wijsneus

Ze willen een baby, die twee zonen van me. En naar het schijnt moeten die moeder en vader daarvoor zorgen, liefst nog redelijk snel want “het is wel al vakantie, hé!”. Benne geeft de voorkeur aan een zus, kan hij samen met haar zijn nagels lakken dan (“we zijn al met zoveel jongens hier…”). Fries heeft gewoon de voorkeur aan een tweede vriendje voor het geval hij Benne beu is.

De naam is er ook al: de baby -voor alle duidelijkheid: volledig fictief- zal met de ongetwijfeld prachtige en passende naam Danaë door het leven gaan. Genoemd naar Bennes liefje-van-de-dag. Ik zie ze al helemaal voor mij: ons Danaë 🙂

Als moeder dan zegt dat zo’n baby’s wel erg veel huilen, en dat dat toch niet leuk is voor twee zo’n grote jongens, dan schudden ze hun hoofd. Niets van, want toen ze zelf klein waren deden ze dat ook, maar dat was lief. Waarop Benne een combinatie van lief gejank en vrouwelijk gemekker laat horen. Waarop Fries in z’n platste West-Vlaams zegt: “Zég mama, toen ik baby was, kon ik niet huilen, ik kon alleen maar bleitn“.

De klakkende tong ontbrak er nog net aan. Mocht het kleine kind niet zo allergisch zijn aan beestjes, ze kregen allebei een cavia. Danaë de cavia, dat spreekt voor zich.

 

PimpamFriesje

Lieve laatstgeborene,

Sta me toe te zeggen dat ik me ongelooflijk heb geërgerd aan je. Meer zelfs, ik vond je ronduit belachelijk en mijn ogen zijn nog altijd niet bekomen van de rollercoaster waarop ze hebben gezeten.

Dat je hysterisch begint te krijsen, tot daaraan toe. Dat je wild om je heen schopt en roept: “Peest, peest, pééést!”, bon. Dat je jezelf een halve hersenschudding slaat, ook tot daaraan toe. Dat je dat bovendien doet terwijl je moeder op de autostrade rijdt: we kunnen er mee leven. Dat dat gebeurt net voor je moeder van 3 naar 2 rijstroken moet, ook goed. Echt, ik kan me volledig zen gedragen met een krijsend kind op de achterbank. Het mochten er zelfs twee zijn. In de auto is zen my middle name.

Dat je 20 minuten bent blijven brullen: bon, dat is jouw probleem. Ik was zen, weet je wel? Dat je oudere broer de hele tijd aan het smakken en zuchten en oogrollen was: geef hem eens ongelijk.

Maar waar ik niet bij en over kan, klein stukje venijn: dat dat stukje toneel, waarvan ik dacht dat op zijn minst de Bij der Bijen, de Wesp der Wespen, de oorzaak van zou zijn, dat dat stukje komedie veroorzaakt werd door een -ochere- lie-ve-heers-beest-je op je been.

Lief pimpamFriesje, twee redenen al om je lief nooit mee naar huis te brengen: badkamer-slot-4uur en auto-hysterie-lieveheerspéééést!

Dikke zoen, je mama-met-opgetrokken-wenkbrauw.

255 minuten

Of vier uur en een kwart.

Zo lang heeft mijn jongste zoon mij en mijn oudste zoon opgesloten in de badkamer.

Op een zaterdagmorgen dat er zwaar moest gewerkt worden in de nieuwe tuin. Op een moment (kwart voor acht ’s morgens) dat een deel van het Ganzenhoftuin-dreamteam (waaronder de vader van het kind) al goed aan het werk was met het omzagen van boompjes. Op een moment dat ik wel wat anders te doen had dan wat quality-time door te brengen in de badkamer. Op een moment dat de oudste zoon ook wel wat anders had gepland dan samen opgesloten te zitten met zijn moeder.

Het begon met “Fries, niet met de deuren spelen, laat die deur los!”, en het eindigde met een mompelend “Gij moet nu efkes heel erg zwijgen of mama doet u iets aan.”

Tussenin viel er het volgende te beleven:

  • Fries doet twee pogingen om de sleutel in het slot te steken, dit mislukt.
  • Fries is weg. Naar de woonkamer, naar de keuken, boterhammetjes smeren, heeft de tijd van zijn leven. Hij kan al het eten uit de kasten halen en niemand die er iets van zegt.
  • Fries komt terug, begint te wenen. Ik schat een half uur. Moeilijk in te schatten trouwens, op zo’n stille zaterdag. Als je dan eens een klok wil horen luiden is ze haar paaseieren gaan halen.
  • Benne slaat in paniek. Nee, Paniek. Grote Paniek. “Mama, wij gaan hier nooit meer uitraken, het zal al donker zijn, mimimimimiiiiiii, wheeeeiiii!” Enzoverder.
  • Moeder begint te prutsen met wat aanwezig is in de badkamer, zijnde: een paar haarspeldjes, een nagelknipper, een nagelschaar, een pincet. En probeert zo op z’n MacGyvers het slot te forceren.
  • Moeder overweegt het instampen van de deur. Beslist om het toch niet te doen, wegens huis pas verkocht en geen zin om nog een nieuwe deur te installeren.
  • Fries komt terug. Moeder springt recht en begint Fries op te hemelen. De sterke, stoere, slimme Fries kan zeker die sleutel erin stoppen! En dan draaien, terwijl mama meedraait met haar pincet om de richting aan te geven. De klik die moet gemaakt worden komt er niet.
  • Fries verdwijnt. We horen hem spelen, de tv-aanleggen, een dvd voor zichzelf opleggen (badkamer is naast de woonkamer), en waarschijnlijk vleit hij zich rustig in de zetel met wat koeken. Roepen, smeken, … dat het kind zou komen, halen niets uit. Zijn gevangen laten hem steenkoud.
  • Fries komt terug, probeert telkens twee minuten en geeft het dan weer op. Tijd om te eten waarschijnlijk.
  • Fries is boos op zijn moeder. “Mama, jij moet die deur wel opendoen hé!”. Moeder slaat haar hoofd tegen de muur.
  • Moeder doet een laatste poging om het raam van de badkamer open te breken. Forceert het veiligheidsmechanisme en waagt haar leven en vooralsnog lenige lijf door uit het raam te klimmen met een spreidstand om u tegen te zeggen.
  • Benne begint te neuten dat hij alleen in de badkamer zit.
  • Moeder stormt het huis binnen (gelukkig is de achterdeur open), bekijkt de lege papiertjes, de kruimels op de grond en in de zetel, het speelgoed dat overal verspreid ligt en stuift naar de badkamer. Diezelfde moeder schrikt zich onderweg een hoedje als blijkt dat het net geen twaalf uur is.
  • Moeder is de held van Benne. Dat ik hem gered heb. Dat ik de sterkste mama ben. Het is duidelijk dat ik zwaar heb gescoord bij mijn oudste.
  • Moeder overweegt om haar jongste terstond voor adoptie af te staan of op zijn minst achter één van de nieuwe muren in het nieuwe huis te plakken. De actie werd beperkt tot af en toe een venijnige blik achter de rug van de jongste.

Fries heeft de tijd van zijn leven gehad, zoveel is duidelijk. Moeder en Benne houden er in het beste geval een permanente angst voor gesloten deuren aan over. Baalkind van de dag? Mijn jongste. U mag altijd beter proberen.

Ménage à trois

’t Is gebeurd, hij heeft het gezegd. Niet gevraagd. Gewoon droog meegedeeld.

“Mama, als ik later grote broer ben, dan ga ik met jou trouwen.”

Moet dat niet met wederzijdse instemming gebeuren, zo’n trouwpartij? Nee, als je Benne heet en jij beslist om te trouwen, dan mag die ander al lang blij zijn dat je haar hebt uitgekozen. Wat zou hij het vragen, hij wist het antwoord toch al.

Ik zei hem dat we nu meteen eigenlijk al konden trouwen, want dat hij al grote broer is. Maar dat was buiten zijn eigen redenering gerekend. Grote broer? Van zo’n klein ventje als Fries? Nee, dat was het bijna niet waard om grote broer van te zijn, zijn gezicht sprak boekdelen. Een grote broer, dixit Benne, is wel écht groot, héél groot. “Een meneer, dan?”, probeerde ik. Opnieuw liet hij duidelijk merken dat ik het hele plaatje niet snapte. “Je kan pas trouwen als je grote broer bent, behalve* als je ook een papa bent”, zei hij, terwijl hij vermanend zijn wijsvinger-met-tot-bloedens-toe-afgebeten-nagel in de lucht zwierde.

Enfin, ik besloot hem eens van zijn roze wolk te gooien en meldde even droog dat mama al bezet was. Dat er een papa in ’t spel is. Schouders omhoog, oogbollen naar boven en naar onder, handen in de zij: “Mama, dan trouwen we toch gewoon met drie?” Praktisch is hij wel, mijn blondje.

 

*Ik vermoed dat hij gewoon iets zocht om het woord ‘behalve’ te gebruiken. Zijn nieuwste hobby is dat, overal ‘behalve’ gaan tussen zetten. “Wij zijn allemaal jongens, behalve …”, “We moeten vroeg in ons bed, behalve …”, “Iedereen behalve ik zit mooi neer” … Next level: allesbehalve en desalniettemin.

Deals sluiten

Opvoeden is deals sluiten, wederkerigheid. Korte termijnbeloningen en dingen beloven om ze zoet te houden. Enfin, zo voelt het toch na een zware week 🙂

Zoals:

– zeggen dat je zonen in het weekend mogen samen slapen, in de hoop dat ze in de week toch eens voor negen uur hun ogen dicht doen. ’t Zijn weer lange avonden hier, als je pas na negen uur aan je ménage en ander werk kan beginnen. Maar ’t is een deal die voorlopig werkt.

– zeggen dat ze morgen zeker mogen fietsen, buiten, in de hoop dat ze die avond niet gaan neuten omdat je niet zal thuis zijn voor het slaapverhaaltje. De dag erop juichen dat het regent, om dan na schooltijd toch nog in volle zon de fiets uit te halen. Om dan te zien dat die oudste echt maar geen afstand wil doen van zijn steunwieltjes. De deal was hier om zonder wieltjes te proberen, en het proberen heeft toch welgeteld twee seconden geduurd.

– zeggen dat ze ’s avonds macaroni mogen eten, in de hoop dat ze ’s morgens niet beginnen huilen als je ze uitzwaait. De macaronideal werkt al-tijd!

– zeggen dat je morgen naar de winkel zal gaan om carnavalskleren, omdat je al slim genoeg bent dat je die wel degelijk gaat kopen, en niet gaat maken. Hoe zou het ook, met een naaimachine die al twee maanden niet meer uit de kast is gekomen? Meer dan wat vloeken, binnensmonds mompelen en reikhalzend uitkijkend naar een zomer met hopelijk zeeën van tijd kan ik momenteel niet doen. Deal is zwaar mislukt, ze willen allebei een spinnenmankostuum. Zelfs mega-Toby is aanlokkelijker…

– zeggen dat ze de liefste zijn, de knapste zijn, de leukste zijn, in de hoop dat ze dan “Jij!” antwoorden als je vraagt wie hun grootste vriend is. Wat dus niet het geval is. Ik ben niet stoer genoeg wisten ze me te zeggen. U weet wel, die twee zonen die om de haverklap rond mijn benen hangen als er een stofje te hard op hun huidje is gevallen, ja, die twee stoere.

Meester Benne

Fries: “Ik heb naar Pipi Langkous gekijkt!”

Wij (eens verantwoord bezig): “Ah, heb jij naar Pipi Langkous gekeken?”

Benne (iets minder goed bezig en met zwaar rollende ogen): “Ja Fries! Zeg! Ge-keeeee-ken! Naar Pipi Langkous gekéééééken!”

Benne (trots omdat hij ook eens iets wist): “’t Is gekeken hé mama, niet gekookt!”

Wij (beseffende dat het spel nu toch al om zeep is): “Of is het gekeukt?”

Betweter Benne en Frolijke Fries: “Miiiihiiiihiiii, haaahahaa!” En zo proestten ze nog een beetje verder, Fries terwijl hij zijn ogen weer alle kanten uit liet rollen, Benne terwijl hij compleet verwijfd zijn bles haar uit zijn ogen haalde. Zei iemand hier iets over dochters?

Ik ben al drie drie drie!

We gaan hem niet meer kunnen wijsmaken dat hij nog een baby is. Het leven begint bij drie, de betweterigheid ook, zoveel is duidelijk.

De dag voor zijn verjaardag was het nog dat mama en papa stout waren en dat ze niet naar zijn feest zouden mogen komen. Waarop moeder begon te mompelen dat ze hem heel graag een kartonnen taart zou voorschotelen. De dag van zijn verjaardag was hij de man. Hij wist het, en hij gedroeg er zich naar. Als liep de nulmeridiaan door eender welk deel van zijn lijf, als was er niemand ter wereld die nu niet aan het meevieren was. Tenslotte was hij nu wel degelijk baby af, zo had hij zelf plechtig meegedeeld. En wij mochten vereerd zijn dat hij dat met ons wilde vieren, daar bestond ook geen twijfel over.

Enfin, er waren slingers, caloriebommetjes, liedjes, veel volk met veel te veel geschenken. Er waren neefjes, een broer en een vriendje I., er was een gekke nonkel olifant, er was een fiets, er was een kroon die hij als zweetband gebruikte, er was een glunderende Fries. Net zoals er drie jaar geleden een glunderende en opgeluchte moeder was. Glunderend dat die tweede er was, opgelucht dat Chucky eindelijk een gezicht kreeg (iets met één zwangerschap te veel, was dat).

Hier is hij, de zo totaal niet meer baby Fries!

Kadootje van de broer!

Als je kleine broer iets doet, wat jou als koppige vierjarige niet aanstaat. Wat doe je dan?

– je zou je moeder kunnen roepen, met het risico dat je de hele dag meneertje klikspaan bent

– je zou je moeder kunnen roepen, met het risico dat die je vierkant uitlacht

– je zou in een hoekje kunnen demonstreren hoe koppig je kan zijn. Waarop moeder je straal negeert.

– je zou kunnen een boek in je broer zijn oog steken. Maar zo goed kan je nog niet mikken, dus gooi je ’t maar net eronder. Drama ten top, moeder holt eerst naar het huilende kind, waardoor jij de tijd hebt om je uit de voeten te maken. Tegen dat het bloed wat is gedept, de kleinste is gesust, heb jij al je zieligste gezicht overtrokken met een pak schuldgevoelens omdat dat zo hoort. ’t Hoofd schuin, een voetje dat de vloer streelt, vingertjes die de deur krabben (als dat tenminste nog kan, met die afgebeten nageltjes van je), en die ogen neer. Onderlip in pruilstand, ogen in waterstand.

Was ik kwaad? Minder alleszins dan dat ik verontwaardigd was. De kernlogica: “Mama en papa doen hier niemand pijn”, en dus “Jij doet ook niemand pijn”, krijgen we hier moeilijk uitgelegd blijkbaar. Boys.

Boekje hebben, iemand?

(foto op dag 1: ’t moest nog blauw worden blijkbaar)

Zo de moeder, zo de zoon

Er zit soms pijnlijk veel van mezelf in die oudste van me. Zo zijn er twee mindere eigenschappen die het kind onherroepelijk met zich meedraagt. Er zullen er nog wel meer zijn, maar laten we ’t nu maar even hebben over de twee die nu al zichtbaar zijn, dat lijkt al meer dan voldoende.

– Zo de moeder, zo de zoon – deel 1: Pietje Precies.

De oudste zoon is bangelijk, gruwelijk perfectionistisch. Een positieve mens zou dit oog voor detail noemen, voor een ander is het een ziekelijke neiging met veel tijdverlies tot gevolg. Hij is heel flexibel in wat hij doet, maar als hij iets doet, dan moet het juist zijn, af zijn. ’t Moet kloppen met hoe het in zijn hoofd zit, hoe hij het had gepland. Dit geldt voor zowat alle kleuteractiviteiten behalve kleuren, knutselen, … Precies (ah ja) alsof hij weet dat creativiteit en perfectionisme toch niet echt goed samengaan. Maar meneertje hier oefent zich intussen te pletter om zijn naam te kunnen schrijven, om te kunnen lezen, om toch maar die regenboogkleuren in de juiste volgorde te kunnen schilderen/kleuren (ROGGBIV is het codewoord, mensen). Enfin, ik kan het hem niet kwalijk nemen, eigenlijk. Want hou me maar eens tegen als er een veeg op mijn keukendeuren te vinden is of als er een handdoek of hemdje verkeerd geplooid is.

– Zo de moeder, zo de zoon – deel 2: Nagelbijterke

Zo op mijn zestiende besloot ik dat het genoeg geweest was, met dat nagelbijten. En van de ene op de andere was het gedaan. Met nagelbijten, dat wel. De velletjes dienden als troost, da’s niet voor echt. Met als gevolg dat het resultaat dus ook op niet veel trok. De oudste zoon combineert voorlopig beide, tot bloedens toe. Gisteren was hij zowaar aan zijn grote teen aan het sabbelen, wegens alle vingernagels en -velletjes al uitgetrokken en verteerd. Ik was zwaar onder de indruk van zijn lenigheid en wou dus weten of ik dat eigenlijk ook nog kon (affirmatief, zonder op iets te bijten weliswaar). Intussen worden mijn jeugdherinneringen weer wat levendiger: vingers in de mosterdpot, vieze nagellak die je op den duur wel leert te eten, handschoenen, beloningsmechanismen allerhande, en zelfs een spoedoperatie wegens een zwaar etterende vinger. En nog niet geleerd zijn. Wat ik me dus afvroeg: wat weet u over remedies tegen nagelbijten? Tijd gaat nu in.

En die dikke vingers? Heeft hij ook van mij. Maar da’s dan weer de schuld van mijn ouders 🙂