Oogcontact. Met een arts. Of drie.

IMG_0854

Week 1 van 7. Toen ik moest rusten. Rusten!

Wat voorafging. In februari 2016 ging ik langs bij een oogarts in Kortrijk omdat het een ‘beetje piekte aan mijn ogen’ Of hij niet eens wilde kijken wat er scheelde. Vijf consultaties volgden, twee ontstekingen zo zwaar dat het wit rond mijn ogen rood was en het bleef zo wel een beetje pieken. En ik wou intussen niet zien dat ik eigenlijk minder kon zien en kon niet meer zien wat ik wel nog wou zien. Nog mee?

Dag op dag een jaar geleden kreeg ik van een oogarts in Oudenaarde te horen dat ik met onmiddellijke ingang niet meer met de auto mocht rijden. Het zicht van ondergetekende was beneden de wettelijk vereiste norm (dat bestaat dus, ja) en er werd een attest slash verbod uitgeschreven.

Bovenop het rijverbod kwam een schermverbod. Voor één week. En dat ik dan maar eens moest terugkomen.

Dat heeft uiteindelijk zeven weken geduurd. Zeven weken thuis zitten, nergens naar toe kunnen (behalve de wekelijkse ritjes naar de oogarts), van iedereen afhankelijk zijn om jezelf en je kinders ergens naar toe te brengen (in de vakantie!!), als een oud omaatje naar de winkel stappen, nog net geen zak-op-wieltjes achter je aan sleurend.

Zeven weken voor me uit staren. Om niets te zien. Zeven weken gaan wandelen en niet durven opkijken omdat ik mensen toch niet zou herkennen. Zeven weken geen oogcontact durven maken omdat ik niet zeker wist of het een man of vrouw zou zijn waarnaar ik zat te knipogen. Zeven weken, waarvan één week trunten en zagen over wat ik in godsnaam moest doen. Zeven weken, waarvan zes weken boeken lezen met grote letters, schrijven, wandelen, muziek beluisteren. En trunten en zagen, dat ook nog.

Het lijf had gesproken. “Gij wilt niet rusten? Gij zult rusten! Desnoods maak ik u halfblind!” En zo geschiedde.

En het lijf had meteen ook besloten dat het niet eenvoudig te verhelpen zou zijn. Er volgden druppels, pillen, zalfjes, pluggen, opties voor serumbehandeling, etc. Een half maandloon mét vakantiegeld heb ik daaraan verspeeld (eerlijkheidshalve: hierin zitten ook de vele flessen wijn en hapjes die ik serveerde aan mensen die de halve blinde kwamen entertainen). Er volgden tranen, van miserie. Maar ook: omdat het deugd deed. Enkel bij waterige ogen zag ik de wereld wat meer helder. Toen ik wettelijk terug genoeg zag om auto te mogen rijden (en die lat ligt echt laag, mensen!) huilde ik opzettelijk om beter te kunnen zien. My inner dramaqueen kwam in die periode tot volle wasdom (om intussen alweer plaats gemaakt te hebben voor de queen of eyerolls, no worries).

Toen in september de oogarts meldde dat ze “ten einde raad was met mijn geval” en me zou doorverwijzen, zocht ik zelf maar een second (en dus eigenlijk al third) opinion. Enter andere oogarts uit Kortrijk. Die wist een fancy en veel-te-dure behandeling te vermijden door zijn gezond verstand te gebruiken en eens naar het lijf rond de ogen te kijken. En het probleem verdween. En de medicatie stopte. En het probleem kwam terug. En de medicatie werd herstart. En het probleem stopte. Waarop de medicatie werd afgebouwd. En gestopt. En het probleem kwam nog eens loeren. Van september 2016 tot mei 2017 speelden lijf en oogarts een tennismatch op hoog niveau. Met voorlopig een lichte voorsprong voor de oogarts. Komende september, 1 jaar en 7 maanden na mijn eerste aanmelding bij oogarts 1, na ettelijke uren intiem oogcontact (“kijk eens naar boven”; “naar onder”; “ogen open”; “niet schrikken, het zal een beetje prikken”; “zucht”; “ZUCHT”) krijg ik hopelijk te horen dat het probleem echt weg is.

Tot die tijd en ver daarna draag ik een bril. En koester ik wat ik zie. Vooral nu de zomer eraan komt. Een zomer waarin ik dingen meer helder zie in vergelijking met vorig jaar. Op veel vlakken. Dankjewel lief lijf. Maar lap me dit geen tweede keer meer, trut.

Eerder had ik dit bericht al geschreven, stond nog bij concepten. Die ogen liggen me duidelijk nog zwaar op de maag.

IMG_0799

Week 3 van 7. Uiteindelijk zot veel genoten van de extra tijd die ik zo kreeg. Iets wat ook wel eens tijd werd. Zie ne keer hoe klein die oogskes zijn zeg.

 

Three doctors and a red-eyed lady

Het antwoord op de veel gestelde vraag: “Oewistmejoenogennogeigenlijk?”

Een woensdag in februari was het. Ik zat met rode oogjes in de wachtzaal van de oogarts die me het snelst kon behandelen. Want die oogjes waren precies wat ontstoken. Niets ergs, maar ’t was toch ferm ambetant.

De vijf woensdagen erna zat ik er weer. Dat het een ferme ontsteking was geweest maar dat het, na wat verslechteren, nu toch verbeterde. Omdat ik zo flink mijn tienduizend jaar oude en volledig gedemodeerde bril droeg. En ja, je mag je lenzen terug dragen. Maar pak voor alle zekerheid een nieuw doosje. Een nieuwe bril? Daar wachten we misschien best nog even mee tot je ogen weer helemaal goed zijn en dat wat stabiel blijft. Allez, ’t beste hé! En duim dat de mensen u niet te veel uitlachen als er intussen nog eens een ader springt in uw oog of zo.

Een maandag in juni was het. Met zware hoofd- en oogpijn naar het ziekenhuis gebeld. Of ik alstublieft snel mocht komen. Dat kon, eind juli ergens. En dat ik anders maar via spoed moest binnen komen. Dat dacht ik niet. Die spoedartsen hebben levens te redden, geen halfblinde vrouwen te sussen.

Enter dokter 2 die me wel kon ontvangen nadat ze m’n klachten had gehoord. Richting Oudenaarde dan maar, half blind, achteraf gezien mocht ik wettelijk zelfs niet meer in auto rijden. Verdict: een paar dagen thuis, dat gaat wel beter zijn dan. Ogen laten rusten, niet in auto rijden, niet werken. “Maar jij bent oogarts, jij kan me toch niet thuis zetten?”, waarop zij: “Ik ben arts, en elke arts kan je thuis zetten, en nu mag jij van mij zelfs niet meer naar huis rijden, neh!”. Met m’n grote mond ook altijd.

Dat dat wel eens rap ging genezen viel wat tegen. Het medisch mysterie, een paar dagen thuis werd uiteindelijk een dikke maand (verlof inclusief) oogmiserie, vakantiegeld werd met grote tegenzin uitgegeven aan dokterskosten en met heel veel zin uitgegeven aan wijnproeverij voor vrienden die op bezoek kwamen. En de doemberichten bleven komen bij het wekelijks bezoekje aan de enige vrouw ooit die zo geconcentreerd in mijn ogen keek: dat het vijf na twaalf was, dat lenzen geen optie meer waren, nooitniemeer, dat dat het probleem is met mensen met een hoge pijndrempel, die voelen het niet meer als iets piekt, … Het gesukkel bleef, de frons van de oogarts werd week na week groter, mijn bankrekening week na week leger, de band met de apotheker werd hechter, de wildste diagnoses werden in het rond gestrooid.

Waarna oogarts 2 het voor bekeken hield (“Ik ben ten einde raad met u…”) en er dan maar doorverwezen werd voor behandelingen die ik bijlange niet zag zitten. En mijn bankrekening nog minder. Ook al had ik dan een reden om om de vier dagen in de coolste stad van ’t land rond te hangen. Yes but for now, no thanks.

Enter dokter 3. Tweede opinie, in afwachting van dat halfwekelijks rondhangen in een Gents ziekenhuis. En dat ging van “amai… da’s ernstig” over “goh…” tot “hmmm, ik denk …” en “kijk, we kunnen het maar proberen hé, ziet gij dat zitten?”. En dan een maand later: “Moh! Da’s dag en nacht verschil!” en “We gaan dat heel voorzichtig afbouwen hé, dat dat niet terugkomt” vergezeld van wat meer dan terecht geklop op de borst bij dokter 3 en vochtige, maar oprecht, echt, eerlijk, heerlijk vochtige blauw-met-groen-en-een-beetje-bruine kijkers bij mij. Contentement alom. Mentaal vreugdedansje. En dat er zelfs terug lenzen in die oogjes mogen komen. Maar niet te frequent. “Ahja, zo om te sporten, meneer doktoor, dat zou handig zijn, niewaar?”. “Ja, bijvoorbeeld”, zei hij, “of om uit te gaan ook misschien.” *wink wink* deed hij toen. En ik zag het!

He knows me, hoe kan dat ook anders als een mens zolang zo diep in mijn ogen heeft gekeken?

[Aan alle chauffeurs van mij en mijn gebroed: merci! Aan al wie mijn eerdere wanhoop begripvol aanhoorde: ook merci! Aan al wie voor bevochtiging van de ogen heeft gezorgd door me keihard te doen bleiten: … nah, laat maar. Aan al wie voor bevochtiging van de ogen heeft gezorgd door me keihard te doen lachen: #applesofmyeye.]

 

Opvoedingsplan – hoofdstuk emancipatie

“Maar mannen zijn toch zwakker dan vrouwen!”

Vergezeld van gepaste pathos sprak Kind2 deze woorden uit, veel te serieus. Hij meende het, zo bleek uit het verdere gesprek.

  • Kind2: “Vrouwen zijn sterk, die doen gewoon alles.”
  • Moeder: “Maar mannen en vrouwen zijn toch even sterk hoor, ze kunnen allebei dingen goed.”
  • Kind1: “Wat jij hier allemaal doet en wat je kan, ik weet niet of een man dat kan hoor.”*
  • Kind2: “Ik wil later zeker samenwonen met een vrouw.”
  • Kind3: “Jij bent lief, mama.”

Ja, het is een compliment. De euforie overheerste de eerste minuten. Ik gaf mezelf een ton denkbeeldige schouderklopjes, high-fives én kushandjes omwille van zoveel powerwijverigheid. Mijn zonen, die waren geëmancipeerd jong, nu al! Die zouden niet bang zijn van sterke vrouwen, etc. etc. *blaast het stof van haar standbeeld*

En daarna begon ik te denken. Dat iets niet klopt in hun redenering. Dat ze de powervrouwengedachte niet als waarheid mogen aannemen. Net zomin als de idee dat mannen het sterk(st)e geslacht (moeten) zijn. Dat ‘niet sterk’ niet impliceert dat er zwakte is. Dat geslacht daar eigenlijk niet toe doet.

Ik kan ze het niet kwalijk nemen, mijn drie jongens. Ze zien hier dan ook wel wat powerwijverij. De ene dag al wat meer dan de ander, in verschillende gradaties van succes.

Zoals op de dag voorafgaand aan het bovenstaande gesprek: ze zien een moeder die op bevel van de burgemeester (politiereglement nummer tig paragraaf whatever) haar haag moet scheren, niet binnen afzienbare tijd maar wel onmiddellijk en eigenlijk gisteren. Niet omdat ze dat de vorige jaren heeft verwaarloosd, wel omdat ze blijkbaar meer grond, en dus haag, heeft dan gedacht. Een snelle, maar grondige, check op het plan gaf de burgemeester gelijk (“Rijker dan je denkt: de tegen-wil-en-dank-editie”) waarop moeder een uur lang stond te foeteren, vervolgens in gang schoot, een ander powerwijf-en-moeder-met-haagschaar** belde en zodus op een zonnige zaterdag het kampioenschap task switching organiseerde.

Vijf jongens zagen twee moeders met verlengkabels sleuren, takken afscheren, zakken vullen, een ladder en stelling op en af springen. Ze zagen dat hun moeders er zelfs plezier in hadden, genietend van de aandacht die ze kregen van elke passant, duimen opstekend bij elke duim omhoog die ze zelf kregen. Ze zagen die moeders een pauze nemen die ze invulden met het op tafel toveren van een maaltijd die meer voedzaam was dan de gemiddelde fastfood die op dergelijke werkmansdagen wordt voorgeschoteld, en passant een bezoek aan het stort brengen om zich dan vol overgave terug op haag en takken te gooien.

Ze zagen een moeder die de volle acht uur was bezig geweest met een haag proper te zetten, afgewisseld met het scheidsrechteren bij ruzies en het troosten van Kind3, om daarna vlotjes de rol op te nemen van cuddle-me-mummy, voederend, badjes gevend, voetjes verzorgend, etc.

En geen seconde had ze durven zagen of klagen, die moeder.

En dat was fout. Grondig fout. Want dat schept foute verwachtingen. Naar vrouwen, naar toekomstige partners, naar zichzelf.

En dus besloot ik om dezelfde avond nog het powerwijf imago te doorbreken. Althans naar mijn zonen toe (je moet niet alles ineens willen 😊) en enkel over het fysieke (je moet niet alles ineens vertellen). Ik besloot te zeggen dat er toch wel die rugpijn was, die stramme armen, … mijn uitzonderlijke fysieke prestaties van die dag gestaafd door FitBit-data. … Ze reageerden door me te laten uitslapen, door koffie te zetten, door toch het volle anderhalf uur elke medewerking te verlenen die ik vroeg op zondagmorgen.

Om dan ’s avonds opnieuw te vertellen dat “wij mannen, allez, jongens hé, wij mogen blij zijn dat er vrouwen en meisjes zijn hoor”. Ik vroeg hen waarom. “Omdat je daar toch echt veel plezier mee kan maken, soms meer dan met jongens alleen.”

Een kleine kentering. Hadden ze iets geantwoord in de trant van “omdat die vrouwen zoveel doen”, dan was het terug naar af. Maar mijn missie is verre van volbracht. En ik neem me nu voor om, als ze wat ouder zijn, eens te gaan huilen, al dan niet geïnitieerd door hormonale opstoten. Dat ze leren dat powerwijven dat soms tegen wil en dank zijn, met soms stank voor dank zijn, ondanks zijn, dankzij zijn.

Dus als u me ooit in het gezelschap van minstens één van mijn kleine mannen ziet huilen: het maakt deel uit van mijn opvoedingsplan, het plan om hen te leren dat mannen en vrouwen, papa’s en mama’s powermensen kunnen zijn maar dat zoiets nooit als norm beschouwd kan worden.

Als powerwijverij hun norm zou worden dan vrees ik (1) dat die nooit van straat raken, (2) dat ze zich zullen gedragen als verwende, hulpeloze jongetjes, waardoor ook punt (1) een nog grotere waarschijnlijkheid heeft om een feit te worden en (3) dat ik over 20 jaar hun haag sta te scheren.

*Ik was eerder bezig met een post over enkele ‘Oh, was er maar een man’-situaties en hoe elke situatie uiteindelijk toch goed uitdraait tot zelfs een ‘Moh, dat kan ik best alleen’. Het lijkt me beter om die instelling nu even te laten rusten. Wat niet wil zeggen dat die situaties niet verder gedocumenteerd zullen worden 😊.

**Topwijf E., waaraan ik heb beloofd om in juni haar groen te helpen scheren. Want wij zijn een topteam, zo. 

IMG_3020Een haag kussen als ik blij ben, ik kan dat. 

Sportief bindingsmoment

Ik ben al heel vaak gestart met lopen en voorlopig al één keer minder dan heel vaak gestopt. Regen is één excuus, de zonen zijn 3 excuses. Zo zit ik aan vier en dat is telkens genoeg om in de-week-met-kinderen niet te lopen.

Tot er sprake was van een helder moment en er overwogen werd om de zonen mee te laten lopen. Zij bewegen (nog meer), ik ben eens weg van de huis-, tuin- en keukenbeweging van die week én ze krijgen het opvoedkundig geheel verantwoorde beeld van een moeder die me-time maakt, dit sprankelend weet te combineren met quality-time met de zonen, uiteraard overgoten met gegrap en gegrol tijdens het lopen (voor mij) en fietsen (voor hen). Oh ja, als we lachen zijn onze tanden tandpastawit. En mijn haar ligt heel erg hard in de plooi.

Soit. Zondagnamiddag. Twee derde van de kroost was naar de Chiro, het jongste derde deel bleef. En er zou gefietst worden. Daar was hij al sinds twee dagen op voorbereid. En hij zag het nog zitten ook. Het kon niet beter worden. Kind warm ingeduffeld, moeder in loopkleren en weg was dit olijke duo voor wat meer een mentale uithoudingstest zou worden dan een fysieke inspanning.

De geplande route (5K) werd na 50m enigszins ingekort. Na een herevaluatie op 100m werd het uiteindelijk dit:

img_0092

Zie je’t? Toch wel een persoonlijk record: mijn eerste 2-4 km hardlopen. Ze weten je wel te motiveren nadat je toch al een paar keer wat meer hebt gehaald.

In die drie kwartier en 3 kilometer had ik heerlijke bindingsmomenten met Zoon3 (noteer wel of geen sarcasme naar eigen goesting):

  • “Maar dat is veel te snel!” – ik was naast hem aan het wandelen.Wandelen!
  • “Niet zo snel mama” – ik loop voor hem, al zwaaiend, achteruit zelfs.
  • “Oh stop, mama, een nootje” – stapt van de fiets en zoekt de noot. Vindt de noot binnen de halve minuut terwijl moeder op en neer staat te springen.
  • “Oh stop, mama, een nootje” – zie hierboven, maar vindt de noot niet. Moeder stopt met springen en zoekt mee.
  • “Mama, ik kan niet mee” – elke drie minuten dat hij geen noot aan het zoeken was, terwijl ik gewoon naast hem wandelde.
  • “Mamaaaaaah!!” – in ongeveer de helft van de gevallen dat ik een sprintje wou trekken presteerde hij het om van zijn fiets te vallen.
  • “Oh, maïs! Kijk, 1, 2, 3 maïsen! Maar kijk dan toch mama!”
  • “Maar er ligt hier modder” – en toen wou hij niet meer rijden. Wel wandelen terwijl ik met fiets aan de hand door de modder mocht stappen.
  • “Ik heb het warm van al dat fietsen” – hij had de juiste kleren aan. Ik had kleren aan om een half uur te lopen. Dan doe je geen wollen parka aan. Ik heb koud gehad vandaag.
  • “Appeltjes!” – en toen zijn we beginnen appels rapen en hebben we thuis een cake gebakken. Dat kon omdat ik een douche had uitgespaard. Karma was me genadig vandaag.
  • “Maar wij hebben iets leuks gedaan vandaag, hé mama?” – om indruk te maken op twee in de kofferbak gegooide moddermormels.

Kind3 ziet appeltjes en stopt. Uiteraard | Moeder bakt cake en krijgt een beter humeur | Modderkoffer | Moeder eet van de cake en krijgt een nog beter humeur.

Eigenlijk alleen maar om te zeggen: lopen met een kind dat nog trager fietst dan ik slenter, dat doen we niet meer.

Iemand hier ervaring mee? Hoe hou ik drie koters 30 tot 60 minuten bezig zonder dat mijn huis afbrandt, ik 10 loltelefoontjes krijg van hen, er eentje ontsnapt of ze elkaar het hoofd inslaan met één van mijn handtassen?

Woorden van de week

BFNNaast het 346 keer uitspreken van het woord mama (gemiddelde per dag, per kind) -op verschillende toontjes, met verschillende urgenties en voor 340 irrelevante zaken (gemiddelde per dag, per kind)- zijn er toch wel andere woorden of uitdrukkingen die hier tijdelijk wat hotter en swagger (hierbij de eerste al) zijn. Bij gebrek aan meer inspiratie: het rubriekje ‘Woorden van de week’. Te interpreteren als: de woorden die het gebroerte gebruikt om aan te geven dat coolness toch wel een verdiende middle name was geweest.

  • “Da’s magic” – te gebruiken bij de zoveelste wereldgoal die je in je eigen tuin in een imaginair doel schiet; bij je moeder die zegt dat het water uit de douche nog altijd niet gratis is; bij je jongste broer die plots-en-totaal-niet-ingefluisterd het woord ‘twerken’ in de mond neemt en het dan nog eens demonstreert ook. Bij voorkeur te combineren met twee zwaaiende handjes en een veel te grote smile. Smoelentrekkerij à la Jim Carrey. Vermoedelijke oorsprong: Chiro- of voetbalkamp.
  • “Naais” of “Naaaaaaais” – te gebruiken bij een actie, zegswijze, repliek die je eigen coolness zwaar in de verf zet. Zoals een repliek op een commentaar van je moeder; een voorstel van je moeder om ergens naar toe te gaan maar waar je vooral niet té enthousiast mag over doen. Te combineren met één of twee opgetrokken wenkbrauwen en een high-five naar één van de broers. Vermoedelijke oorsprong: Chirokamp.
  • “Mo how zeg” – enkel te gebruiken in combinatie met een uitspraak van de kleinste broer. Zoals daar zijn: “Mag ik een handwasje?” gevolgd door: “Mo how zeg, ’t is wel een washandje hé”; “Het kindje van de poes is een ketting” gevolgd door: “Mo how zeg, ’t is een kitten hé”; “Ik wil graag slagroom op mijn boterham” gevolgd door “Mo how zeg, ’t is wel hagelslag dat ie bedoelt, niewaar?” Waarop de jongste: “Ja, dat”. Waarop de oudste twee tegen elkaar: “Naais!”. Vermoedelijke oorsprong: moeder en grootouders.
  • “Watte?” – voorlopig enkel gebruik bij Zoon2. Ter vervanging van het iets beleefdere “Wablief?”. Tot grote ergernis van de moeder. Hopelijk niet overdraagbaar op andere delen van het gebroerte. Vermoedelijke oorsprong: onbekend.
  • “It’s a prank! Ne prank, mama!” – te gebruiken net op die ene nanoseconde tussen het taxeren van de zogenaamde crisissituatie (door moeder) en het ontvangen van de bijhorende preek en straf. Ideaal in combinatie met de kleinste broer als nietsvermoedende handlanger van het kwaad. Bij voorkeur te gebruiken op een plaats waar moeder de voorbereidingen van de prank niet kan zien. Kan gevolgd worden door: een paar zware oogrollen van moeder, een vragende blik van de jongste zoon en een high-five bij de oudste zonen gecombineerd met “Da’s magic” of “Naais”. Vermoedelijke oorsprong: YouTube.

Ik ga daar nog zwaar mee scoren met die gasten. Ik voel dat.

Kind&GeZen

Ik was al aan het twijfelen of ik eigenlijk nog naar Kind&Gezin zou gaan met die derde. Die inspuitingen kan hij evengoed bij de kinderarts krijgen en het bespaart me het geneuzel van veel te jonge verpleegsters zonder kinderen of veel te oude huisartsen op rust die nog wat extra inkomsten zoeken. Hier dus geen goede ervaringen met K&G en al zeker niet als ze betweterig willen doen. Maar, vergevingsgezind als ik ben, vond ik dat ik het team in de nieuwe woonplaats ook een kans moest geven. Het kunnen toch niet overal zo’n seutige verpleegsters of ongeïnteresseerde artsen zijn als in de vorige woonplaats? Dus verwelkomde ik verpleegster M., die me opbelde en meteen de vraag stelde waarom ik in godsnaam na amper 24 uur uit het ziekenhuis was vertrokken. “Omdat ik bij mijn kinderen wou zijn; ik in mijn huis gaat veel beter dan ik in een ziekenhuis”, en dat op een toon die geen tegenspraak of gesus of getrunt duldde. De toon was gezet en verpleegster M. leek dat te accepteren. Dus mocht ze thuis op bezoek komen. En ze deed dat goed, ik zag een nuchtere, wijze mevrouw en dacht dat het toch wel nog goed zou komen. De tweede ontmoeting, met de gehoortest: opnieuw een goed gevoel. Verpleegster M. stelde me gerust, suste de jongste, benadrukte het volgen van het eigen gevoel, enzovoorts. Punten voor verpleegster M. dus.

En of ze een volgende consultatie mocht vastzetten, zo rond vier weken? Dat mocht.

Enter verpleegster Zenuwaandoening met zenuwen die op springen stonden omdat ze een lastig kind voor zich kreeg. En dat ze al had gehoord dat ik een half uur in de wachtzaal rondliep met een krijsende baby (mochten ze op tijd zijn, dan was dat beperkt gebleven tot 5 minuten), dat hij bleef krijsen toen we bij haar waren, dat hij nog harder krijste toen we bij de dokter waren, dat ze toch wel vond dat hij lawaai kon maken, dat hij lastig was, dat ik hem ’s nachts absoluut niet meer in bed mocht eten geven maar beter naar beneden zou gaan, dat het toch vreemd was dat het bij de andere kindjes niet zo was, of hij wel eten genoeg kreeg, en dat het waarschijnlijk een huilbaby was en bzzzzzz… ging het toen in mijn hoofd.

Nogal een geluk voor haar dat ik bij oververmoeidheid in een soort roes verkeer die het me onmogelijk maakt om kwaad te zijn of om te snauwen. Helemaal zen was ik dus en ik onderging het allemaal, terwijl ik gewoon aftelde tot zoon3 en ik weer in ons eigen huis waren en hij daar op zijn gemak kon verder trunten, of krijsen, afhankelijk van het uur van de dag.

Volgende week komt verpleegster M. Als ze me kan garanderen dat ik nooit ofte nimmer nog verpleegster Zenuw zie, dan blijf ik gaan. Zoniet dan stopt het hier, voor het welzijn van verpleegster Zenuw. Ik sta namelijk niet in voor de gevolgen de dag dat ik uitgeslapen zal zijn.

En dit, één zo’n moment, één zo’n half opgetrokken mondhoek per dag, één zot moment van de grote broers per dag: dit maakt alles weer goed.

Afbeelding

Noud!

AfbeeldingDat het met drie kinderen wat drukker is zal hieruit wel blijken: twee en een halve week nadat mister Knoddie zijn intrede maakte kan het eindelijk via dit geschrijfsel aangekondigd worden.

Zodus beste wereld, maak kennis met Noud Miel K., geboren in Waregem op 16.11.12 (alle schone combinaties zoals 10.11.12 en 12.11.12 ten spijt), zo rond 14.15u. Zo’n zes uur ervoor kondigde Noud, ook mister Knoddie genoemd, zijn komst aan door iets wat men het breken der vliezen zou noemen. De vier dagen ervoor had hij zijn moeder al helse pijnen bezorgd met iets wat men in het vakjargon voorweeën noemt (ze mogen ze hebben). Maar een moeder ken haar prioriteiten: terwijl de echtgenoot de zonen 1 en 2 naar school deed en de werkgever verwittigde, maakte moeder nog de afwasmachine leeg, ruimde de boel op, stopte de was weg, veegde wat kruimeltjes weg, bracht wat post weg (niet evident met gebroken vliezen), … Zei iemand iets van uitstelgedrag?

Enfin: het was ruim tien uur toen we uiteindelijk onze weg vonden naar de materniteit. En toen vond ook het eerste hongertje een weg naar moeders maag. Naar die van vader wellicht ook, maar die was zo sympathiek om er niets over te zeggen. Honger + pijn: duivelse combinatie.

En terwijl vroedvrouw en gynaecoloog het derde zoonwonder al zagen geschiedden zo rond aperitieftijd (“Maar dat gaat zo rap bij u”), besloot het moederlijf om nog twee pauzes te nemen. De zin: “Moh, ‘k peize da da nu were is stille gevalln” + honger + iets mindere pijn (ah ja, want stilgevallen): duivelser combinatie.

Toen het moederlijf weer in gang schoot mochten we na enkele minuten de kleine Noud aanschouwen. Klein, dacht de moeder, totdat het laken van zijn billen werd weggetrokken: toen werd duidelijk dat het hier alweer een +4kg geval betrof. Zo een beetje ver verwijderd van de schatting 48 uur ervoor: 3300 gram. En na een uur kennismaken tussen moeder en kind, na een half uur intens gehuil (van het kind) en onwezenlijk staren (van de moeder), kreeg het wonder van de dag het gewicht 4350 gram en de lengte 53 cm toegekend. Grote jongen, die Noud.

Hongerige jongen en lijfelijke jongen ook. Drie vierde van de dag ligt het ventje op de buik of is hij aan het drinken. Nogal een geluk dat hij zo knap is…

Afbeelding