en toen had hij een vriendinnetje

Benne en A-mé-lie-tjeeeuh. Ziehier het nieuwe kleuterkoppel van dit trimester. Ik mag hopen dat meneer nog veel liefjes zal hebben, maar voorlopig is Amélietjeeeuh zijn vriendinnetje. ’t Is een beetje een vreemde relatie: ze trekt aan en stoot af, zo lijkt het. Ze zijn de beste vriendjes en plots doet ze hem dan pijn. Gelukkig is grote heldin juf Justine er dan nog om zijn liefje dan op haar plaats te zetten. Waardoor Benne dan weer medelijden krijgt met zijn lief en ze dan gaat troosten. Grote juffen moeten zich niet moeien met de relationele problemen van kleuters denk hij dan misschien.

Ik wacht de dag af dat hij zelf zal vragen om zijn haar in de gel te leggen omdat hij er mooi moet uitzien voor zijn ‘mooi Amélie-meisje’. Intussen doen wij hier vrolijk mee met de adoratie van Amélietjeeeuh. Straks even wat speciale opsporingsmethodes gebruiken om haar ouders te screenen 🙂

Friesjes taalprobleem

Die vele builen op dat kleine voorhoofdje van Mr. Blue Eyes doen er toch geen goed aan zo blijkt. De eerste gevolgen laten zich zien:

Het woord ‘kip’ wordt hier systematisch achterstevoren gezegd. Het woord ‘lolly’ wordt uitgesproken als ‘lillo’, ‘mama’ is ‘mapa’ of ‘pama’.

Het kind krijgt terug hongeraanvallen ’s nachts, waardoor meneer dan om half twaalf gezellig aan de keukentafel zijn potje corn-flakes verorbert. Als er geen hongeraanval gepland staat dan onderbreekt meneer wel de nachtrust voor een flinke huilbui, waar alleen Pingu en Hopla YouTube-gewijs redding kunnen brengen.

Bij onthaalmoeder Christa kruipt het ventje in bed bij andere kindjes. We zijn nog vergeten na te vragen of die activiteit geslachtsgebonden is, maar meneer klautert doodleuk als een halve aapmens zijn bed uit en probeert zo in het bed van de andere ‘kientjehs’ te komen.

Voor de rest alles normaal hier, en daar?

krentenbaard op de poep

Benne heeft een krentenbaard. Fries heeft een krentenbaard. Niet echt, want het is geen baard op hun gezicht. Benne heeft het op zijn billen, Fries op zijn schouder en op de borststreek. Een krentenbaard is Nederlands voor impetigo. Dat schijnt een huidinfectie te zijn, bacterieel dan nog wel. Dat begint met een wondje, waar een bacterie inkruipt (staphylococcen zo u dat wenst), en dat verspreidt zich. En dan krijgen die kinderen blaasjes, met vocht, en de blaasjes springen, waardoor dat vocht zich verder verspreidt. En nieuwe blaasjes maakt. Ze besmetten elkaar de hele tijd opnieuw, nog eens, overnieuw. Maar sinds gisteren is alles strikt gescheiden, en leven we hier in een superhygiënisch huis. Handen ontsmetten, washandjes en handdoeken strikt gescheiden, doeken koken na gebruik, wondjes afdekken, kleren één dag aandoen en de wasmand in, zowel die van overdag als ’s nachts, nageltjes kortgeknipt, … ’t Is niet gevaarlijk, je krijgt het wel gemakkelijk maar ’t gaat ook gemakkelijk weer weg. Met een klein beetje moeite van ouderswege.

En zo heb ik onze huisarts terug gezien nadat ik haar 6 maanden heb gemist wegens zomer en het volstrekt gezond-zijn van mijn twee koters. Ik vertrok en zei: “Tot binnen een maand!”, want de school is begonnen, de herfst is op komst en een nieuw leger bacteriën en virussen zingt de strijdliederen en staat klaar om mijn zonen te overmeesteren.

Oh, En als dit hierboven onder de categorie ‘ambetante schrijfstijl’ valt: lees dan vooral niet het boek van Robert Vuijsje, ‘Alleen maar nette mensen’. Ik heb me er door geworsteld, maar weet echt niet wat ik ervan moet vinden. Vreemd boek, niet mijn ding, even verfrissend om te lezen, daarna vooral meer van hetzelfde. Of ik heb het weer niet goed begrepen waarom dat boek die prijs heeft gekregen. Geef mij maar ’t boekske van Dimitri. Dat ’t met veel plezier gelezen is, dat.

En zo krijg ik Robert Vuijsje en impetigo in één post. Als dat niet boeiend gaat zijn voor de Google-machinerie zeg.

broerloze Benne

Kleine broer Fries bleef eens bij zijn grootouders, grote broer Benne ging mee naar huis. Dachten wij dat dat even leuk ging zijn: Benne alleen, alle knuffels en warme chocomelk voor hem alleen, rust in de auto op weg naar huis, … Niets van dat.

“Ma ik wil mijn broer tru-u-ug!”

“Ma mijn broer moe mee-ee-ee!”

“Ik wil bij Fiesje zijn!”

“Fiesje moet hier bij mij zijn!”

“Ik wil morgen nie na school, ik wil bij Fiesje gaan!”

En zo om de vijf minuten: “Wa’s mijn broer?”, “Wa’s Fiesje, istieweg?”, “Oekomtanu?”, …

Zou het dan toch nog goed komen tussen de broers Fiesewietie en Penneuh?

Na één week school

Na veel vijven, zessen en zevenen wil meneer Benne eindelijk de naam van zijn juf kenbaar maken. Tot gisteren maakte hij er een spelletje van en op de vraag: “Benne, hoe heet jouw juffrouw in de klas?”, zei hij gewoon “Ik weet het niet!”. Dit afwisselend guitig, gespeeld of ronduit kwaad omdat we hem zo’n moeilijke vraag durfden te stellen. ’t Was nochtans in het Nederlands.

De vieze beestjes in neuzen, kelen en oren hebben hun intrede gedaan, en de zakdoeken mogen hier weeral bovengehaald worden om loopneuzen en andere viezigheden te bestrijden.

Dat er meisjes in zijn klas zitten weet hij, dat het mooie meisjes zijn kan hij ook zeggen, dat die meisjes ook een naam hebben komt af en toe bij hem op, maar dat ze leuk zijn is nog wat anders. Of misschien wel leuk, maar alleszins geen vriendschapsmateriaal. Op de vraag of hij vriendinnetjes heeft antwoordt hij steevast ontkennend. Vriendjes, dat wel.

Als de vraag eindigt op ‘mee’, ‘eten’, ‘doen’ of ‘hebben’ dan steekt Fries nog vlugger dan zijn schaduw zijn hand omhoog en slaat er een welgezinde ‘ikkeeeeeuh!’ uit. Wie gaat er mee, wie wil iets eten, wie wil dat doen of wie wil dat hebben: Fries dus.

’t Kleinste kind kent ook al zijn broer, Penneuh en zichzelf, Fiesjeuh. Mapamapa is voor als hij dringend zijn beide ouders wil spreken. ‘Melkeuh’ is als de vent wat melk wil achteroverslaan en ‘neeje’ spreekt voor zich. Dat laatste horen we hier al te veel.

Beide jongens hebben besloten niets meer met elkaar te delen (how wussy is dat zeg), maar om des te meer alles van elkaar af te pakken. “Afpakken is leuk, hé mama?”. Niet dat ze mijn mening daarover vragen, eerder proberen ze me te overtuigen van het positieve, voor jezelf leren opkomen heet dat. Met blauwe plekken, bloedlippen en half verstuikte polsen als gevolg.

En Bennes favoriete beest is het liegebeest. Of is het het fantasiebeest? Even overwegen hoe we zijn fabeltjes gaan aanpakken, want meneer heeft het precies niet goed door dat sommige mensen het niet appreciëren als je rondbazuint dat ze hun behoefte doen in de woonkamer en dat hij dat vervolgens volgens regelrechte kinderarbeidsnormen moet opkuisen. Dat hij vliegende leeuwen op het plafond ziet, tot daar aan toe. Dat hij vaak achtervolgd wordt door een beer, tot verder nog aan toe. En zelfs een blauwe olifant in zijn bed mag gerust blijven slapen. Maar verder dan dat is het geen spelletje meer, hoe grappig hij zijn verzinsels ook mag vinden.

Friesewietie (sic Benne) heeft nu ook zijn eigen woordenboek, geproduceerd door opa Gerrit. ’t Kind zegt gezwind zijn woordjes op, geeft er hier en daar een eigen invulling aan, en vindt het vooral ongelooflijk geestig om te demonstreren wat hij allemaal kan. En wij vinden dat nu ook eens.

Friesjeswoordenboek

’t is weer van dat

MSBF09Sep 021Eerste schooldagen en ik, wij gaan nooit dikke vrienden worden, neen. Dat zijn dagen dat ik het liefst in een hol ver weg onder de grond wil kruipen. Met mijn twee zonen bij mij dan, laat dat duidelijk zijn. Hij zag het eerst nog goed zitten, die blonde god van me. Maar het overweldigende aantal kindjes op de speelplaats deed hem van gedacht veranderen. En daar kon geen snoepjes uitdelende Robin Hood of Roodkapje iets aan doen. Hij nam zijn snoep op de speelplaats en liep terug naar mama. Mama die nog mooi achter het poortje stond omdat ze dat nu eenmaal vragen dat je niet met je kleine de speelplaats op springt. Na een kort veldonderzoek bleek dat heel wat ouders toch met hun peuters en kleuters de speelplaats op paradeerden wat voor moeder hier voldoende was om aan dit kuddegedrag mee te doen.

Moeder aldus op de speelplaats, juf gezocht, blonde god aan juf gegeven, en met zowat één kubieke meter beton in haar maag terug naar huis. Ik heb me heel flink gehouden, toen ik over de speelplaats liep kon men nog denken dat ik gewoon een snotneus had. Eens in de auto heb ik mezelf vervloekt geen zakdoek bij te hebben. Waarvoor zou ik die trouwens nodig hebben: ’t kind gaat graag naar school, ’t is al de tweede keer dat we van eerste schooldag spelen en alles went.

Vergeet het maar, in zijn zesde jaar secundair zal daar een oude taart staan snotteren aan de schoolpoort. Hij zal met zijn ogen rollen, zuchten en hopen dat niemand van zijn maten zijn moeder heeft gezien.

combinatie buggy – station

Ik moet erover gekeken hebben deze morgen. Dat kan gewoon niet anders. Onmogelijk dat een station, en meerbepaald de perrons, heden ten dagen onbereikbaar zijn voor al wie om één of andere reden wielen onder zijn billen nodig heeft. Ik hoop dus echt dat ik die belangrijke toegang voor moeders-met-buggy-en-één-of-meer-kinderen-aan-hun-arm, rolstoelgebruikers, … niet gezien heb.

Het station: dat van Kortrijk. Het tijdstip: zaterdagmorgen. Een hel voor wie langs dat station met de auto moet passeren, vandaar dat ik de achterkant neem. De reden: Benne ging met zijn grootouders een neefje Stan een dagje zooën en moeder werd gevraagd de betreffende kleine naar het station te brengen. Omweg, vertragingen, zaterdagmorgenfile’s, … u kent dat wel. Fries mocht niet mee, die is nog een beetje te klein en met hem erbij hadden ze zeker één of andere giraf in hun rugzak zitten. De papa van de kleine die wel meemocht, tevens ook de papa van de kleine die niet meemocht, moest van welkom en slurp en chit-chat doen op school, dus mocht moeder met twee kleine, een buggy, een draagtas, en haar eigen lijf op stap naar perron 3 in Kortrijk. Dit met tussenstop in de hall omdat we daar hadden afgesproken.

  1. Ingang langs de achterkant van het station: geen probleem, daar is een heel mooi hellend vlak.
  2. Uitgang richting hall (om zo uw ticketje te halen en al, dus wel een tamelijk cruciaal punt): via trappen of roltrap, waarvan die laatste niet werkte. Benne naar boven laten stappen, Fries naar boven laten kruipen, buggy opgeplooid en met een buggy in de lucht achter Fries naar boven stappen. ’t Kind moest eens vallen.
  3. Naar de hall: geen problemen.
  4. Naar perron 3 via ondergrondse doorgang: Kinderen meenemen op de trap naar beneden, buggy boven laten staan. Buggy mee naar beneden. Kinderen zijn gelukkig braaf en blijven staan.
  5. Naar perron 3, trap naar boven: buggy laten staan, kinderen meenemen naar boven. Buggy blijft beneden staan. Ik ben het intussen zo beu dat ze hem van mijn part mogen meepakken.
  6. *zwaai zwaai zwaai naar Benne op de trein*
  7. Met Fries naar beneden, gaat vlot want geen buggy.
  8. Fries in de buggy, en met die twee trappen naar boven. Halverwege de trap komt een behulpzame meneer me tegemoet. Yes.
  9. Langs de inkomhall, terug naar beneden via de andere ondergrondse doorgang die leidt naar het hellend vlak aan de achterkant van het station. Halverwege de trappen komt deze keer een mevrouw me helpen. Yes2.
  10. Slof slof slof naar de auto.

Ik ben er mijn goed humeur niet door verloren. Waarom? Omdat ik er gewoon van overtuigd ben dat dit niet kan, ik moet een belangrijke ingang gemist hebben om van de achterkant van het station naar de voorkant te raken, en dit zonder 2 trappen te moeten doen, of een kilometer om te wandelen. Dat de toegang tot een perron niet wielgericht is, tot daar aan toe. Maar dat je van de achterkant niet deftig naar de voorkant kan met een buggy? Ik heb gewoon die ingang gemist. Zo stom kan geen enkele ingenieur zijn 🙂

’t school begint

Nog zoveel keer slapen en Benne kan terug naar school. De van onversneden drama voorziene scènes vorig jaar (bij de moeder welteverstaan) zullen dit jaar niet te zien zijn. Blijgezind, welgemutst, hieplahoi starten wij de eerste september. Ik heb er alle vertrouwen in, zeker nu hun kleuterklasjes zo mooi vernieuwd zijn.

Benne is nog niet helemaal overtuigd. Hij wil enkel maar naar school als hij bij dezelfde juf kan blijven. Aangezien hij nu nog mooi het tempo van zijn leeftijdsgenoten kan volgen vinden wij het dus een beetje overdreven om hem nu al zijn jaar te laten dubbelen bij dezelfde juf. Wat trouwens ook niet zou werken aangezien je dan toch sowieso naar een andere juf vliegt. Hechting is goed, maar ’t mag ook niet te veel zijn.

Kilo’s overtuigingskracht hebben wij hier al mogen gebruiken om Benne duidelijk te maken dat juf Griet en juf Hannelore ook wel leuke juffen zijn, dat ze heel veel en mooi speelgoed hebben, dat hij daar ook nog op de glijbaan mag spelen, dat ze ook een broek zullen dragen om aan te hangen, dat het in de hoek staan enkel van hem en hem alleen zal afhangen, dat het lieve juffen zijn, knuffeljuffen, dat Jules zal meegaan met hem, dat de nieuwe juf ook nog chocomelk en koekjes heeft, dat ze ook mooi kan zingen en veel in haar handen klapt, dat hij ook nog bij haar aan het handje mag lopen als hij eens een minder dagje heeft, dat hij een nieuw symbooltje krijgt: eentje voor grote jongens, … en zo gaat dat maar door.

Maar nee, op het einde van ons betoog zegt meneer met een daadkrachtige stem: Ik wil juf Julie, geen andere juf. Alleen juf Julie.

Ik kan daar alleen maar gelukkig om zijn eigenlijk, ’t moet zijn dat het kind de tijd van zijn leven heeft gehad het afgelopen schooljaar. Juffen in de basisschool: hou jullie klaar om hem van ‘zijn’ juf Julie af te trekken, de eerste september 🙂

lakentjesoorlog

Wat weet u allemaal over mijn zonen en hun slaapgedrag? Dat de term ‘slaapgedrag’ op zich al een overstatement van jewelste is. Niks patroon, regelmaat, doorslapen, niet doorslapen. ’t Is elke keer spannend of ze een nachtje doorslapen of niet, of ze wakker zullen worden met luid gekrijs of met zacht gesnik, of ze meteen te troosten zullen zijn, of ze een duivel uit te drijven hebben, of er dromen of nachtmerries moeten verwerkt worden (“Stoute meisjes in mijn kamer die jongetjes pijn doen” zoals Benne beweert), … Ik heb me er al bij neergelegd: ’t zijn twee slechte slapers, ze worden vaak wakker, ze hebben heel weinig slaap nodig (slapen is voor mietjes, weet u), ze zijn heel beweeglijk én ze pakken de lakens of dekens of ze duwen ze net weg. En dat laatste steekt ons tegen, niet een beetje weinig, maar een beetje heel veel dus. Ik heb veel over voor mijn zonen maar Ze. Moeten. Van. Mijn. Mijn. Mijn. Lakens. Afblijven.

Als je dan bij je ouders mag slapen, gedraag je dan tenminste, zo vinden wij. En als je moeder in de zomer liever onder een lakentje ligt dan jij, begin dan niet meteen dat laken weg te stampen zodat jij in alle vrijheid alle hoeken van het bed kan verkennen en je moeder mag tevreden zijn dat de muggen tenminste niet aan haar tenen kunnen. En als het winter is, trek dan niet het hele deken naar je toe, we liggen er met drie of met vier, weet je? En opstaan met een pijnlijke rug omdat je de hele nacht in de kou hebt liggen slapen heeft wél een effect op je humeur. Kijk dan ook niet zo raar als ’t niet elke morgen van ‘goeiemorgen, goeiedag’ is. ‘k Heb het tegen jullie, liefste zonen. Begrepen, verwerkt en opgeslagen?

gearrangeerd

Nee, we doen daar niet mee, aan van die gearrangeerde huwelijken. ’t Kind moet zelf een keuze kunnen maken en wat er nu zus uitziet kan er over twintig jaar zo uitzien. Dus krijgen die zonen alle keuze die ze willen. Edoch: babyborrels in de vriendenkring zijn een ideale manier om eens te taxeren hoe de huwelijksmarkt er over twintig jaar zal uitzien. Even de potentiële kandidates screenen en tot het besluit komen dat dat wel goed zit. De markt in het Gentse mogen ze nog aanboren, dat valt nog goed te bereiken met het openbaar vervoer zodat moeder of vader niet elke zaterdag één of twee van hun zonen naar het liefje zullen moeten voeren. Nu, als het niet zou lukken bij de meisjes, mogen de jongens ook nog wel gezien worden. Knap volk daar in Gent. Fries stond gisteren al tegen ’t muurtje met een meisje en Benne was de slimmerik/betweter/encyclopedie aan het spelen tegen al wie jonger was dan hem. Zo wees ene juffrouw T. naar een vliegtuig dat langsvloog en riep: “Vliegtuig!”. Benne gaat op anderhalve centimeter van haar neus staan, kijkt indringend in haar ogen en zegt: “’t Is een groot vliegtuig hé, een groot!”. De juffrouw was voorlopig niet onder de indruk maar Benne had toch zijn punt kunnen maken. Volledigheid is alles.