrite.

LegionowoMazowieckie_AbandonedPlaces_trekearth

(http://www.trekearth.com/gallery/Europe/Poland/East/Mazowieckie/Legionowo/photo546003.htm)