De laatste maandag

AfbeeldingHij en ik zijn nogal gelijkend als het op melancholie aankomt. Hij had het er ook wat moeilijk mee, met die laatste maandag als kleuter. Dat er nog veel maandagen zullen komen, maar nooit nog een maandag waarop hij met zijn kleine boekentas naar zijn juf zal lopen op de kleine speelplaats. Er zullen wel nog vakantiemaandagen komen en dan eersteleerjaarmaandagen. Maar een kleuterklasmaandag zal hij nooit meer beleven. Hij is goed aangekomen, bij die laatste kleuterklasmaandag. Drie melktanden weg al, een eigen kledingstijl, zot van sandalen, petten en allerlei prullen die hij aan zijn boekentas kan hangen. Hij heeft zijn karakter en bijpassende vrienden en kan al hele gesprekken  voeren of vragen stellen die echt over iets gaan, hij bekokstooft dingen, maakt wilde plannen en droomt niet een eind weg maar heel de wereld rond. Liefst zo spectaculair mogelijk. Hij valt en wordt even weer klein, hij staat op met geheven hoofd en maakt zich weer groot. Hij is er klaar voor, hij wel, om in de grotejongenswereld te stappen. Ik weet dat hij me wel zal meenemen, zal tonen waaruit die wereld bestaat en ervoor zal zorgen dat ik er niet verloren loop. Dat hij triestig keek bij die laatste kleuterklasmaandag is enkel en alleen omdat hij de krop in de keel van zijn moeder hoorde. Want zo empathisch is hij al wel.

Jeroen en zijn patatjes

“Aaaaa-haaaaa! Yes! Whoop-whoop! Je-roen! Je-roen!”, zoiets kwam er uit mijn mond terwijl ik triomfantelijk van handjeklap deed. Soms heb ik van die momentjes en dan is de beste reactie gewoon braaf ja knikken en me laten genieten van mijn gelijk (huisgenoot) ofwel gezellig meedoen (zonen). En deze keer had ik gelijk over:

Het schillen der patatjes.

Enige weken geleden was er een discussie ontstaan tussen de bouwheer en de bouwvrouw van deze werf. Het ging over hoe je nu eigenlijk aardappelen moet schillen. De bouwvrouw was vol goede moed begonnen met het schilmes toen de bouwheer meewarig van ‘tssk’ en ‘moh’ en ‘amai’ begon te doen. Dat je dat toch niet met een schilmes moet schillen, maar met een dunschiller. Dat je zo veel minder schilvitamines verliest, veel minder afval hebt, en nog wat van die dingen. En dat hij dat had geleerd in de kookles, en als je iets leert in de kookles dan mag dat algemeen als juist worden beschouwd.

En de bouwvrouw begon over de fun van het schillen met een schilmes. Dat bij elke aardappel opnieuw, je een wedstrijdje kan beginnen voor de langste schil, de fijnste schil, ofwel in rondekes of vlakken schillen, dat schillen met een schilmes iets was voor pro’s die niet bang zijn om eens een schel van hun vingers te snijden. De echte dus.

En de kwestie bleef hangende. Meewarig gelach toen de bouwheer met zijn dunschillertje op de proppen kwam. Gezucht wanneer bouwvrouw en schilmes een aardappel aan het mismeesteren waren.

Tot! Tot! De dag dat Jeroen Meus, de gekuifde held van televisiekijkend vrouwelijk Vlaanderen, op tv zijn patatjes schilde en dat deed met een … schilmes! Een kok! Met een schilmes! In de herhaling op tv en al! En zo geschiedde het dat rond middernacht een zwanger kind uit haar zetel rechtsprong en luid begon te joelen dat ze na al die weken haar gelijk had gekregen. Uiteraard, maar nu Jeroen het gedaan heeft, mag ik ook weer zonder blozen of blikken mijn patatten met een schilmes schillen. Voila! En “Aaaaa-haaaaa! Yes! Whoop-whoop! Je-roen! Je-roen!”

#wijvenweek – superwijf

Opdracht van dag: blog over iets waar u oprecht fier over bent.

AfbeeldingEén minuut na het verstrijken van de dag je post schrijven: teken aan de wand. Het was trouwens de enige die ik niet op voorhand had klaarstaan, wegens te moeilijk waarschijnlijk.

Bon, waar ben ik oprecht fier op?

– Mijn zonen. Ik vind dat twee ongelooflijk schone kinders, daarom zijn het ook mijn kinders. Mocht ik 25 jaar jonger geweest zijn, ik liep er stapelzot van. Die zijn precies ook veel cooler dan ik ben en soms stellen ze vragen waar ik ondersteboven van raak. Ik ben blij dat ze die vragen durven te stellen, dat ze vol zelfvertrouwen in ’t leven staan. Goud waard is dat.

– Mijn vent: omdat hij het al zo lang kan uithouden met mij. Hij had zich misschien wel een ander leven voorgesteld (zie de post over vervlogen dromen), maar afgezien van die paar foutjes die standaard in elke vent ingebouwd zitten, ben ik best wel fier op de keuze die ik 12 jaar geleden heb gemaakt.

– Mijn toenemende foert-attitude. Ik moet daar dan al dertig en een kluts voor geworden zijn om meer en meer foert te zeggen, om niet goed te willen doen voor iedereen, om niet door iedereen graag gezien te willen worden. Zo af en toe eens bitchy zijn: man, dat kan deugd doen.

– Mijn neurotisch kantje: ’t heeft hier al voor veel plezier gezorgd, onder andere bij het uittekenen van de stopcontacten en verlichting in ons huis. Ik werd gek toen ik hoorde dat er maar drie spots in het bureau zouden komen. Dat is nu toch geen getal, drie? Vier moesten het er zijn, twee rijen van twee. En allemaal op gelijke afstand van de hoeken. En die stopcontacten: die zet je per twee, en niet ergens een serie van drie. Ik kan een hele dag nerveus rondlopen als ik een stielman zijn gerief niet zie opkuisen, of een steek voelen als ik zie dat iemand niet op een propere manier een zakdoek uithaalt. Ik slaap slecht als er nog iets op mijn aanrecht staat ’s avonds en ik tank bij nog voor mijn tank een derde leeg is. Het zijn dingen waar ik mensen mee kan doen lachen. En ik vind het niet eens erg meer als ze er mij mee uitlachen, zolang ze mij maar laten doen en ik er mijn slaap niet voor moet laten.

– Mijn lijf: en dan niet hoe het eruit ziet, maar wel hoe het functioneert. Het heeft een minimum aan slaap nodig, kan heel lang zonder voedsel (als het echt moet), ’t heeft spieren als een mannenlijf, ’t kan heel lang in de gevarenzone functioneel blijven, maar ’t geeft op tijd alarmsignalen als het in het rood gaat. Dat lijf zit me als gegoten, blijkbaar.

– dat ik het hier de hele week heb volgehouden om te bloggen. Hoera!

Moederfunctie

Ik begin zo stilaan te beseffen dat de jaren van meisjesachtig gegiechel en gedans echt definitief achter mij liggen. Samen met het besef dat ik niet langer een meisje-met-een-paar-kinderen ben. En ik heb mijn beeld over dat moederschap serieus mogen bijstellen. Vroeger, voor ik zelf ‘moeder’ werd, stond een dergelijke functie gelijk met het dragen van platte schoenen en gemakkelijke kledij, het hebben van een grote portemonnee om alle to-do-lijstjes in te stoppen, het schillen van patatjes en beslissen wat er op tafel zou komen en vooral veel saai werk doen zoals verstellen (naampjes innaaien, lussen van jassen herstellen), foto-albums maken, heen-en-weerschriftjes bekijken en je bemoeien in het oudercomité.

Bon, er zijn dingen die ik doe en er zijn dingen die ik niet doe. Ik ben allesbehalve een ‘volledige’ moeder, maar wat ik wel weet: ik doe alles liever, met meer goesting, met meer besef van de toekomst, minder vrijblijvend en meer bewust. Als (als!) ik kook, dan kies ik heel bewust, ik begin zowaar in kinderkookboeken te snuisteren naar wat geestig zou kunnen zijn om te maken. Als ik dingen herstel dan is dat met het volle besef dat ik mijn kinderen daar geen groot plezier mee ga doen (wat kan hen die lus in hun jas schelen), maar ik kan wel kinderlijk blij zijn als die lus blijft zitten. Als ik de jongste troost omdat hij midden in de nacht gillend is wakker geworden omdat er een grote boze kreeft achter hem aanzat, dan kan ik oprecht genieten, tussen zijn snikken door. Soms ben ik blij als ze vallen, zodat ik ze kan troosten. Soms is het grappig als er eentje LDVD heeft, zodat ik hen kan duidelijk maken dat één meisje hen altijd zal graag zien.

En als die oudste dan zijn tand verliest, of zegt dat hij zich zo amuseert als hij het eerste leerjaar mag bezoeken, dan kan ik daar een halve dag ongemakkelijk van rondlopen. Of als de jongste meer en meer grote praat begint te verkopen, en zijn werkwoorden al veel te correct vervoegt, dan is er wat melancholie. Omdat die ene tand nooit meer terugkeert, net als de afgelopen jaren. Omdat de tijd van de grappige taalfouten wellicht ook al achter ons ligt.

En omdat ik vrees dat ik dichter bij de dag kom dat ik echt platte schoenen en een grote portemonnee ga hebben. Dat ook.

Efficiënt leven

Ik, vroeger het toppunt van efficiëntie. Ik had veel aan mijn hoofd, soms heel veel tegelijk, maar ik wist dat precies allemaal te organiseren. Er waren wel wat zottekesmomenten, maar die waren eerder zeldzaam. Dat dat allemaal zo gesmeerd liep, daar stak een strakke planning achter. En we kwamen wel overal en altijd te laat, dat wel. Maar dat was mijn handelsmerk, dat was ingepland, voor alle duidelijkheid.

Maar nu, ik vind mezelf nog altijd heel efficiënt, als ik zie hoeveel ballen tegelijk ik in de lucht kan houden en welk strakke timing daar achter zit (soms echt per avond, per halve dag in het weekend). En ik doe mijn best, maar veel externe factoren (ziek kind, zelf ziek, extra verbouwwerk, …) mogen toch geen roet in het eten komen gooien of mijn delicate evenwichtsoefening valt compleet stil. Samen met het gevoel van rust in mijn hoofd en mijn luchtig walsje door het leven.

Concreet, wat is het probleem nu? Voor elk punt dat ik kan wegwerken, komen er twee bij. Op het werk, thuis, … Over mij persoonlijk spreek ik dan zelfs niet meer, wegens geen tijd meer om stil te staan bij mezelf, niet dat dat ook voor iets nodig is, ’t zou misschien zelfs gevaarlijk kunnen zijn. Maar ik poets wel nog mijn tanden en al het overige, voor u zich hier echt zorgen begint te maken.

Tips als lijstjes maken hoef ik hier niet, ik heb tegenwoordig een set lijstjes. Maar u heeft ongetwijfeld andere tips om een leven meer op orde te krijgen, tips voor een efficiënter leven. Zodat ik, al uw tips indachtig, over enkele weken met een gelukzalige glimlach, frisgekapt en met een dunne agenda door het leven vlieg.

Vreemde week

In één week tijd:

– een schoon moment op het werk, met veel wensen en fijne woorden. Met veel te veel prachtige kado’s (dat weekend Parijs!) en een roze wolk.

– een schoon moment voor de levensgezel die na 9 jaar werken eindelijk een vast contract krijgt. Nu ik nog. Trouwens: u mag hem altijd ook proficiat wensen, hij heeft dat graag. ’t Is nog niet te laat.

– frustraties voor mensen die er toch maar niet in slagen om hun manieren te houden. No comment verder, maar mijn hartslag is toch weer even in het rood gegaan.

– bleiten voor slecht nieuws, minuut stilte voor nog meer slecht nieuws. Gastjes, let toch op als ge naar huis rijdt…

– bleiten van ontroering. Omdat ik voor de derde keer een schitterend ouderfeest mocht meemaken van mijn jongens. Fries de piraat en Benne de pinguin. Waar Benne zich helemaal liet gaan op het podium (hoeveel show kan een kind geven?), had Fries er op het ouderfeest duidelijk geen zin in. En dat was dan wel weer naar de zin van de andere aanwezige ouders die die kleine knorpot best wel grappig vonden. Meneer naast mij, u mag blij zijn dat ik u niet naar de keel ben gevlogen, ’t was wel mijn kind waarmee u aan het lachen was. Desondanks en anyway en ter conclusie: alweer goed gedaan, beste schoolteam! Bedankt voor anderhalf uur pure magie!

– zuchten van contentement: dat heb ik ook veel gedaan. Content met mijn ménage. Echt.

Zitten eraan te komen voor deze week:

– zuchten van frustratie. Meneer van ’t sanitair. Ik mag hopen dat u op dit eigenste moment een gasketel installeert of u zal mijn koude handen rond uw keel mogen voelen.

– kwade telefoons naar de meneer van de ramen, de mevrouw van Eandis, de architect en de EPB’er.

– zuchten van contentement. Genieten. Met plezier.

En wat willen ze later worden?

Grote broer en kleine broer willen een huis: een huis dat wat groter is dan het huidige en waar ook al hun speelgoed kan uitgestald worden. Moeder overweegt twee antwoorden: een tirade over hardwerkende ouders, langetermijndenken, groot huis, nieuwe keuken en ondankbare kinders of een met opgetrokken wenkbrauw en fijntjes uitgesproken “En hoe denken jullie dit dan te betalen?”

Het werd antwoord twee. Waarop de zonen dan weer probeerden om dommer te kijken dan hun moeder bij een uitleg over de nadelen van ‘flexibelkes voor ventilatiesystemen’.

Verduidelijking van de vraag dan maar, met een zweempje arrogantie des moeders: “Allez kindjes, wat gaan jullie later doen om centjes te verdienen zodat jullie een groot huis kunnen kopen?”

Antwoord Benne: “Boer.”

Antwoord Fries: “Kassa.”

Het CLB weze gewaarschuwd.

Verbouwing – van kwaad naar erger

  • Ik was blij om terug te gaan werken eigenlijk. Al was het maar omdat ik dan eens geen bottines, werkbroek en slobbertrui moet dragen.
  • Verbouwen is niet aan te raden bij mensen met een stofallergie. Ik juich de overvloedige regen dan ook toe. Een neus zonder korstjes is een luxe, mensen.
  • Ik word een beetje ongerust als er op tien meter van mij een graafmachine zo hard in de grond beukt dat ik dat boven voel.
  • Nog een reden om te verlangen tot het einde der verbouwingen is dat ik dan niet meer moet koken. Aangezien mannen nog altijd ‘meer’ nodig zijn op zo’n bouwwerf dan een vrouw, wordt mijn rol om half twaalf vaak herleid naar die van modderige prinses aan haar kookvuur. Uit protest kook ik heelder dagen spaghetti en macaroni. Gelukkig is er mijn moeder, die er voor zorgt dat er ook nog wat deftigs op het menu staat.
  • De afwas is hier wel een sociaal moment. Terwijl de zonen hun slaap- en speelkamer weer volgooien doen wij hier van evalueren en plannen tijdens de afwas. Instant kampgevoel en best wel fijn. Al zal een afwasmachine met stip op één staan in de nieuwe keuken.
  • Boel maken met de architect, ik kan het iedereen aanbevelen. Vooral als je wint na een gedegen voorbereiding van de discussie. Dit meisje hier kreeg de aannemer van haar voorkeur en mag zich dus verheugen op een bouw die amper twee weken na verhuis van start gaat. Vandaar dat het hier nu wel wat vooruit moet gaan met die afbraak. Om dan weer anderen te laten werken.
  • Mijn zonen zijn veranderd. Echt, groot geworden. Ze vinden dingen berre (dus niet bère, maar berre) sjiek, cool, geestig, groot. Mij vinden ze ook berre, zolang is alles goed. En nog bijna elke dag zie ik hier andere kinderen in mijn huis en aan mijn tafel. Eén grote commune precies, dit hele buurtgedoe.
  • Het zijn boerenkinderen geworden, die zonen van me. Ze lopen op hun blote voeten die ze om ter zwartst ’s avonds gewillig laten wassen en masseren door hun moeder. Ze sjorren zwaarden, bouwen kampen, klimmen in bomen. Ze trekken regenwormen in twee, maken van hun kamer een verboden ruimte voor de moeder, en bakken slakken. Eindelijk, zou ik zo zeggen.
  • Stukjes eternitplaten sorteren tussen de steenbrokken is niet aan te raden. Nog minder in de gietende regen. De douche achteraf wel. De tweede douche ook, als je merkt dat er op de witte handdoek nog steeds strepen staan nadat je je hebt afgedroogd.
  • Als over één week mijn broertje trouwt, dan wil ik graag nu al duidelijk maken dat dat koppel vol blauwe plekken en schrammen elkaar niet mishandelt. Ze verbouwen, mijn beste. En ze doen dat met een zekere passie.
  • Het is fijn om te zien dat we niet alleen vriendjes hebben, maar dat daar ook nog sterke vriendjes tussen zitten. Dank dus aan de mannen, en aan de vrouwen die hen gewillig laten gaan. Al vind ik mezelf met zo’n grote klopboor en polkadotwerkhandschoenen ook wel iets hebben. In stijl verbouwen, heet dat.
  • Het komt erop neer dat ik hier op tachtig vierkante meter woon. Met onder mij een bouwwerf. Zo’n vier keer per dag moet de kamer van de zonen opgeruimd worden, als ik al binnen mag. Zo’n vier keer per dag moet gestofzuigd of gedweild om de moddersporen te verwijderen. Elke avond ben ik pompaf en ik slaap beter dan ooit tevoren. Vanuit mijn bed kan ik m’n voeten in m’n kleerkast leggen en vanuit de geleende zetel (danku collega) kan ik met een beetje goeie wil gaan kokerellen. De dampkap is een openstaand venster, en stromend water (gelukkig hebben we dat nog) vindt z’n oorsprong in de badkamer. Er is geen tv, geen internet en zolang de kranen en bulldozers hier nog moeten komen mag er ook geen sleufje gegraven worden voor de kabel. Heb ik al geschreven, nu eens zonder sarcasme, dat ik hier best wel heel gelukkig ben op dit moment? Die boerenkinderen, het groen, en de ongelooflijk mooie zonsondergangen zijn goud waard. Eén van de beste keuzes in m’n leven tot nu toe. Hatsjie.
  • Als ik eens van een ander zijn pc kan gebruikmaken kunnen hier wat meer foto’s getoond worden. Mobiel internet is echt niet je dat.

Vijf!

Vijf jaar ben je alweer, blonde god van me. Een halve tiener, en zo gedraag je je soms ook.

De eerste kennismaking is nog altijd niet door stof en drukte verzwolgen: twee bezwete lijven die bij hun eerste contact een koude rilling veroorzaakten bij de moeder (wat tijdens de vierde hittegolf van dat jaar ook wel mocht).

Het kleine gekronkel toen: buikje omhoog, knietjes omhoog, voetjes over elkaar. De armpjes boven het hoofd, de kin omhoog en het mondje in pruilstand. Hetzelfde, maar groter gekronkel nu als ik je ’s nachts weer in je eigen bed leg nadat je stiekem op mijn hoofdkussen bent gaan liggen. Ik vraag me af hoe lang ik nog dat pruilmondje ’s nachts mag bewonderen.

Nee, er was niet meteen dat oergevoel van moederschap, ik vond het vooral onwezenlijk. Dat ik voor zoiets moois moest zorgen, m’n leven lang, gaf me een verpletterend verantwoordelijkheidsgevoel. Geen enkel diploma of attest is daarvoor nodig, met m’n buikgevoel en af en toe wat principes moet ik er zien te raken. Nu ben ik blij dat ik voor je mag zorgen, dat ik je mama mag zijn. Diegene die altijd enthousiast wordt verwelkomd omdat ze net iets teveel afwezig is, diegene van wie een geslaagde soep op groot applaus wordt onthaald, blij dat je eten hebt. Diegene met wie je je fascinatie voor taalrijmpjes volop kan delen, diegene met wie je zou vechten om een puzzelstuk om toch die puzzel zelf te kunnen afmaken. Die moeder die met opgetrokken wenkbrauw toekijkt hoe je in haar kinderencyclopedie van 25 jaar oud op zoek bent naar wat er zich onder die vulkaan kan bevinden, opdat je dan tegen je jongere broer kan zeggen dat jij het antwoord wel weet op een vraag die je nota bene net zelf hebt gesteld. Die moeder die je ’s nachts zou wakker maken om alsnog te zeggen wat ze je die dag niet heeft kunnen zeggen: iets met vier woorden. Die mama die jou ’s nachts een zoen komt geven en jij die de ochtend erop komt zeggen dat je ’t hebt gevoeld. Jij die je moeder ’s nachts een zoen geeft en de ochtend erop komt zeggen dat ze helemaal niets heeft gevoeld.

Een kleine wijsneus, een dirigent, te betrokken, te perfectionistisch, … jij gaat nog serieus met je hoofd tegen de muur lopen, kleine vriend. Maar da’s niet erg, je komt wel weer recht, zegt de moeder die pijnlijk veel van zichzelf in haar oudste zoon herkent. Mag ik je vragen, lieve zoon, om wat meer je m’en fout-isme in je leven te stoppen, je hoeft niet altijd de eerste te zijn, je hoeft niet altijd alles te weten. Ik wist vijf jaar geleden ook van niets, en kijk: ik geef je straks een zoen op je hoofdje en ik weet dat die mondhoeken van je de hoogte in zullen gaan. Dat en niets anders hoef ik voorlopig te weten.

Fijne verjaardag, Benne-beer.