Sportief bindingsmoment

Ik ben al heel vaak gestart met lopen en voorlopig al één keer minder dan heel vaak gestopt. Regen is één excuus, de zonen zijn 3 excuses. Zo zit ik aan vier en dat is telkens genoeg om in de-week-met-kinderen niet te lopen.

Tot er sprake was van een helder moment en er overwogen werd om de zonen mee te laten lopen. Zij bewegen (nog meer), ik ben eens weg van de huis-, tuin- en keukenbeweging van die week én ze krijgen het opvoedkundig geheel verantwoorde beeld van een moeder die me-time maakt, dit sprankelend weet te combineren met quality-time met de zonen, uiteraard overgoten met gegrap en gegrol tijdens het lopen (voor mij) en fietsen (voor hen). Oh ja, als we lachen zijn onze tanden tandpastawit. En mijn haar ligt heel erg hard in de plooi.

Soit. Zondagnamiddag. Twee derde van de kroost was naar de Chiro, het jongste derde deel bleef. En er zou gefietst worden. Daar was hij al sinds twee dagen op voorbereid. En hij zag het nog zitten ook. Het kon niet beter worden. Kind warm ingeduffeld, moeder in loopkleren en weg was dit olijke duo voor wat meer een mentale uithoudingstest zou worden dan een fysieke inspanning.

De geplande route (5K) werd na 50m enigszins ingekort. Na een herevaluatie op 100m werd het uiteindelijk dit:

img_0092

Zie je’t? Toch wel een persoonlijk record: mijn eerste 2-4 km hardlopen. Ze weten je wel te motiveren nadat je toch al een paar keer wat meer hebt gehaald.

In die drie kwartier en 3 kilometer had ik heerlijke bindingsmomenten met Zoon3 (noteer wel of geen sarcasme naar eigen goesting):

  • “Maar dat is veel te snel!” – ik was naast hem aan het wandelen.Wandelen!
  • “Niet zo snel mama” – ik loop voor hem, al zwaaiend, achteruit zelfs.
  • “Oh stop, mama, een nootje” – stapt van de fiets en zoekt de noot. Vindt de noot binnen de halve minuut terwijl moeder op en neer staat te springen.
  • “Oh stop, mama, een nootje” – zie hierboven, maar vindt de noot niet. Moeder stopt met springen en zoekt mee.
  • “Mama, ik kan niet mee” – elke drie minuten dat hij geen noot aan het zoeken was, terwijl ik gewoon naast hem wandelde.
  • “Mamaaaaaah!!” – in ongeveer de helft van de gevallen dat ik een sprintje wou trekken presteerde hij het om van zijn fiets te vallen.
  • “Oh, maïs! Kijk, 1, 2, 3 maïsen! Maar kijk dan toch mama!”
  • “Maar er ligt hier modder” – en toen wou hij niet meer rijden. Wel wandelen terwijl ik met fiets aan de hand door de modder mocht stappen.
  • “Ik heb het warm van al dat fietsen” – hij had de juiste kleren aan. Ik had kleren aan om een half uur te lopen. Dan doe je geen wollen parka aan. Ik heb koud gehad vandaag.
  • “Appeltjes!” – en toen zijn we beginnen appels rapen en hebben we thuis een cake gebakken. Dat kon omdat ik een douche had uitgespaard. Karma was me genadig vandaag.
  • “Maar wij hebben iets leuks gedaan vandaag, hé mama?” – om indruk te maken op twee in de kofferbak gegooide moddermormels.

Kind3 ziet appeltjes en stopt. Uiteraard | Moeder bakt cake en krijgt een beter humeur | Modderkoffer | Moeder eet van de cake en krijgt een nog beter humeur.

Eigenlijk alleen maar om te zeggen: lopen met een kind dat nog trager fietst dan ik slenter, dat doen we niet meer.

Iemand hier ervaring mee? Hoe hou ik drie koters 30 tot 60 minuten bezig zonder dat mijn huis afbrandt, ik 10 loltelefoontjes krijg van hen, er eentje ontsnapt of ze elkaar het hoofd inslaan met één van mijn handtassen?

Advertenties

20 (!) dingen waar ik goed in ben

  1. Moppen verpesten door op het pointe-moment de pointe te vergeten. Zelfs de zonen worden er gek van.
  2. Bananen decoreren, met of zonder thema. Zonen vragen, moeder tekent, zonen eten fruit, moeder blij.
  3. Situaties ontzenuwen door mezelf als een clown te gaan gedragen. Dat heb je dan met die introverte extraverten (of extraverte introverten). Die voelen spanningen aan en die willen dan mensen doen lachen door zichzelf het mikpunt van spot te maken.
  4. Mensen afschrikken. Grote mond en zo. Bakstenen omgeven door tralies omgeven door beton omgeven door overwoekerd onkruid. Kan op één moment verdwijnen als ik me op mijn gemak voel. Is ondoordringbaar in andere situaties ook al lijkt het van niet. Dat afschrikken heeft me al veel smalltalk met losers bespaard. Dus vooralsnog meer voordeel dan nadeel.
  5. Voetballen. Als mijn zonen het zelf zeggen dan zal het wel kloppen. Vooral mijn schot richting ingebeelde winkelhaak mag er blijkbaar zijn.
  6. Knutselen – bakken – kneden – in aarde wroeten. Als ik maar met m’n handen kan bezig zijn. Pottenbakken op de wijze van Ghost was nog iets voor mij geweest.
  7. Filosoferen. En ik kan dat in volledig nuchtere toestand. Over dat er een beperkt aantal prototypes van mensen bestaan waarop alle variaties kunnen teruggebracht worden. Omdat ik ooit eens in het buitenland iemand heb gezien die sprekend op een vriendin leek. En daar dus andere mensen dan mee lastig val.
  8. Mijn kerstboom decoreren. Ik heb dat jaren niet (graag) gedaan. En nu doe ik dat. In ’t wit. Met pluimen en boa’s en al. Eén hoek in het huis er los over. That’s it. De rest van mijn huis blijft vrij van ballen en bellen.
  9. Boeken kaften – ik doe dat graag en gruwelijk efficiënt.
  10. Bedden opmaken – ik doe dat elke morgen maar slaag er vooralsnog niet in om dat mijn zonen aan te leren. Waardoor ik het nog met plezier voor hen doe ook. Bij een opgemaakt bed ’s avonds heb ik altijd het gevoel dat de slaapkamer Fébrèze-ish is. En daar ben ik dan instant vrolijk van, zo net voor het slapengaan.
  11. Verjaardagsfeestjes geven. Liefst voor iets te veel kinderen. Zo’n 10 stuks in uw huis, dat doet iets met een mens zijn gehoor en wallen. Om niet te spreken van je huis. Maar ik doe dat graag.
  12. Aperitieven. Doen én voorbereiden. Als ik verantwoordelijk ben voor de aperitief dan moet er niet veel meer gehoofdgerecht worden. Ik heb vakantiedagen gehad waar ik als ontbijt, middagmaal, vieruurtje en avondmaal in good company heb zitten aperitieven.
  13. Geheimen bewaren. Punt. Hieraan gelinkt: me naïever voordoen dan ik ben ook al heb ik bepaalde zaken relatief snel door. Voor de wereldvrede en zo.
  14. Niet naar tv kijken. Als de tv op vrijdag om 18u op Ketnet stond en de zonen vertrekken dan is de kans groot dat, als ze terugkomen, de tv op Ketnet aanfloept. Ik vergeet dat gewoon, tv kijken. En het is bovendien ook beter voor mijn gezondheid, want als ik tv kijk dan begin ik ofwel op mijn nagels te bijten, ofwel jaag ik er tussen twee reclameblokken een zak chips door. Gevolgd door een appel. Balance, that is.
  15. Gaatjes boren, banden vervangen, meubels in elkaar zetten. Ik zou dat kunnen vragen aan andere mensen maar ik doe dat eigenlijk liever zelf. Alpha female stuff. Is soms ook de oorzaak van punt 4.
  16. Tegen paaltjes rijden en parkeerboetes verzamelen. En ik lig daar dus geen seconde wakker van.
  17. Verdrietjes troosten door er instant een voordeel van te maken. Is zoon2 te laat aangekomen op de scholenveldloop en ontroostbaar? Bel naar uw moeder die zegt dat je naam toch wel is omgeroepen voor iedereen daar aanwezig. Hoeveel kunnen er dat zeggen? En hoeveel mensen hebben nu toch ook weer gehoord wat voor een coole naam hij heeft? Zo’n dingen dus.
  18. Boos kijken. Dat is mijn bitchy resting face. Ik ben zelden boos aangezien dat een emotie is waar ik liever geen energie aan verspil. Maar ik zie er dus wel permanent boos uit. En verdrietig in de ochtend, maar dat is dan omdat mijn gezicht altijd later wakker wordt dan mijn geest.
  19. Sorteren. De handdoeken op kleur, kleerkasten, speelgoed, mijn koelkast. Ik kan instant gelukkig worden bij de aanblik van een schoon gesorteerde doos vol vers geslepen kleurpotloden. Ik kan daarvan genieten, maar opnieuw: mijn slaap zal ik er niet voor laten. Hieraan gelinkt: lijstjes maken. Ik ben een paper addict. Lijstjes, schriftjes, pennen, …  me loves!
  20. Op m’n eentje naar tentoonstellingen gaan. En daar dan verloren lopen in al het moois dat te zien is. Of ergens alleen gaan ontbijten, met een goed boek erbij. Of het vlammenspel voorspellen bij een kampvuur. Dat lukt me steeds beter. Vraag me dan niet om met mensen te praten, dat is er te veel aan. Te druk bezig met staren, genieten, rond badderen in m’n hoofd.

En jullie? Waar zijn jullie zoal goed in? En hopelijk doen jullie er minder lang over dan ikzelf 😉 #inspiratie.

In wijzerzin, links: moddermoeder met kind op hoofd, niet zo stilleven – doe eens extra onnozel als er één kind boos is – u vraagt, moeder tekent – banana..

In wijzerzin, rechts: Patti op Watou 2016, zwaar genieten – gelukkig staat mijn poes er wel goed op – vurige marshmallowkinderen – breakfast in Boedapest.

 

Gezocht: voltijds moederschap

f8a94ec9-05d4-41e0-ad0e-704d58253333“Hoe wenst u de betrekking in te vullen? Halftijds, voltijds, 9/14, 5/7?” – is iets wat nog geen enkele vrouw te horen kreeg bij het krijgen van een kind. Moederen doe je voltijds, sticking to the plan, punt.

Een halftijdse ‘job’ als mama: ik blijf het daar bijzonder moeilijk mee hebben.

Er zijn de pompen-of-verzuipendagen met drie koters. Ook genoemd: de dagen van compleet contentement bij het moederdier.

  • de dagen dat ik zowaar eens zou verlangen naar een extra paar handen om het werk gedaan te krijgen;
  • de avonden waarop ik om half tien mijn bed in strompel, de me-time gereduceerd tot sleep time, niet goed wetend waarom ik eigenlijk moe ben en al lang tevreden dat mijn huis er proper bij ligt;
  • de ochtenden met strak schema waar ik intens kan genieten van het ontbijt als rustpunt in de drukte;
  • het hoofd schudden als twee grote zonen quasi nonchalant richting speelplaats slenteren, duidelijk hebben laten weten geen zoen meer te willen, maar wel nog altijd eens achterom kijken met een blik die zegt: “Gooi anders maar een zoen, mama, zie je me nog?”;
  • het trots gevoel als de jongste de prachtigste volzinnen richting oren en hart zwiert;
  • de triomfantelijke blik richting kassierster als ik er weer eens in geslaagd ben een volle kar door de winkel te manoeuvreren, met links en rechts iets van 30kg eraan bengelend en in de kar een druiven en chips verpletterend klein monstertje. Maar wel met manieren, mevrouw;
  • de momenten waar ik de kroost zie voetballen, zetelhangen, spelletjes spelen, chillaxen, tekenen, dansen, ruzie maken en denk: ’t zijn echt de mijne. En wij doen dat goed, wij.

Er is de bijtankdag. De halve dag na 1 van de 26 afscheidsavonden op een jaar. Een ochtend waarop ik met lijf en leden geniet van de rust, de ochtendkrant, de koppen koffie en de orde in mijn huis. Een halve dag. Dan ben ik ermee klaar. En begint het gelummel, zo af en toe.

Er zijn de opvuldagen. Dagen 0.5 tot 7.

  • de momenten waarop ik een t-shirt niet meer hoef te strijken omdat ik er al te lang met mijn hand heb over geaaid, snuffelend naar jongensgeuren die nog moeten komen;
  • er zijn de stapeltjes kleren, klaar om in een kleerkast te stoppen in een kamer zonder geluiden, zonder beweging, zonder knuffels. Het bed veel te netjes opgemaakt, het huis als een toonzaal;
  • er is het hier en daar terugvinden van een puzzelstuk, een dopje van een stift, een verloren krijtje, een tekening, een vergeten snoepje, steentjes, stokjes, overschotjes in de koelkast;
  • die ene avond waar een maaltijd in viervoud wordt klaargemaakt, ofwel uit gewoonte, ofwel om niet meer te moeten koken op de andere dagen;
  • een vaatwas die een hele week niet draait, een badkamer die blijkbaar ook vuil kan worden als ik de enige gebruiker ben ook al zeg ik tegen mijn kinderen van niet, een keukentafel en aanrecht die stof vangen;
  • de avonden waar ik, al dan niet met goesting, wegga, want zo hoort dat en een mens moet toch nieuwe mensen leren kennen;
  • de nachten waarin ik veel te laat thuis komt en stil de trap op strompel om toch niemand, letterlijk niemand, wakker te maken;
  • het opvolgen van adviezen van zij die het wel, niet of beweren te weten: “Ga uit!”, “Doe dingen die je graag doet!”, “Doe maar eens zot!”, “Gedraag je eens als een 20-jarige labiele bakvis!*”;
  • het jaloers gevoel als je andere moeders/vaders met hun kroost of kind ziet, goed wetende dat zij over enkele dagen op hun beurt naar lege stoelen moeten staren terwijl jij geniet van in het rond vliegende broodkruimels;
  • de dagen met gestolen momenten door dokters- en kappersbezoeken in te plannen, de bezoekjes omdat ze toch dringend iets compleet overbodigs nodig hebben, de boeken die nog binnengebracht worden om te kaften, de momenten dat je beseft dat je al een uur zit te glimlachen, omdat je door hun foto’s aan het bladeren bent, de telefoontjes waar je ofwel naar hun verhalen luistert en blij vragen stelt, ofwel gewoon luistert in de hoop dat zij jou geen vragen stellen omdat ze anders de tranen als knikkers over een houten vloer zouden horen rollen.

Er is de terugkomdag. Dat gewriemel in het moederlijf. Dat verwachtingsvol naar huis rijden. De poort openzetten of spurten naar de voordeur als de bel gaat. De kroost als bezoekers van hun thuis. Sinterklaas, de kerstman, je verjaardag, de paashaas, de schoolreis, je lentefeest/communie, … het voelt als het tienvoudige (maal drie) van al die dagen samen. Plannen maken voor ‘jouw week’, ‘onze week’, ‘hun week’. Altijd is het wel hun week. Zolang zij maar voltijds kind kunnen blijven.

*niemand heeft me ooit deze raad gegeven, het zou anders veel kunnen verklaren.

Woorden van de week

BFNNaast het 346 keer uitspreken van het woord mama (gemiddelde per dag, per kind) -op verschillende toontjes, met verschillende urgenties en voor 340 irrelevante zaken (gemiddelde per dag, per kind)- zijn er toch wel andere woorden of uitdrukkingen die hier tijdelijk wat hotter en swagger (hierbij de eerste al) zijn. Bij gebrek aan meer inspiratie: het rubriekje ‘Woorden van de week’. Te interpreteren als: de woorden die het gebroerte gebruikt om aan te geven dat coolness toch wel een verdiende middle name was geweest.

  • “Da’s magic” – te gebruiken bij de zoveelste wereldgoal die je in je eigen tuin in een imaginair doel schiet; bij je moeder die zegt dat het water uit de douche nog altijd niet gratis is; bij je jongste broer die plots-en-totaal-niet-ingefluisterd het woord ‘twerken’ in de mond neemt en het dan nog eens demonstreert ook. Bij voorkeur te combineren met twee zwaaiende handjes en een veel te grote smile. Smoelentrekkerij à la Jim Carrey. Vermoedelijke oorsprong: Chiro- of voetbalkamp.
  • “Naais” of “Naaaaaaais” – te gebruiken bij een actie, zegswijze, repliek die je eigen coolness zwaar in de verf zet. Zoals een repliek op een commentaar van je moeder; een voorstel van je moeder om ergens naar toe te gaan maar waar je vooral niet té enthousiast mag over doen. Te combineren met één of twee opgetrokken wenkbrauwen en een high-five naar één van de broers. Vermoedelijke oorsprong: Chirokamp.
  • “Mo how zeg” – enkel te gebruiken in combinatie met een uitspraak van de kleinste broer. Zoals daar zijn: “Mag ik een handwasje?” gevolgd door: “Mo how zeg, ’t is wel een washandje hé”; “Het kindje van de poes is een ketting” gevolgd door: “Mo how zeg, ’t is een kitten hé”; “Ik wil graag slagroom op mijn boterham” gevolgd door “Mo how zeg, ’t is wel hagelslag dat ie bedoelt, niewaar?” Waarop de jongste: “Ja, dat”. Waarop de oudste twee tegen elkaar: “Naais!”. Vermoedelijke oorsprong: moeder en grootouders.
  • “Watte?” – voorlopig enkel gebruik bij Zoon2. Ter vervanging van het iets beleefdere “Wablief?”. Tot grote ergernis van de moeder. Hopelijk niet overdraagbaar op andere delen van het gebroerte. Vermoedelijke oorsprong: onbekend.
  • “It’s a prank! Ne prank, mama!” – te gebruiken net op die ene nanoseconde tussen het taxeren van de zogenaamde crisissituatie (door moeder) en het ontvangen van de bijhorende preek en straf. Ideaal in combinatie met de kleinste broer als nietsvermoedende handlanger van het kwaad. Bij voorkeur te gebruiken op een plaats waar moeder de voorbereidingen van de prank niet kan zien. Kan gevolgd worden door: een paar zware oogrollen van moeder, een vragende blik van de jongste zoon en een high-five bij de oudste zonen gecombineerd met “Da’s magic” of “Naais”. Vermoedelijke oorsprong: YouTube.

Ik ga daar nog zwaar mee scoren met die gasten. Ik voel dat.

Brief aan het wijflijf

Liefste lijf en zoon,

Ik weet niet wat het is tussen jullie beiden, waarschijnlijk een haat-liefdeverhouding afgewisseld met een samenspannen tegen een steeds ongeduldiger wordende moeder?

Lief lijf, meer dan 40 weken zwanger intussen, en behalve wat vochtophopingen hier en daar zie je er nog altijd behoorlijk uit. Die buik is mooi mee uitgezet, ”t zit al van voor’, zeggen mensen die het kunnen weten, en voor zo ver te zijn loopt ge nog kwiek rond eigenlijk. Dat komt, beste mensen die het kunnen weten, omdat dat lijf dan ook alleen maar kwiek rondloopt als het überhaupt kán rondlopen. De dagen dat het lijf zich wentelt in miserie en verzuchtingen en dat kersenpitkussens en warme baden amper redding kunnen brengen zijn intussen niet meer te tellen. De dagen dat het lijf moest zwichten voor het karakter van de moeder evenmin. Want dat, beste lijf, moet je toch wel toegeven: in moeders wilskracht moet je je meerdere erkennen. Er zal van ai en oei gedaan worden als moeder zin heeft om te trunten. Anders niet. Ben je daar nu nog boos om, lijf?

Sinds juli heb je me de stuipen op jezelf gejaagd door dokter en moeder te laten denken dat je wel eens forfait zou geven voor de laatste maanden zwangerschap. Dat je er wel eens genoeg van zou kunnen hebben als de moeder je zo bleef afmatten. En moeder heeft geluisterd, misschien heb je niet zoveel kunnen rusten als je zelf had gewild, of misschien had je liever yoga of zwemmen gedaan in plaats van tuinieren en verbouwen, maar kom, lief lijf, wij zijn al zen van ons eigen, niet? Dus lijf, you did it, en you did it meer dan genoeg eigenlijk nu. Ik weet niet wat het is tussen u en mijn zoon, jullie komen waarschijnlijk iets te goed overeen als het gaat om mij nu ’s nachts wakker te houden, valse signalen te geven, me de ene dag te laten kruipen van de rugpijn, me de andere dag kwiek op mijn ladder te laten kruipen om de ramen te wassen, … ik weet niet wat het is, maar wat consequent gedrag zou wel mogen. Ofwel gaan we nog wat zwanger zijn tot moeder en dokter beslissen dat het genoeg is geweest, en dan gaan we dat nog in volle gezondheid doen, ofwel gaan we nu over tot miserie, pijn en zuchten alom en dan kunnen we evengoed bevallen, niet?

Conclusie, liefste lijf en zoon3: als die laatste niet snel zijn blauwe ogen komt tonen en zo die eerste minstens tien kilogram lichter maakt, dan vrees ik dat ik morgen zal moeten overgaan tot de grove middelen zijnde: pikante pitta eten, touwtjespringen, de auto wassen en het ultieme middel: wat zielig naar de dokter kijken.

Aaike, uw moeder (zoon3) en eigenares (lijf).

Zo drie kinders, dat is toch onverantwoord?

Ik heb een tijdje niets geschreven omdat ik iets wou testen. Er zijn mensen die beweren dat ze niets aan mij persoonlijk meer moeten vragen omdat ze het toch allemaal al kunnen lezen op deze blog. Uiteraard ervan uitgaand dat mijn hele leven te vatten is in een wekelijks stukje. Zo oninteressant ben ik wel. Dus werd er niet meer geschreven, om te testen of die mensen dan wél geïnteresseerd zouden worden in mijn ménage. Wat niet het geval is. Conclusie: mijn stelling bewezen en ik heb mijn punt kunnen maken denk ik 🙂

Bon, het derde kind verdient ook zijn verhaal. Meer zelfs: het verdient zeker zijn verhaal omdat twee grote broers daar een actieve rol in kunnen spelen. Kind1 heeft nooit de zwangerschap van Kind2 beseft wegens veel te jong. Maar nu beseffen zowel Kind1 als Kind2 ten volle wat er aan het gebeuren is. En ik kan dat iedereen aanraden, eigenlijk. Toch tenminste twee die zich geen vragen hebben gesteld over de zin en onzin van zo’n Kind3. De enige vraag die ze zich stelden was hoe dat Kind3 in godsnaam in die buik was terecht gekomen.

Onzinnige vragen horen we hier anders wel genoeg. Een greep uit het aanbod met mijn nogal beleefd geformuleerd antwoord erbij.

– “Da’s nu toch echt omdat ge nog een meiske wilt hé” (in mijn gezicht), of “Da’s nu toch echt omdat ze nog per sé een meiske willen hé” (achter mijn rug). Antwoord: Moest ik een dochter willen, dan adopteerde ik er wel één of zocht ik me een vrouwelijk pleegkind. Een derde kind plannen en hopen op een dochter terwijl je weet dat zowel moeder als vader uit behoorlijk mannelijke families komen is nogal naïef, niet?

– “Dat is nu toch wel een accidentje zeker?” (in mijn gezicht), of “Ben jij zeker dat dat kind gepland is?” (achter mijn rug). Antwoord: mijn drie kinders zijn gepland én gewenst, jawel. En voor de rest: het léf om dat maar te denken.

– “Dat is echt onverstandig, zo nu drie kinders op de wereld zetten” (in mijn gezicht), of “Allez, en die vent gaat er weer voor mogen zorgen, want zij, zij is hele dagen gaan werken” (achter mijn rug). Antwoord: die vent beslist nog wel zelf zeker om de zaadcellen ter beschikking te stellen? En hij is ook slim genoeg om te weten wat daar de consequenties van zijn. En dat hij minder uren klopt dan ik: ik kan dat alleen maar toejuichen, is er tenminste één ouder die veel thuis is voor de kinderen. Er zijn veel koppels die niet het geluk hebben dat te kunnen doen.

– “Dat is toch financieel niet te doen, en zo net met die verbouwingen en al?” (in mijn gezicht), of “’t Moet zijn dat ze genoeg verdienen zeker, maar ik zou het niet willen hoor” (achter mijn rug). Antwoord: Veeg voor uw eigen deur. En voor de rest: wie zich zorgen maakt over onze financiële toestand kan altijd een benefietactie organiseren voor een gezin met ochere-ochot drie kinders! Kom dat nog tegen, drie kinders in één ménage, en dat in het jaar 2012.

– “Allez, we gaan dan maar proficiat zeggen zeker?” (in mijn gezicht) of “‘Als ze hier maar niet teveel met hun drie kinders passeren, ’t is zo al druk genoeg” (achter mijn rug). Antwoord: Wat zei u, ik heb u niet gehoord, te druk bezig met genieten van Kind3. Hoera voor ons!

En dan hier een oproep aan al wie drie kinders heeft: zeg me eens aan wat ik me nog allemaal mag verwachten.

haast en spoed…

Dankjewel lieve Fries, dat je hebt gewacht met ziek worden tot je moeder en vader weer een weekend vrij hadden. Je moeder lag net een uur te dutten toen je vrijdagnacht begon te gillen. En diezelfde moeder liet je net niet vallen van de hitte toen ze je optilde. Toen je ook nog moest overgeven en de thermometer zonder al te veel moeite 40.7° aangaf, besloten we je vader wakker te maken met de lachwekkende woorden: “Rap, rap, Fries moet binnen in de spoed”.

Net geen uur later kwamen we aan. Want daar had je geen rekening mee gehouden, lieve zoon, dat die wegen er spekglad bij lagen, dat enkel de kwart en halve garen onder ons de weg op gingen, zeker vanuit het boerengat waar wij wonen.

Spoed dus. De allereerste keer in 5,5 jaar moederschap, te danken aan een combinatie van sterke kinderkes en veel geluk. En van de spoed naar het grote ziekenhuis. Toen was het ongeveer vier uur ’s morgens. En blij dat je was, toen je een spuit kreeg. Want ja, op school leer je over de dokter en het ziekenhuis. Qua ervaringsgericht onderwijs kan dat tellen, score voor de ouders om zo betrokken te zijn bij het lesgebeuren.

En moeder heeft zich sterk gehouden, zeker toen ze begonnen over een hersenvliesontsteking. Wetende dat een flippende moeder iets is wat kinderartsen best wel kunnen missen. Tenzij ze daarvoor spuitjes hebben. Lieve Fries, heb je ons daar even goed liggen gehad. Want na een paar uur wachten bleek het helemaal geen hersenvliesontsteking, maar ‘iets anders, we zoeken verder’. Gaan we nog even gezamenlijk lachen en bleiten van pure decompressie?

Enfin, lieve vriend, je bent zo schattig als je ziek bent. Door die rode gezwollen wangetjes van je komen je blauwe ogen nog beter uit. En als je lacht, is het wat geforceerd, en daarom maakt het me des te vrolijker. En geen denken aan dat je huilt bij een prik, daar ben je toch veel te stoer voor. Of te ziek, maar dat hoeft niemand te weten.

Lief klein ziek kindje, laten we snel naar huis gaan.