broerloze Benne

Kleine broer Fries bleef eens bij zijn grootouders, grote broer Benne ging mee naar huis. Dachten wij dat dat even leuk ging zijn: Benne alleen, alle knuffels en warme chocomelk voor hem alleen, rust in de auto op weg naar huis, … Niets van dat.

“Ma ik wil mijn broer tru-u-ug!”

“Ma mijn broer moe mee-ee-ee!”

“Ik wil bij Fiesje zijn!”

“Fiesje moet hier bij mij zijn!”

“Ik wil morgen nie na school, ik wil bij Fiesje gaan!”

En zo om de vijf minuten: “Wa’s mijn broer?”, “Wa’s Fiesje, istieweg?”, “Oekomtanu?”, …

Zou het dan toch nog goed komen tussen de broers Fiesewietie en Penneuh?

Na één week school

Na veel vijven, zessen en zevenen wil meneer Benne eindelijk de naam van zijn juf kenbaar maken. Tot gisteren maakte hij er een spelletje van en op de vraag: “Benne, hoe heet jouw juffrouw in de klas?”, zei hij gewoon “Ik weet het niet!”. Dit afwisselend guitig, gespeeld of ronduit kwaad omdat we hem zo’n moeilijke vraag durfden te stellen. ’t Was nochtans in het Nederlands.

De vieze beestjes in neuzen, kelen en oren hebben hun intrede gedaan, en de zakdoeken mogen hier weeral bovengehaald worden om loopneuzen en andere viezigheden te bestrijden.

Dat er meisjes in zijn klas zitten weet hij, dat het mooie meisjes zijn kan hij ook zeggen, dat die meisjes ook een naam hebben komt af en toe bij hem op, maar dat ze leuk zijn is nog wat anders. Of misschien wel leuk, maar alleszins geen vriendschapsmateriaal. Op de vraag of hij vriendinnetjes heeft antwoordt hij steevast ontkennend. Vriendjes, dat wel.

Als de vraag eindigt op ‘mee’, ‘eten’, ‘doen’ of ‘hebben’ dan steekt Fries nog vlugger dan zijn schaduw zijn hand omhoog en slaat er een welgezinde ‘ikkeeeeeuh!’ uit. Wie gaat er mee, wie wil iets eten, wie wil dat doen of wie wil dat hebben: Fries dus.

’t Kleinste kind kent ook al zijn broer, Penneuh en zichzelf, Fiesjeuh. Mapamapa is voor als hij dringend zijn beide ouders wil spreken. ‘Melkeuh’ is als de vent wat melk wil achteroverslaan en ‘neeje’ spreekt voor zich. Dat laatste horen we hier al te veel.

Beide jongens hebben besloten niets meer met elkaar te delen (how wussy is dat zeg), maar om des te meer alles van elkaar af te pakken. “Afpakken is leuk, hé mama?”. Niet dat ze mijn mening daarover vragen, eerder proberen ze me te overtuigen van het positieve, voor jezelf leren opkomen heet dat. Met blauwe plekken, bloedlippen en half verstuikte polsen als gevolg.

En Bennes favoriete beest is het liegebeest. Of is het het fantasiebeest? Even overwegen hoe we zijn fabeltjes gaan aanpakken, want meneer heeft het precies niet goed door dat sommige mensen het niet appreciëren als je rondbazuint dat ze hun behoefte doen in de woonkamer en dat hij dat vervolgens volgens regelrechte kinderarbeidsnormen moet opkuisen. Dat hij vliegende leeuwen op het plafond ziet, tot daar aan toe. Dat hij vaak achtervolgd wordt door een beer, tot verder nog aan toe. En zelfs een blauwe olifant in zijn bed mag gerust blijven slapen. Maar verder dan dat is het geen spelletje meer, hoe grappig hij zijn verzinsels ook mag vinden.

Friesewietie (sic Benne) heeft nu ook zijn eigen woordenboek, geproduceerd door opa Gerrit. ’t Kind zegt gezwind zijn woordjes op, geeft er hier en daar een eigen invulling aan, en vindt het vooral ongelooflijk geestig om te demonstreren wat hij allemaal kan. En wij vinden dat nu ook eens.

Friesjeswoordenboek

Enkel voor wie iets van eten kent

Een grote tv-kijker ben ik niet, in tegenstelling tot het mannelijke deel van mijn gezin. Wat zij teveel aan tv kijken, kijk ik te weinig. Ik kan wel een uur in de zetel zitten, starend naar die beeldbuis, waardoor de echtgenoot meent te kunnen concluderen dat het mij deze keer wel ongelooflijk interesseert. Om de interactie als koppel te behouden vraagt hij dan soms hoe ik het vind, of krijg ik opmerkingen als “Kluhteh hé?”, “Da’s wel goed!”, “Mo man man man”, eventueel met wat dijengeklets erbij. Ik schiet wakker uit mijn halve dag/nachtdroom, mijn wereldlijke overpeinzingen, zeg voor de zoveelste keer “Hu?” en merk dan pas dat ik eigenlijk al een hele tijd stomweg voor mij uit zit te staren. Redelijk apathisch, jawel.

Als ik mijn kwart oog nu even als volledig beschouw dan vind ik het behoorlijk eigenaardig hoeveel kook-, eet-, smulprogramma’s en dito wedstrijden er zijn. Ik hoor commentaren als “De cuisson van het vlees is echt wel goed” of “De asperges zijn te dun gesneden”, of “Ik heb hier nog fleur de sel voor nodig”, of was het sel de fleur? Als ik zo’n uitspraken hoor overvalt me echte pure onbegrensde moedeloosheid. Het lijkt alsof half Vlaanderen in deze tijden van crisis niets anders doet dan smikkelen en smakken, vol kennis van wat ze naar binnen spelen, vol vaardigheden van hoe ze ’t moeten en met de juiste proeversattitude.

En ik, die intussen wel al weet dat blikjessoep flink kan aanbranden en aanbakken als je er geen water bijdoet, die perfect een zakje noedels kan bakken, ik zit erbij en staar ernaar. Keukenprinses, moi 🙂

nog één kans voor Brita

Kijk, ik ga ze nog een kans geven, die Brita kan. Ik ben me er terdege van bewust dat dat duurzaam en ecologisch en al van dat goeds is, maar de enige reden waarom ik ze zou gebruiken is als ik gasten heb die water vragen (wat eigenlijk ook al een zeldzaamheid is). Want: koffiezet en waterkoker gebruiken wij hier bijna nooit. Ik drink koffie op het werk en water warm ik op rechtstreeks in de tas in de microgolfoven (ik weet niet of dat nu per sé beter is dan het water in de waterkoker opwarmen, dus als iemand het antwoord kent, laat het gerust weten). Ontkalken is hier dus eigenlijk een te verwaarlozen activiteit.

Verder is het meest banale sponsdiertje nog meer ontwikkeld dan mijn smaakpapillen, dus voor een betere smaak van het water moet ik het ook al niet doen. Ik proef, smaak, ruik, zie het verschil niet. Maar dat ligt volledig aan mezelf.

Maar ’t zal zeker wel gezonder zijn (minder korrelige substanties en zo) en dus geven we Brita een tweede kans. Op het aanrecht (merci voor de tip Veerle). Want die kan uit de koelkast halen en erin zetten bleek ook al zo’n heel gedoe te zijn, misschien was dat zelfs wel de hoofdreden van het niet-meer-gebruik. ’t Moet een gewoonte worden, zoals veel verse soep drinken, op tijd gaan slapen, niet snoepen, veel sporten, … Dingen die ik uiteraard allemaal al onder de knie heb. Nu nog de Brita kan meester worden.

En nog wat meer informatie die ik kreeg van een meneer van de VMW:

Voor een keer dat ik ernstig ben. Die filtertjes in dergelijke kannen zijn heel dikwijls een grote bron van bacteri… Read moreëngroei, en dergelijke kannen zijn in feite echt niet aan te raden. Het is commercie gelijk we zeggen. Het leidingwater dat aan de watermeter binnenkomt is op meer factoren getest dan de meeste flessenwaters, en is ook een stuk zuiverder, omdat de normen voor leiding(drink)water nu eenmaal strenger zijn. Vandaar dat op een flessewater nooit de vermelding ‘drinkwater’ staat/kan/mag staan. Let wel: het water dat binnen komt is perfect, hoe meer dingen als filters en ontharders je op de leidingen zet, hoe groter de kans dat je dit water zelf verontreinigt. Indien je iets abnormaals ontdekt aan het leidingwater (kleur, geur), bel dan naar 056 231 711, en vraag naar de kwaliteitsdienst. 😉

En dan ikke weer: “Akkoord, maar wat met de eigen leidingen in je huis? Ik hoor nogal vaak dat mensen wel het leidingwater vertrouwen, maar niet de leidingen in hun eigen huis, omdat daar een gaatje kan inzitten, omdat die verouderd kunnen zijn, … En soms vraag ik me dat ook wel af. Hoe zit het daarmee? Zijn er bijvoorbeeld testen op de markt waarmee je zelf regelmatig je kraantjeswater kan testen?

En dan meneer van de VMW terug: “Een gaatje zou je merken aan je factuur. Tip: nu en dan de meterstand bijhouden! Zo vermijd je facturen van 1000en euro’s. Verouderde leidingen zorgen dikwijls voor iets meer ijzer in het water, net zoals je bacteri… Read moreëngroei kan hebben als water een tijd stil staat in de leidingen. Vandaar dat je beter de eerste liters ’s morgens gewoon laat lopen. Zo ook, en vooral na een paar dagen afwezigheid. Na die liters heb je het goede water van aan de meter. Grote boosdoeners in huis zijn de niet onderhouden filters en ontharders op de leidingen, en ook de systemen die toelaten overschakelingen te maken naar put- of regenwater. Een echte test op drinkwaterkwaliteit kost meer dan 50 euro. Zelf testen? Eén van de belangrijke factors is controle op bacteriën, weet wel met van die entschaaltjes, voedingsbodems, incubatieovens en zo meer. Moeilijk thuis denk ik. Bijna dagelijks zijn er mensen van de watermaatschappijen op de baan om in iedere gemeente steekproven te doen op de kwaliteit.

Conclusie: wij hebben een systeem dat toelaat over te schakelen tussen put- of regenwater. Brita kan is dus gerechtvaardigd, voila.

’t is weer van dat

MSBF09Sep 021Eerste schooldagen en ik, wij gaan nooit dikke vrienden worden, neen. Dat zijn dagen dat ik het liefst in een hol ver weg onder de grond wil kruipen. Met mijn twee zonen bij mij dan, laat dat duidelijk zijn. Hij zag het eerst nog goed zitten, die blonde god van me. Maar het overweldigende aantal kindjes op de speelplaats deed hem van gedacht veranderen. En daar kon geen snoepjes uitdelende Robin Hood of Roodkapje iets aan doen. Hij nam zijn snoep op de speelplaats en liep terug naar mama. Mama die nog mooi achter het poortje stond omdat ze dat nu eenmaal vragen dat je niet met je kleine de speelplaats op springt. Na een kort veldonderzoek bleek dat heel wat ouders toch met hun peuters en kleuters de speelplaats op paradeerden wat voor moeder hier voldoende was om aan dit kuddegedrag mee te doen.

Moeder aldus op de speelplaats, juf gezocht, blonde god aan juf gegeven, en met zowat één kubieke meter beton in haar maag terug naar huis. Ik heb me heel flink gehouden, toen ik over de speelplaats liep kon men nog denken dat ik gewoon een snotneus had. Eens in de auto heb ik mezelf vervloekt geen zakdoek bij te hebben. Waarvoor zou ik die trouwens nodig hebben: ’t kind gaat graag naar school, ’t is al de tweede keer dat we van eerste schooldag spelen en alles went.

Vergeet het maar, in zijn zesde jaar secundair zal daar een oude taart staan snotteren aan de schoolpoort. Hij zal met zijn ogen rollen, zuchten en hopen dat niemand van zijn maten zijn moeder heeft gezien.

burgerdingen

Nog in Kortrijk, gisteren, voor de fenomenale doortocht door het station. Ik had mijn auto op de parking van die Collect&Go-winkel gezet. Mag niet, ik weet het, maar ik ging die dag we nog naar een andere winkel van die keten gaan, dus mijn geweten had er principieel geen bezwaar tegen dat ik me daar ging zetten. Viel dat weer even dik tegen. Nog maar net geparkeerd, volop bezig met buggy en twee kinderen uit de auto te halen krijg ik te horen: “Madam, ik ben van de burgerwacht, ’t is voor ne sticker.” Ik vraag hoeveel dat dat kost, en gewoon om van die vent af te zijn geef ik hem anderhalve euro. Ik krijg zo’n sticker van een ‘burgerwacht’ met klein meisje, en daaronder de schone woorden ‘burgerlijke veiligheid’. Ding in de auto gegooid en weg. En het krioelde daar van die mensen. En eerlijk: ze zagen me er echt niet al te snugger uit. Maar verkopen deden die stickers wel.

De echtgenoot vindt ’s middags die sticker in de auto en ik doe hem het hele verhaal (’t kan soms echt over onbenulligheden gaan bij ons). Met mijn eigen gedachte dat ze er niet al te snugger uitzagen. De vent had het weeral vlugger door dan de kip: dat die stickerverkoop wellicht weer een verborgen activiteit is van bepaalde politieke partijen. Op Google heb ik alleszins niets gevonden over stickerverkoop bij burgerwachten, de burgerwacht zelf, activiteiten die ze organiseren, … 

Weet iemand wat die burgerwacht precies kan/zou moeten inhouden? En als iemand de sticker wil: vraag het maar, ik vind het toch geen mooi ding.

combinatie buggy – station

Ik moet erover gekeken hebben deze morgen. Dat kan gewoon niet anders. Onmogelijk dat een station, en meerbepaald de perrons, heden ten dagen onbereikbaar zijn voor al wie om één of andere reden wielen onder zijn billen nodig heeft. Ik hoop dus echt dat ik die belangrijke toegang voor moeders-met-buggy-en-één-of-meer-kinderen-aan-hun-arm, rolstoelgebruikers, … niet gezien heb.

Het station: dat van Kortrijk. Het tijdstip: zaterdagmorgen. Een hel voor wie langs dat station met de auto moet passeren, vandaar dat ik de achterkant neem. De reden: Benne ging met zijn grootouders een neefje Stan een dagje zooën en moeder werd gevraagd de betreffende kleine naar het station te brengen. Omweg, vertragingen, zaterdagmorgenfile’s, … u kent dat wel. Fries mocht niet mee, die is nog een beetje te klein en met hem erbij hadden ze zeker één of andere giraf in hun rugzak zitten. De papa van de kleine die wel meemocht, tevens ook de papa van de kleine die niet meemocht, moest van welkom en slurp en chit-chat doen op school, dus mocht moeder met twee kleine, een buggy, een draagtas, en haar eigen lijf op stap naar perron 3 in Kortrijk. Dit met tussenstop in de hall omdat we daar hadden afgesproken.

  1. Ingang langs de achterkant van het station: geen probleem, daar is een heel mooi hellend vlak.
  2. Uitgang richting hall (om zo uw ticketje te halen en al, dus wel een tamelijk cruciaal punt): via trappen of roltrap, waarvan die laatste niet werkte. Benne naar boven laten stappen, Fries naar boven laten kruipen, buggy opgeplooid en met een buggy in de lucht achter Fries naar boven stappen. ’t Kind moest eens vallen.
  3. Naar de hall: geen problemen.
  4. Naar perron 3 via ondergrondse doorgang: Kinderen meenemen op de trap naar beneden, buggy boven laten staan. Buggy mee naar beneden. Kinderen zijn gelukkig braaf en blijven staan.
  5. Naar perron 3, trap naar boven: buggy laten staan, kinderen meenemen naar boven. Buggy blijft beneden staan. Ik ben het intussen zo beu dat ze hem van mijn part mogen meepakken.
  6. *zwaai zwaai zwaai naar Benne op de trein*
  7. Met Fries naar beneden, gaat vlot want geen buggy.
  8. Fries in de buggy, en met die twee trappen naar boven. Halverwege de trap komt een behulpzame meneer me tegemoet. Yes.
  9. Langs de inkomhall, terug naar beneden via de andere ondergrondse doorgang die leidt naar het hellend vlak aan de achterkant van het station. Halverwege de trappen komt deze keer een mevrouw me helpen. Yes2.
  10. Slof slof slof naar de auto.

Ik ben er mijn goed humeur niet door verloren. Waarom? Omdat ik er gewoon van overtuigd ben dat dit niet kan, ik moet een belangrijke ingang gemist hebben om van de achterkant van het station naar de voorkant te raken, en dit zonder 2 trappen te moeten doen, of een kilometer om te wandelen. Dat de toegang tot een perron niet wielgericht is, tot daar aan toe. Maar dat je van de achterkant niet deftig naar de voorkant kan met een buggy? Ik heb gewoon die ingang gemist. Zo stom kan geen enkele ingenieur zijn 🙂

’t school begint

Nog zoveel keer slapen en Benne kan terug naar school. De van onversneden drama voorziene scènes vorig jaar (bij de moeder welteverstaan) zullen dit jaar niet te zien zijn. Blijgezind, welgemutst, hieplahoi starten wij de eerste september. Ik heb er alle vertrouwen in, zeker nu hun kleuterklasjes zo mooi vernieuwd zijn.

Benne is nog niet helemaal overtuigd. Hij wil enkel maar naar school als hij bij dezelfde juf kan blijven. Aangezien hij nu nog mooi het tempo van zijn leeftijdsgenoten kan volgen vinden wij het dus een beetje overdreven om hem nu al zijn jaar te laten dubbelen bij dezelfde juf. Wat trouwens ook niet zou werken aangezien je dan toch sowieso naar een andere juf vliegt. Hechting is goed, maar ’t mag ook niet te veel zijn.

Kilo’s overtuigingskracht hebben wij hier al mogen gebruiken om Benne duidelijk te maken dat juf Griet en juf Hannelore ook wel leuke juffen zijn, dat ze heel veel en mooi speelgoed hebben, dat hij daar ook nog op de glijbaan mag spelen, dat ze ook een broek zullen dragen om aan te hangen, dat het in de hoek staan enkel van hem en hem alleen zal afhangen, dat het lieve juffen zijn, knuffeljuffen, dat Jules zal meegaan met hem, dat de nieuwe juf ook nog chocomelk en koekjes heeft, dat ze ook mooi kan zingen en veel in haar handen klapt, dat hij ook nog bij haar aan het handje mag lopen als hij eens een minder dagje heeft, dat hij een nieuw symbooltje krijgt: eentje voor grote jongens, … en zo gaat dat maar door.

Maar nee, op het einde van ons betoog zegt meneer met een daadkrachtige stem: Ik wil juf Julie, geen andere juf. Alleen juf Julie.

Ik kan daar alleen maar gelukkig om zijn eigenlijk, ’t moet zijn dat het kind de tijd van zijn leven heeft gehad het afgelopen schooljaar. Juffen in de basisschool: hou jullie klaar om hem van ‘zijn’ juf Julie af te trekken, de eerste september 🙂

meest nutteloze aankoop

Inwendige conversatie met mezelf, deze morgen:

“Oh, kijk! Een Brita-kan, om je kraantjeswater te zuiveren. Zou ik ook nog wel willen…”

“Ah, juist, ik heb er al één :-)”

En die gebruik ik dus nooit meer. Omdat:

  1. Ik mijn water rechtstreeks uit het kraantje haal, ik heb daar geen filter voor nodig. Ik heb nogal een redelijk groot vertrouwen in die leidingmensen en hun watercontroles.
  2. Mensen die geen kraantjeswater (willen) drinken kan ik toch *niet* overtuigen dat wel te doen, zelfs niet als het gefilterd uit een Brita-kan komt.
  3. Dus ik schenk voor die mensen gewoon flessenwater. Of: als ik ze eens goed wil liggen hebben geef ik ze toch kraantjeswater, gewoon om te zien of ze ’t merken. Ik vermoed dat er geen kraantjeswaterallergieën bestaan en dat ik dus niemands leven hiermee op het spel zet? Als u ’t wil weten of ik u ooit heb ‘gehad’: vraag het maar, ik geef eerlijk antwoord.

Dus: De Brita-kan is de meest nutteloze aankoop tot nu toe. Benieuwd of die stofzuiger die ik straks ga halen zijn reputatie zal kunnen waarmaken.

lakentjesoorlog

Wat weet u allemaal over mijn zonen en hun slaapgedrag? Dat de term ‘slaapgedrag’ op zich al een overstatement van jewelste is. Niks patroon, regelmaat, doorslapen, niet doorslapen. ’t Is elke keer spannend of ze een nachtje doorslapen of niet, of ze wakker zullen worden met luid gekrijs of met zacht gesnik, of ze meteen te troosten zullen zijn, of ze een duivel uit te drijven hebben, of er dromen of nachtmerries moeten verwerkt worden (“Stoute meisjes in mijn kamer die jongetjes pijn doen” zoals Benne beweert), … Ik heb me er al bij neergelegd: ’t zijn twee slechte slapers, ze worden vaak wakker, ze hebben heel weinig slaap nodig (slapen is voor mietjes, weet u), ze zijn heel beweeglijk én ze pakken de lakens of dekens of ze duwen ze net weg. En dat laatste steekt ons tegen, niet een beetje weinig, maar een beetje heel veel dus. Ik heb veel over voor mijn zonen maar Ze. Moeten. Van. Mijn. Mijn. Mijn. Lakens. Afblijven.

Als je dan bij je ouders mag slapen, gedraag je dan tenminste, zo vinden wij. En als je moeder in de zomer liever onder een lakentje ligt dan jij, begin dan niet meteen dat laken weg te stampen zodat jij in alle vrijheid alle hoeken van het bed kan verkennen en je moeder mag tevreden zijn dat de muggen tenminste niet aan haar tenen kunnen. En als het winter is, trek dan niet het hele deken naar je toe, we liggen er met drie of met vier, weet je? En opstaan met een pijnlijke rug omdat je de hele nacht in de kou hebt liggen slapen heeft wél een effect op je humeur. Kijk dan ook niet zo raar als ’t niet elke morgen van ‘goeiemorgen, goeiedag’ is. ‘k Heb het tegen jullie, liefste zonen. Begrepen, verwerkt en opgeslagen?