Probleem

’t Kleine ventje Fries was al een tijdje aan het wriemelen en kronkelen tussen mijn benen. Hij had een baaldagje, wist met zijn eigen lijf en leden geen blijf en besloot dan maar om hangkleuter te zijn. Toen hij zowat mijn buik tegen mijn rug had geduwd vroeg ik hem of hij misschien liever weer in mama’s buik wou zitten.

’t Ventje keek omhoog, diep in mijn ogen, liet de wanhoop in zijn blik nog wat toenemen en zei dan heel opgelucht: “Jaah, mama, ik terug in je buik asjebief?”

Je kind op ideeën brengen heet zoiets.

Dat het hier weer stil is…

en dat is omdat ik intussen al veel zelfkennis heb, of toch genoeg om te weten wanneer een mens zijn mond moet houden. Omdat, had ik de voorbije dagen iets moeten posten, het er niet schoon zou uitgezien hebben. En dat zou dit blogje een beetje bezoedeld hebben, omdat ik hier eigenlijk alleen maar leuke, geestige dingen wil schrijven. U heeft recht op een glimlach, een opgetrokken wenkbrauw, een ik-kan-dat-veel-beter-gevoel, een wat-een-losers-zijn-dat-daar gevoel, maar ik wil u geen miljarde-wat-is-dat-voor-een-ruziemakende-zaag-gevoel geven. Wat per definitie ook niet kan, omdat ik zelf vind dat ik geen ruziemakende zaag ben. Dikke duim voor de zelfbeheersing dus, de juf van het eerste leerjaar zou trots op me zijn 🙂

Wat niet wil zeggen dat het de afgelopen weken niet bijzonder plezant was met mijn venten. Echt wel, wij hebben gekieteld, van aap en leeuw en beer gespeeld, we hebben elkaar blauwe plekken geschopt (perommeluk mama!), we hebben elkaar droge en natte zoenen gegeven, vergezeld van een occasioneel likje van Benne, we hebben niet meer gebakken, neen, maar wat hebben we nog zoal gedaan?

Gedacht om intraveneus Rilatine toe te dienen aan onze twee weekendkoters M. en I. En dat op slag vergeten als ze je spontaan, plots, compleet onverwachts, een zoen komen geven. We zijn weer vriendjes zo.

Bedacht dat kleuterjuf worden toch vrijwillig masochisme is. Zeker als Fries met drie zakjes natte, vieze kleren terug thuis komt. En dat ik dus drie nieuwe hoopjes reserverkledij mag meegeven. Respect, juf H, om drie keer per dag zijn broeken uit te wassen!

Berekend dat die kermissen ons voorlopig nog niet zoveel zullen kosten. Draaimolen vinden ze de hel, paardjesmolen is om van te huilen, alleen een eendje zouden ze nog eens durven vangen. Op hun gemak, een beetje ver weg van al het lawaai. Hoera voor de portemonnee! En is het erg van mij dat ik zeg dat ze de bootjes moeten pakken, omdat daar meestal meer punten mee te winnen zijn?

Gegeneerd je kleine een beetje van je wegduwen, in de hoop dat het niet al te veel opvalt dat het jouw kleine is, als diezelfde kleine vijf seconden daarvoor begon te roepen dat hij “feel bimbo’s” ziet. Nee, blonde stoot, het was niet tegen u. Het  was tegen de bambi’s. Wat ook weer niet juist is, maar eerst ‘bimbo’s’ afleren.

Benieuwd geweest hoe wij ons oudejaar gaan vieren, waar we onze kerstboom gaan zetten, wat de Sint gaat brengen. Eigenlijk verlang ik dus al naar de eindejaarsperiode, en dat voor het eerst in mijn volwassen (ha!) leven. Vreemd, er zullen hormonen in het water zitten hier.

Van die keer dat ik van huismoeder deed…

En er dus hie-han-ties veel kwaliteitstijd met de zonen zou doorgebracht worden. Alle fouten van de voorbije vier en tweeënhalf jaar zouden meteen rechtgezet worden, alle kindertrauma’s uitgeveegd, alle boehoe-waar-is-mijn-moeder-nu-momenten zouden vergeten én vergeven worden en ik? Ik zou zomaar even dé award der awards in ontvangst nemen, die van meest geëngageerde moeder op een zondagmiddag. Het verhaal dus.

Er was eens:

Een jongen die naar de tweede kleuterklas ging. En die op vrijdag met de boodschap “Pompom is jarig!” thuis kwam. Pompom, klaspop van de tweede kleuterklas zijnde, zou dus maandag voor de wellicht al vijftiende keer zijn (haar?) vierde verjaardag vieren. En dat moest gevierd! Met koekjes, zo bedacht de immer vindingrijke moeder.

Want naast vindingrijk, was die moeder ook nog eens heel goed in het combineren van dingen. U noemt een ding en moeder combineert het, echt. Met iets, met iemand, geen grenzen. Eerst kwam de combinatie koekjes bakken – onhandige kookkluns. Remedie daartegen is echter een kookboek. En had die moeder nu net niet enkele weken daarvoor (als subtiele hint) een kookboek “Bakpret voor kleine handjes” gekregen? De moeder heeft kleine handjes, gaat nu eenmaal graag in op hints, zeker als ze van de ouders van haar toekomstige metekind komen (jawel, hoera!!!), en bedacht dat ze daarmee dus zou scoren bij zichzelf (grenzen verleggen, en van die dingen), bij de oudste zoon (met koekjes naar school, stel je voor!), bij de man (mits geen halve keuken laten uitbranden), bij de ouders van het toekomstige metekind (want gebruik van kookboekkado), bij de jongste zoon (gewoon: koeken. Eten) en misschien zelfs bij de juf als ultiem bonuspunt. Kunnen scoren bij minstens zeven mensen, door simpelweg koekjes te bakken. Klonk de moeder als muziek in de oren, en nog meer: als een steengoed en strak plan.

En dus geschiedde. Pedagogische doelstelling van deze activiteit: kinderen betrekken, zelfwaarde, het “hé-ik-kan-iets”-gevoel versterken en zo verder. Er werden dus ingrediënten samengevoegd, zoals dat heet. En toen zagen moeder en kinderen het nog heel hard zitten. Tot de kinderhandjes zich ook zouden mengen in de ingrediënten. Na een paar keer de opmerking gekregen te hebben dat dit toch wel heel vieze koeken zouden zijn, werden de kinderhanden afgespoeld en namen de iets grotere handen de controle. Tempo tempo, ’t moest een beetje vooruit gaan. Tenslotte was het al zondagnamiddag.

Kneden ging de kinderhandjes dan wel weer goed af. En dan mochten er dingen gevuld worden met andere dingen. En daarvoor had je zo’n ding nodig, dat je gebruikt wanneer je je vinger niet mag gebruiken om de kom leeg te maken.

Enfin. Fase twee van de werken. Zonen hadden zich intussen al verschanst tussen speelgoed en televisie, zodat de moeder in haar eentje van de hele keuken een slagveld moest maken. Immer van haar plicht bewust besloot ze dan ook om dit met volledige overgave te doen. Meer zelfs, alle waarschuwingen voor zelfoverschatting ten spijt werd zowaar besloten om twee (2!!) ‘dingen’ te bakken. Koekjes en cakejes, jawel!

En die koekjes zouden versierd worden, met glazuur. Omdat dat zo in het boek staat, ja. En die moeder is nogal conformistisch als het op kookboeken aankomt. En die cakejes zouden ook versierd worden, met berenhoofden. Meer eerst moest nog even vlug een nieuwe film ingestopt worden om de zonen wat zoet te houden.

Dus: versierde koekjes en cakejes. Herken de ‘P’! Herken de ‘4’. Herken de genialiteit, de creativiteit, de ongetwijfeld nooit geziene pracht van koekjes. Enfin, dat zelfgemaakte koekjes er behoorlijk ordinair kunnen utzien was het laatste van moeders zorgen. Niets was aangebrand, de keuken stond er nog, en het indianenmasker van bloem en suiker kon makkelijk weggewassen worden. Klinkt als ‘missie geslaagd’!

Tot de Peter Goossens van Sellewie langskwam. Alles Peter, niets Sergio, behalve dan misschien de strenge blik waarvoor de moeder hier ten huize al lang niet meer in zwijm valt. Enfin, de echtgenoot, DrieSterrenPeter van dienst zijnde, bedacht dat “’t Geregje toch wel’n beetje te veel naar suiker smaakte. En of er iets met die glazuur was gebeurd? Omdat dat er toch zo onglazurig uitzag?” Met chef-koks uit Sellewie moet men niet discussiëren, en al zeker niet als men er nog een bed mee moet delen. Dus werden overal de glazuur/suikerlaagjes afgeschraapt en dat was dat.

Tot! Tot! Tot! Moeder met een nieuw plan kwam (ja, we spreken hier over een doorzettertje): chocoladeversierselkens op de koekjes aanbrengen. Ergens nog een spuit uitgehaald, chocolade laten smelten (oo bain marie natuurlijk), en in opperste concentratie de ‘P’ (“stokje en buikje boven hé mama”), de ‘4’ (“mo ség, da moet wel recht hé mama”) en een occasioneel bloemetje (bakken voor gevorderden) en hartje (voor de DrieSterrenPeter) op de koekjes gooien.

Enfin. Ze werden eetbaar geacht, de koekjes. En na een rusteloze nacht vol nachtmerries over voedselvergiftigde kleuters, hysterisch lachende juffen en boze ouders werd het bewijs van een gebrek aan zelfkennis meegegeven naar school.

En kijk! Toen de moeder die avond thuiskwam zag ze zowaar een berichtje van de juf. Met trillende vingers werd het boekje van de oudste zoon opengeslagen en wat toen gebeurde kan geen mens beschrijven: de vreugde, de intense blijheid, het gevoel van puur, intens kindergeluk. De moeder had zowaar een stempel gekregen van de juf! Het was het waard, elke seconde van pure inspanning…

Over wij en ik.

Dingen die ik mijn zonen liever niet meer hoor zeggen…

  • in een overvolle supermarkt en zo’n 20 decibel te luid: “Ei mama, die meneer heeft daar nog een beetje een dikke buik hé.”
  • tegen zowat iedereen: “Ei dikzak! Dikzak! Diiiiikzaaaak!”
  • tegen elkaar: “Tijd voor de pierlewietieshow!” (Nee, ik vertel hier niet wat ze daarmee bedoelen, echt niet).
  • tegen mij: “Je moet nog een handje bijzoeken hé mama, dan kan je nog meer doen.”
  • tegen iedereen die het horen wil: “Hihi, ik heb een prot gelaten…”
  • tegen hun ouders: “Ma ség, ik zie de televisie niet, je staat ervoor, en ’t is net van Baloe en zijn liedje!
  • tegen eender welke chauffeur in eender welke auto: “Ség, rij ne keer een beetje rapper. Allez!”

Dingen die ik ze wel graag hoor zeggen…

  • tegen mij: “Mamaah, jij ben de mooiste en de liefste!” Iets met waarheid, kindermond en zo?
  • tegen iedereen: “Ik kan dat al zelf hoor, ik eet veel patatjes.”
  • tegen zichzelf: “Mooi vandaag!”
  • tegen hun ouders: “Gaan jullie mee, ja hé, jullie gaan toch mee hé?”
  • tegen elkaar, ooit op een dag mag ik hopen: “Gaan we eens gewoon samen spelen? Dat is gewoon veel leuker dan telkens na twee minuten te moeten ruzie maken. Bovendien doen we met dat geruzie ons moeder ook geen plezier mee en onszelf nog minder. Want dan loop je nog tien minuten na te snikken, met een knalrode kop en roodomrande ogen, enkel en alleen maar omdat wij twee, van de vierhonderdduizend auto’s hier aanwezig in dit huis, per sé weer allebei diezelfde moesten hebben. En omdat we met momenten een ander niets gunnen, loopt ons moeder dan een half uur ambetant, en zou ze ons nog durven een snoep ontzeggen. Dus: laten we maar gewoon samen spelen, lieve broer. En laten we daarna maar ons moeder een massage geven, dat arme mens ziet met momenten zo af met ons.”

Een mens mag toch al eens dromen, nietwaar?

Dag koek, dag clown, dag klas, daaag moeder!

Kort.

Fries komt aan de schoolpoort, mag ‘zijn’ speelplaats op. Er staan (dankuwel oudercomité) een clown of twee, een Mega Mindy en een stuk of wat andere figuren die ik me niet meer herinner wegens te veel focus op twee zonen. Terwijl ik nog officieel vraag in welke klas de twee zonen zitten, ziet Fries een koek, een clown, zijn heldin van dit schooljaar (‘juf Hannelore Pannelore’), en stapt vol vertrouwen vooruit. Koek in de ene hand, jufs hand in de andere en weg is hij. Geen enkele keer keek hij om.

Een ander verhaal bij Benne: trillende onderlip, sussende juf (‘juf Carole bollewol’), huilend kind, moeder met krop en nog van die toestanden. Schuldgevoel ook, je komt midden in de nacht thuis, na drie dagen werkafwezigheid, ze zien je even ’s morgens en dan ga je ze doodleuk op school afzetten. Ik zou het begrijpen als dit zijn eerste trauma is.

Na vijf minuten nagelbijten van moeders kant hangt Benne alweer de wijsneus uit, en stapt Fries binnen in het grootste avontuur van zijn jonge leven.

En er is progressie! Namelijk:

2 februari 2009, eerste schooldag Benne: de hele weg bleiten, thuis ook nog de hele dag zielig ‘rondgetsjoold’.

1 september 2009: tweede eerste schooldag Benne: bleiten tot 5 km van school en op 3 km van thuis. Ook zielig, maar niet meer tsjoolen, eerder gewoon rondlopen.

1 september 2010: derde eerste schooldag Benne, eerste schooldag Fries: bleiten tot 1 km van school en 7 km van thuis. Niks zielig gevoel, trots ben ik. ’t Komt nog helemaal goed 🙂

Duimen voor 1 september

Duimen dus.

Niet voor kleine Fries die met zijn veel te grote boekentas, zijn veel te nieuwe schoenen, zijn veel te grote koek naar de peuterklas zal stappen. Maar, afgezien van hysterische huilbuien als moeder vertrekt ziet het jongste kind het heel goed zitten. Vooral nu hij zijn juf al eens op foto heeft gezien en ze heeft kunnen goedkeuren.

Ook niet voor grote broer Benne, die ook met zijn veel te grote boekentas, veel te nieuwe schoenen en veel te grote koek naar de tweede kleuterklas stapt. Hij kent ook al zijn nieuwe juf en vindt het ‘sjiek’ dat de door ons uitgeroepen broer van klaspop-van-de-eerste-kleuterklas-Jules met hem zal meegaan naar de nieuwe klas (een zeker Pompom zou die pop heten). En ook grote broer heeft zijn juf goedgekeurd. Hij moest het eens anders proberen.

Wel duimen voor moeder, dat ze op tijd terug mag zijn van een 3-daags werktuitstapje naar Duitsland, dat ze overal net haar trein kan halen, dat ze woensdagmorgen fijn haar drie venten mag wakker maken en zingen dat het de eerste schooldag is (iets in de trant van: “t Is vandaag mijn eerste schooldag, o wat ben ik toch zo blij!).

Heel lief gezongen voor de twee kleinste ventjes, een beetje lachen met de oudste vent. Die zonder boekentas, zonder nieuwe schoenen en zonder koek naar school moet. Zo benadeeld worden, zeg.

Geduld is een schone deugd…

… maar dat mag je overduidelijk niet verwachten bij een vierjarige.

En al zeker niet als je kleine broertje van twee jaar en een klets je de korte blonde haren uit het hoofd zou doen trekken met zijn standaardvraag dezer dagen: “waajomwaarom*?”

De grote mensen maken er intussen weer een sport van om daar de onnozelste antwoorden bij te verzinnen (“waajom waarom ma’k geen ijsje?” – “omdat het crisis is jongen, en mocht dat op te lossen zijn met ijsjes, je moeder hier al gauw een voltijdse job van zou maken” of “Fries, dat is nu jouw grote kamer, daar mag jij straks in slapen” – “Waajom?Waarom” – Omdat je voetjes anders in die spijltjes van je babybed zullen groeien en dat het zo moeilijk wandelen is naar school, zo met spijltjes rond je voeten”).

De grote broer krijgt het op zijn heupen, op zijn darmen, op zijn hele gestel van die hele waarom-fase en mag zich intussen ervaren oogroller noemen. Eén keer wil hij zo’n vraag beantwoorden, de tweede keer is hij al wat korter van stof en de derde keer hoor je: “Ma Fries, seg, ik heb het al twéééééé (zwaait met ongeveer alle vingers om de buitensporigheid van dit aantal te benadrukken) keer gezegd! Goooh…”

Wijsneus zijn is geestig, maar niet als je jongere broer de hele tijd domme baby-vragen stelt…

*’t is niet omdat de moeder nog altijd niet deftig de ‘r’ kan uitspreken, dat de jongste zoon het niet zou kunnen. Vanavond getest en djie keej kon hij het zeggen.

Elementaire beleefdheid… voor jezelf

De oudste zoon heeft hier nogal de neiging om in termen van willen en moeten te communiceren. Meneer wil een boterham, meneer wil een tas melk, meneer wil naar buiten, meneer moet iets hebben. Hij zou ondertussen wel mogen weten dat zijn ouders daar behoorlijk doof voor zijn, tenzij hij het ‘mooi’ vraagt, zoals wij hem hier dan uitnodigen om het eens beleefd te formuleren. Samen met de evolutie van zijn taalgebruik ging dat dan als volgt:

“Ma’k noepje abliebt?”

“Mahhuk(*) een snoepje asjebliebt?” (*dat West-Vlaams is gewoon aangeboren)

“Mag ik een snoepje asjeblieft?”

Dat zit dus wel snor, die vragende vorm.

Een tweede ding is het dankuwel zeggen, maar daar hebben beide zonen eigenlijk nooit een probleem mee gehad. Wel was er de nodige verwarring bij het geven van iets (“asjeblief Benne, asjeblief Fries”), wat zij dan moesten beantwoorden met een dankjewel. Heel vaak ging het zo:

“Asjeblief Benne, je tas melk.”

“Asjeblief mamaaaa!”

Nu ze weten dat het codewoord ‘danku’ is als je iets hebt gekregen beginnen ze zichzelf te bedanken. Na het zelf smeren van een botherham bijvoorbeeld zegt Benne:

“Danku voor mezelf, Benneeuh!”

Welja zoon, als moeder wil ik je ook oprecht bedanken voor jezelf, ’t is fijn met zo’n kereltje als jij 🙂

zelfaanmoediging

Wij moeten onze jongste hier niet meer opvoeden, die doet dat gewoon zelf.

Fries gaat aan tafel zitten: “Ooh, flink zo Fiesje!”

Fries zit op het potje: “Ooh, mooi pipi gedaan Fiesje, flink zo!”

Fries doet zijn schoenen aan: “Ooh, mooi sandaaltjes aan’daan, flink zo!”

Fries eet zijn bordje leeg: “Ooh, Fiesje alles opgegeet, flink zo!”

Fries heeft opgeruimd: “Mamaa, flinke Fies hé! He? He? Ja he!”

Fries helpt de was in de wasmachine stoppen: “So, al’maal erin, flink van mij!”

En omdat hij zichzelf zo flink mag vinden, neemt meneer dan maar zelf snoepen uit de kast ook. Geen werk mee, met dat kind.

praten of plassen

We zijn eraan begonnen begin april (paasvakantie), en sinds halfweg mei* durven we voorzichtig zeggen dat… hij… misschien… nu… toch… wel… eens… zou… kunnen… proper… zijn… ? Maar dus echt heel voorzichtig, want ik vrees nog altijd voor een terugval. Maar kom: juicht en klapt alom, één pamperbroekje voor ’s nachts, de wereld kan er alleen maar wel bij varen.

Over het feit dat die training bijna postgraduaatsvormen begon aan te nemen: ik heb daar zo mijn eigen theorie over (achteraf valt alles natuurlijk altijd te verklaren). Hij was echt te druk bezig met zijn taalontwikkeling. ’t Kind (van de mannelijke soort) kan natuurlijk geen twee dingen tegelijk, dus neem ik het hem niet eens kwalijk dat hij had besloten om eerst eens deftig te leren praten, werkwoorden te vervoegen, commanderen, smeken, sorry zeggen, eisen, rebelleren, … en pas daarna zou starten met dat potjesgedoe. Eens dat taaltje zo goed als op het niveau van een bijna 2,5-jarige moest zijn, stond meneer open voor wat gekir van moeder en applaus van vader telkens hij een druppeltje in zijn potje achterliet.

Klein detail nog: hij laat ons duidelijk merken dat op het potje gaan nog steeds een ‘schone geste’ is van zijn kant. Komt het applaus iets te laat, dan begint hij maar voor zichzelf te applaudiseren, desnoods haalt hij zelf zijn snoep uit de kast. En staat het hem niet aan, wil meneertje stampvoeten van colère maar is dat op dat moment te lastig? Dan plassen we toch gewoon terug in de broek. Met een blik van: “Awel, moeder, nu gij weer, had je mij m’n zin gegeven, dan zou je nu niet moeten beginnen kuisen. Voila”.

Love him, kleine Fries 🙂

*wat dus een groot verschil is met de drie dagen die Benne nodig had om de link potje-plassen door te hebben.