’t gaat om mijn zonen

’t Gaat om oeverloos gepieker, als ik denk aan de wereld waarin ze leven en zullen leven

’t Gaat om zorgeloos gelach, als ik zie in welk wereldje ze nu leven

’t Gaat om mijn zonen, hun leven lang, mijn leven bang.

Bang dat ik er niet ben als ze me nodig hebben. Een geschaafde knie, een bloedende lip, een neus die moet afgeveegd worden.

Bang dat ik er niet ben als ze me niet nodig hebben. De eerste keer fietsen, het eerste kusje, de eerste ‘kouvejou’.

Bang dat zij er niet zijn als ik ze nodig heb. Elke dag.

Ze gaven me zonsopgang, zonsondergang en toonden me de sterren en de maan.

Ze leerden me kijken naar grote gele zonnebollen en pratende bomen. Naar ingebeelde leeuwen en levensechte spoken. Naar zichzelf als baby, jongen, superster, held.

’t Gaat om mijn zonen en ik geef me graag over aan hun liefde.

Met het besef dat ik nooit alles zal kunnen grijpen en begrijpen. En dat stelt me gerust.

*einde sentimentele praat*

Benne1Fries1

van toen hij drie jaar werd

intussen ook al twee maanden geleden. ‘k Weet het.

Kwamen op bezoek: broer, neefje, ouders, grootouders, overgrootouders en tantekes en nonkeltjes. Kwam iets later en zorgde voor wat toegeknepen billen bij Benne: een leeuw. Zorgde voor de ontlading van de eeuw (en van Bennes bilspieren): nonkel Klaas die uit het leeuwenpak tevoorschijn kwam.

stinkende flesjes

Als zelfs de oudste zoon al zijn beklag begint te doen over de geurhinder in de auto, dan weet je dat het erg is. How comes? Zo’n vier maanden verzameld leeggoed moest dringend op de juiste plaatsen gebracht worden, zijnde een glascontainer en een winkel om centjes te recupereren. Moeder was met de auto nogal kort door een bocht gegaan met als gevolg dat bier en wijn, tussen 3 dagen en vier maanden oud, zich lekker begon te verspreiden op de achterbank. Benne trok een neus van jewelste en kon het niet laten om elke vijf minuten te zeggen “dat het feel stinkt ier mama” en “oei, dat ruikt ier fies, oekomtadnu?” en “pintjes drinken is vies hé, dat stinkt”.

Wen er maar aan, die auto is zo niet lichtjes tamelijk volledig gekuist en nog altijd stinkt dat ding. Wassen doen we ons voorlopig niet meer, twee minuten in onze bierkar en het waseffect is toch verdwenen…

Bedankt beer!

Lieve Benne,

Lieve oudste zoon van me, ik ben je moeder en ik ben een zaag. Meer nog: ik zaag soms ongelooflijk veel, want je hebt ook nog een broer. Ik mag dat doen, zagen, want bij je geboorte kreeg ik niet alleen een zoon, maar meteen ook het recht om af en toe eens stevig over die zoon door te drammen.

En ik ben daar nogal bedreven in, zo’n potje goed doordrammen op tijd en stond kan ferm deugd doen. Heel vaak is het in positieve zin: ik loop op te scheppen over mijn blonde god, laat zelfs de perfectie verbleken als ik die met jou vergelijk en kan het niet laten om je te bewieroken met de geuren, kleuren en woorden waar zelfs de meest fervente Woodstock-ganger hoofdpijn van zou krijgen. Dat mag ook wel vind ik, je bent nu eenmaal het liefste, slimste, mooiste en grappigste kind. Een gedeelde eerste plaats met je broer is dat.

Maar soms, heel soms, loop ik ook echt te zagen. Liefst met andere moeders: wie het verschrikkelijkste kind heeft, wie het minste uren slaapt per nacht, wie er het vaakst zijn kind in de hoek zet en wie het meest moet opruimen en kuisen. Dat is nu eenmaal zo, een moeder is er graag het slechtste aantoe van al haar vriendinnen. Zo is ze weer eens bevestigd in het heldenwerk dat ze elke dag verzet. Ik zaag dus regelmatig over dat slaappatroon van jou, of het gebrek eraan. Over die nachtelijke uitstapjes, het veel te vroeg opstaan en het veel veel veel te laat gaan slapen.

Maar mag ik je nu even bedanken voor gisteren? Ik moest een trein halen om half zeven, ik moest opstaan om half zes. Het was half zes en mijn wekkers hadden niet gerinkeld, gezoemd, gepiept, getuut of wat dan ook*. Ik sliep, jij niet meer. Meneer de wekker, lieve zoon, ik wil je bedanken omdat je gisteren je huilalarm om half zes hebt gezet. Zo kon ik mijn trein halen en waren we weer vertrokken voor een dagje werken.

Ik geef je nu dus een maand krediet, ga een maand niet zagen over je slaapgedrag, daarvoor ben ik nu net even te blij.

(* als je gsm op stil staat en je het schakeltje van je wekker niet op ‘on’ zet: dan hoor je niets als het tijd is om op te staan. Echt niets.)

en toen had hij een vriendinnetje

Benne en A-mé-lie-tjeeeuh. Ziehier het nieuwe kleuterkoppel van dit trimester. Ik mag hopen dat meneer nog veel liefjes zal hebben, maar voorlopig is Amélietjeeeuh zijn vriendinnetje. ’t Is een beetje een vreemde relatie: ze trekt aan en stoot af, zo lijkt het. Ze zijn de beste vriendjes en plots doet ze hem dan pijn. Gelukkig is grote heldin juf Justine er dan nog om zijn liefje dan op haar plaats te zetten. Waardoor Benne dan weer medelijden krijgt met zijn lief en ze dan gaat troosten. Grote juffen moeten zich niet moeien met de relationele problemen van kleuters denk hij dan misschien.

Ik wacht de dag af dat hij zelf zal vragen om zijn haar in de gel te leggen omdat hij er mooi moet uitzien voor zijn ‘mooi Amélie-meisje’. Intussen doen wij hier vrolijk mee met de adoratie van Amélietjeeeuh. Straks even wat speciale opsporingsmethodes gebruiken om haar ouders te screenen 🙂

broerloze Benne

Kleine broer Fries bleef eens bij zijn grootouders, grote broer Benne ging mee naar huis. Dachten wij dat dat even leuk ging zijn: Benne alleen, alle knuffels en warme chocomelk voor hem alleen, rust in de auto op weg naar huis, … Niets van dat.

“Ma ik wil mijn broer tru-u-ug!”

“Ma mijn broer moe mee-ee-ee!”

“Ik wil bij Fiesje zijn!”

“Fiesje moet hier bij mij zijn!”

“Ik wil morgen nie na school, ik wil bij Fiesje gaan!”

En zo om de vijf minuten: “Wa’s mijn broer?”, “Wa’s Fiesje, istieweg?”, “Oekomtanu?”, …

Zou het dan toch nog goed komen tussen de broers Fiesewietie en Penneuh?

Na één week school

Na veel vijven, zessen en zevenen wil meneer Benne eindelijk de naam van zijn juf kenbaar maken. Tot gisteren maakte hij er een spelletje van en op de vraag: “Benne, hoe heet jouw juffrouw in de klas?”, zei hij gewoon “Ik weet het niet!”. Dit afwisselend guitig, gespeeld of ronduit kwaad omdat we hem zo’n moeilijke vraag durfden te stellen. ’t Was nochtans in het Nederlands.

De vieze beestjes in neuzen, kelen en oren hebben hun intrede gedaan, en de zakdoeken mogen hier weeral bovengehaald worden om loopneuzen en andere viezigheden te bestrijden.

Dat er meisjes in zijn klas zitten weet hij, dat het mooie meisjes zijn kan hij ook zeggen, dat die meisjes ook een naam hebben komt af en toe bij hem op, maar dat ze leuk zijn is nog wat anders. Of misschien wel leuk, maar alleszins geen vriendschapsmateriaal. Op de vraag of hij vriendinnetjes heeft antwoordt hij steevast ontkennend. Vriendjes, dat wel.

Als de vraag eindigt op ‘mee’, ‘eten’, ‘doen’ of ‘hebben’ dan steekt Fries nog vlugger dan zijn schaduw zijn hand omhoog en slaat er een welgezinde ‘ikkeeeeeuh!’ uit. Wie gaat er mee, wie wil iets eten, wie wil dat doen of wie wil dat hebben: Fries dus.

’t Kleinste kind kent ook al zijn broer, Penneuh en zichzelf, Fiesjeuh. Mapamapa is voor als hij dringend zijn beide ouders wil spreken. ‘Melkeuh’ is als de vent wat melk wil achteroverslaan en ‘neeje’ spreekt voor zich. Dat laatste horen we hier al te veel.

Beide jongens hebben besloten niets meer met elkaar te delen (how wussy is dat zeg), maar om des te meer alles van elkaar af te pakken. “Afpakken is leuk, hé mama?”. Niet dat ze mijn mening daarover vragen, eerder proberen ze me te overtuigen van het positieve, voor jezelf leren opkomen heet dat. Met blauwe plekken, bloedlippen en half verstuikte polsen als gevolg.

En Bennes favoriete beest is het liegebeest. Of is het het fantasiebeest? Even overwegen hoe we zijn fabeltjes gaan aanpakken, want meneer heeft het precies niet goed door dat sommige mensen het niet appreciëren als je rondbazuint dat ze hun behoefte doen in de woonkamer en dat hij dat vervolgens volgens regelrechte kinderarbeidsnormen moet opkuisen. Dat hij vliegende leeuwen op het plafond ziet, tot daar aan toe. Dat hij vaak achtervolgd wordt door een beer, tot verder nog aan toe. En zelfs een blauwe olifant in zijn bed mag gerust blijven slapen. Maar verder dan dat is het geen spelletje meer, hoe grappig hij zijn verzinsels ook mag vinden.

Friesewietie (sic Benne) heeft nu ook zijn eigen woordenboek, geproduceerd door opa Gerrit. ’t Kind zegt gezwind zijn woordjes op, geeft er hier en daar een eigen invulling aan, en vindt het vooral ongelooflijk geestig om te demonstreren wat hij allemaal kan. En wij vinden dat nu ook eens.

Friesjeswoordenboek

’t is weer van dat

MSBF09Sep 021Eerste schooldagen en ik, wij gaan nooit dikke vrienden worden, neen. Dat zijn dagen dat ik het liefst in een hol ver weg onder de grond wil kruipen. Met mijn twee zonen bij mij dan, laat dat duidelijk zijn. Hij zag het eerst nog goed zitten, die blonde god van me. Maar het overweldigende aantal kindjes op de speelplaats deed hem van gedacht veranderen. En daar kon geen snoepjes uitdelende Robin Hood of Roodkapje iets aan doen. Hij nam zijn snoep op de speelplaats en liep terug naar mama. Mama die nog mooi achter het poortje stond omdat ze dat nu eenmaal vragen dat je niet met je kleine de speelplaats op springt. Na een kort veldonderzoek bleek dat heel wat ouders toch met hun peuters en kleuters de speelplaats op paradeerden wat voor moeder hier voldoende was om aan dit kuddegedrag mee te doen.

Moeder aldus op de speelplaats, juf gezocht, blonde god aan juf gegeven, en met zowat één kubieke meter beton in haar maag terug naar huis. Ik heb me heel flink gehouden, toen ik over de speelplaats liep kon men nog denken dat ik gewoon een snotneus had. Eens in de auto heb ik mezelf vervloekt geen zakdoek bij te hebben. Waarvoor zou ik die trouwens nodig hebben: ’t kind gaat graag naar school, ’t is al de tweede keer dat we van eerste schooldag spelen en alles went.

Vergeet het maar, in zijn zesde jaar secundair zal daar een oude taart staan snotteren aan de schoolpoort. Hij zal met zijn ogen rollen, zuchten en hopen dat niemand van zijn maten zijn moeder heeft gezien.

’t school begint

Nog zoveel keer slapen en Benne kan terug naar school. De van onversneden drama voorziene scènes vorig jaar (bij de moeder welteverstaan) zullen dit jaar niet te zien zijn. Blijgezind, welgemutst, hieplahoi starten wij de eerste september. Ik heb er alle vertrouwen in, zeker nu hun kleuterklasjes zo mooi vernieuwd zijn.

Benne is nog niet helemaal overtuigd. Hij wil enkel maar naar school als hij bij dezelfde juf kan blijven. Aangezien hij nu nog mooi het tempo van zijn leeftijdsgenoten kan volgen vinden wij het dus een beetje overdreven om hem nu al zijn jaar te laten dubbelen bij dezelfde juf. Wat trouwens ook niet zou werken aangezien je dan toch sowieso naar een andere juf vliegt. Hechting is goed, maar ’t mag ook niet te veel zijn.

Kilo’s overtuigingskracht hebben wij hier al mogen gebruiken om Benne duidelijk te maken dat juf Griet en juf Hannelore ook wel leuke juffen zijn, dat ze heel veel en mooi speelgoed hebben, dat hij daar ook nog op de glijbaan mag spelen, dat ze ook een broek zullen dragen om aan te hangen, dat het in de hoek staan enkel van hem en hem alleen zal afhangen, dat het lieve juffen zijn, knuffeljuffen, dat Jules zal meegaan met hem, dat de nieuwe juf ook nog chocomelk en koekjes heeft, dat ze ook mooi kan zingen en veel in haar handen klapt, dat hij ook nog bij haar aan het handje mag lopen als hij eens een minder dagje heeft, dat hij een nieuw symbooltje krijgt: eentje voor grote jongens, … en zo gaat dat maar door.

Maar nee, op het einde van ons betoog zegt meneer met een daadkrachtige stem: Ik wil juf Julie, geen andere juf. Alleen juf Julie.

Ik kan daar alleen maar gelukkig om zijn eigenlijk, ’t moet zijn dat het kind de tijd van zijn leven heeft gehad het afgelopen schooljaar. Juffen in de basisschool: hou jullie klaar om hem van ‘zijn’ juf Julie af te trekken, de eerste september 🙂

lakentjesoorlog

Wat weet u allemaal over mijn zonen en hun slaapgedrag? Dat de term ‘slaapgedrag’ op zich al een overstatement van jewelste is. Niks patroon, regelmaat, doorslapen, niet doorslapen. ’t Is elke keer spannend of ze een nachtje doorslapen of niet, of ze wakker zullen worden met luid gekrijs of met zacht gesnik, of ze meteen te troosten zullen zijn, of ze een duivel uit te drijven hebben, of er dromen of nachtmerries moeten verwerkt worden (“Stoute meisjes in mijn kamer die jongetjes pijn doen” zoals Benne beweert), … Ik heb me er al bij neergelegd: ’t zijn twee slechte slapers, ze worden vaak wakker, ze hebben heel weinig slaap nodig (slapen is voor mietjes, weet u), ze zijn heel beweeglijk én ze pakken de lakens of dekens of ze duwen ze net weg. En dat laatste steekt ons tegen, niet een beetje weinig, maar een beetje heel veel dus. Ik heb veel over voor mijn zonen maar Ze. Moeten. Van. Mijn. Mijn. Mijn. Lakens. Afblijven.

Als je dan bij je ouders mag slapen, gedraag je dan tenminste, zo vinden wij. En als je moeder in de zomer liever onder een lakentje ligt dan jij, begin dan niet meteen dat laken weg te stampen zodat jij in alle vrijheid alle hoeken van het bed kan verkennen en je moeder mag tevreden zijn dat de muggen tenminste niet aan haar tenen kunnen. En als het winter is, trek dan niet het hele deken naar je toe, we liggen er met drie of met vier, weet je? En opstaan met een pijnlijke rug omdat je de hele nacht in de kou hebt liggen slapen heeft wél een effect op je humeur. Kijk dan ook niet zo raar als ’t niet elke morgen van ‘goeiemorgen, goeiedag’ is. ‘k Heb het tegen jullie, liefste zonen. Begrepen, verwerkt en opgeslagen?