Friesjes taalprobleem

Die vele builen op dat kleine voorhoofdje van Mr. Blue Eyes doen er toch geen goed aan zo blijkt. De eerste gevolgen laten zich zien:

Het woord ‘kip’ wordt hier systematisch achterstevoren gezegd. Het woord ‘lolly’ wordt uitgesproken als ‘lillo’, ‘mama’ is ‘mapa’ of ‘pama’.

Het kind krijgt terug hongeraanvallen ’s nachts, waardoor meneer dan om half twaalf gezellig aan de keukentafel zijn potje corn-flakes verorbert. Als er geen hongeraanval gepland staat dan onderbreekt meneer wel de nachtrust voor een flinke huilbui, waar alleen Pingu en Hopla YouTube-gewijs redding kunnen brengen.

Bij onthaalmoeder Christa kruipt het ventje in bed bij andere kindjes. We zijn nog vergeten na te vragen of die activiteit geslachtsgebonden is, maar meneer klautert doodleuk als een halve aapmens zijn bed uit en probeert zo in het bed van de andere ‘kientjehs’ te komen.

Voor de rest alles normaal hier, en daar?

broerloze Benne

Kleine broer Fries bleef eens bij zijn grootouders, grote broer Benne ging mee naar huis. Dachten wij dat dat even leuk ging zijn: Benne alleen, alle knuffels en warme chocomelk voor hem alleen, rust in de auto op weg naar huis, … Niets van dat.

“Ma ik wil mijn broer tru-u-ug!”

“Ma mijn broer moe mee-ee-ee!”

“Ik wil bij Fiesje zijn!”

“Fiesje moet hier bij mij zijn!”

“Ik wil morgen nie na school, ik wil bij Fiesje gaan!”

En zo om de vijf minuten: “Wa’s mijn broer?”, “Wa’s Fiesje, istieweg?”, “Oekomtanu?”, …

Zou het dan toch nog goed komen tussen de broers Fiesewietie en Penneuh?

Na één week school

Na veel vijven, zessen en zevenen wil meneer Benne eindelijk de naam van zijn juf kenbaar maken. Tot gisteren maakte hij er een spelletje van en op de vraag: “Benne, hoe heet jouw juffrouw in de klas?”, zei hij gewoon “Ik weet het niet!”. Dit afwisselend guitig, gespeeld of ronduit kwaad omdat we hem zo’n moeilijke vraag durfden te stellen. ’t Was nochtans in het Nederlands.

De vieze beestjes in neuzen, kelen en oren hebben hun intrede gedaan, en de zakdoeken mogen hier weeral bovengehaald worden om loopneuzen en andere viezigheden te bestrijden.

Dat er meisjes in zijn klas zitten weet hij, dat het mooie meisjes zijn kan hij ook zeggen, dat die meisjes ook een naam hebben komt af en toe bij hem op, maar dat ze leuk zijn is nog wat anders. Of misschien wel leuk, maar alleszins geen vriendschapsmateriaal. Op de vraag of hij vriendinnetjes heeft antwoordt hij steevast ontkennend. Vriendjes, dat wel.

Als de vraag eindigt op ‘mee’, ‘eten’, ‘doen’ of ‘hebben’ dan steekt Fries nog vlugger dan zijn schaduw zijn hand omhoog en slaat er een welgezinde ‘ikkeeeeeuh!’ uit. Wie gaat er mee, wie wil iets eten, wie wil dat doen of wie wil dat hebben: Fries dus.

’t Kleinste kind kent ook al zijn broer, Penneuh en zichzelf, Fiesjeuh. Mapamapa is voor als hij dringend zijn beide ouders wil spreken. ‘Melkeuh’ is als de vent wat melk wil achteroverslaan en ‘neeje’ spreekt voor zich. Dat laatste horen we hier al te veel.

Beide jongens hebben besloten niets meer met elkaar te delen (how wussy is dat zeg), maar om des te meer alles van elkaar af te pakken. “Afpakken is leuk, hé mama?”. Niet dat ze mijn mening daarover vragen, eerder proberen ze me te overtuigen van het positieve, voor jezelf leren opkomen heet dat. Met blauwe plekken, bloedlippen en half verstuikte polsen als gevolg.

En Bennes favoriete beest is het liegebeest. Of is het het fantasiebeest? Even overwegen hoe we zijn fabeltjes gaan aanpakken, want meneer heeft het precies niet goed door dat sommige mensen het niet appreciëren als je rondbazuint dat ze hun behoefte doen in de woonkamer en dat hij dat vervolgens volgens regelrechte kinderarbeidsnormen moet opkuisen. Dat hij vliegende leeuwen op het plafond ziet, tot daar aan toe. Dat hij vaak achtervolgd wordt door een beer, tot verder nog aan toe. En zelfs een blauwe olifant in zijn bed mag gerust blijven slapen. Maar verder dan dat is het geen spelletje meer, hoe grappig hij zijn verzinsels ook mag vinden.

Friesewietie (sic Benne) heeft nu ook zijn eigen woordenboek, geproduceerd door opa Gerrit. ’t Kind zegt gezwind zijn woordjes op, geeft er hier en daar een eigen invulling aan, en vindt het vooral ongelooflijk geestig om te demonstreren wat hij allemaal kan. En wij vinden dat nu ook eens.

Friesjeswoordenboek

lakentjesoorlog

Wat weet u allemaal over mijn zonen en hun slaapgedrag? Dat de term ‘slaapgedrag’ op zich al een overstatement van jewelste is. Niks patroon, regelmaat, doorslapen, niet doorslapen. ’t Is elke keer spannend of ze een nachtje doorslapen of niet, of ze wakker zullen worden met luid gekrijs of met zacht gesnik, of ze meteen te troosten zullen zijn, of ze een duivel uit te drijven hebben, of er dromen of nachtmerries moeten verwerkt worden (“Stoute meisjes in mijn kamer die jongetjes pijn doen” zoals Benne beweert), … Ik heb me er al bij neergelegd: ’t zijn twee slechte slapers, ze worden vaak wakker, ze hebben heel weinig slaap nodig (slapen is voor mietjes, weet u), ze zijn heel beweeglijk én ze pakken de lakens of dekens of ze duwen ze net weg. En dat laatste steekt ons tegen, niet een beetje weinig, maar een beetje heel veel dus. Ik heb veel over voor mijn zonen maar Ze. Moeten. Van. Mijn. Mijn. Mijn. Lakens. Afblijven.

Als je dan bij je ouders mag slapen, gedraag je dan tenminste, zo vinden wij. En als je moeder in de zomer liever onder een lakentje ligt dan jij, begin dan niet meteen dat laken weg te stampen zodat jij in alle vrijheid alle hoeken van het bed kan verkennen en je moeder mag tevreden zijn dat de muggen tenminste niet aan haar tenen kunnen. En als het winter is, trek dan niet het hele deken naar je toe, we liggen er met drie of met vier, weet je? En opstaan met een pijnlijke rug omdat je de hele nacht in de kou hebt liggen slapen heeft wél een effect op je humeur. Kijk dan ook niet zo raar als ’t niet elke morgen van ‘goeiemorgen, goeiedag’ is. ‘k Heb het tegen jullie, liefste zonen. Begrepen, verwerkt en opgeslagen?