Gps: 1 gebruiken + 2 gratis!

Voorlopig redden wij het hier nog wel zonder gps, ja. Zelf heb ik al vaak gevloekt toen ik weer eens verkeerd was gereden en in het grote Vlaamse wegenboek mocht zoeken in welk hol ik me nu weer precies bevond. Maar voor het gemak (en om echtelijke ruzies te vermijden ook :-)) hadden wij dit weekend een gps in bruikleen. Dat was vooral heel leuk voor de twee zonen, aan wie we uitgebreid mochten uitleggen ‘wat die mevrouw in dat bakje zat te doen’, ‘waarom die mevrouw zo raar sprak’, ‘hoe die mevrouw wist waar wij naartoe wilden gaan’ en vooral: ‘waarom die mevrouw zei dat we moesten slaan’:

Mevrouw van de gps: “Aan het volgende kruispunt, links afslaan. Linksssss afslaan.”

Benne: “Mamaah, papaah, op wie moeten wij slaan?”

Bovendien hadden we ook onze live-echo’s mee.

Mevrouw van de gps: “Aan de volgende rotonde: neem de derde afslag. Derde afslag.”

Benne en Fries: “Derde afslah hé papa, derde afslah, dééérde afslah!”

Rij daar eens een weekend mee rond zeg…

Van die keer dat ze totaal! niet! moe! waren.

Of anders gezegd: de eerste september. En hoe ze zich niet wilden geven, en maar buiten bleven spelen, met de onnozelste dingen eerst. Hoe Fries bleef zeggen dat hij morgen nu echt wel naar Bennes klas mag, en dat Benne blijft beweren dat hij bij ene juf Marijke zit. Hoe ze steevast bleven ontkennen dat het begin van het schooljaar toch niet zo goed was meegevallen (‘ik heb niet geweend hé mama’, dixit  Benne) of niet zo goed was geëindigd (‘ikke nie weent heb, mama’, dixit Fries).

Hoe ze al bekend staan als de broertjes die niet zonder elkaar kunnen, die regelrechte slachthuisgeluiden laten horen wanneer de speeltijd-is-over-bel rinkelt en ze terug naar hun eigen klas moeten.

Eerlijk? Ik zal blij zijn dat ik ze volgende week niet meer naar school hoef te brengen. Zo zie en hoor ik al dat hartverscheurend theater niet meer. Of ik daarmee geruster richting werk zal vertrekken? Waarschijnlijk niet, maar ik kan maar hopen dat het afscheid van hun vader wat minder hysterisch zal verlopen dan het afscheid van hun moeder. Al zie ik het natuurlijk wel als een pluspunt dat ze bij mij wél huilen en bij hun vader niet. Moeder scoort! Een bleitend kind! Twee zelfs!

Dag koek, dag clown, dag klas, daaag moeder!

Kort.

Fries komt aan de schoolpoort, mag ‘zijn’ speelplaats op. Er staan (dankuwel oudercomité) een clown of twee, een Mega Mindy en een stuk of wat andere figuren die ik me niet meer herinner wegens te veel focus op twee zonen. Terwijl ik nog officieel vraag in welke klas de twee zonen zitten, ziet Fries een koek, een clown, zijn heldin van dit schooljaar (‘juf Hannelore Pannelore’), en stapt vol vertrouwen vooruit. Koek in de ene hand, jufs hand in de andere en weg is hij. Geen enkele keer keek hij om.

Een ander verhaal bij Benne: trillende onderlip, sussende juf (‘juf Carole bollewol’), huilend kind, moeder met krop en nog van die toestanden. Schuldgevoel ook, je komt midden in de nacht thuis, na drie dagen werkafwezigheid, ze zien je even ’s morgens en dan ga je ze doodleuk op school afzetten. Ik zou het begrijpen als dit zijn eerste trauma is.

Na vijf minuten nagelbijten van moeders kant hangt Benne alweer de wijsneus uit, en stapt Fries binnen in het grootste avontuur van zijn jonge leven.

En er is progressie! Namelijk:

2 februari 2009, eerste schooldag Benne: de hele weg bleiten, thuis ook nog de hele dag zielig ‘rondgetsjoold’.

1 september 2009: tweede eerste schooldag Benne: bleiten tot 5 km van school en op 3 km van thuis. Ook zielig, maar niet meer tsjoolen, eerder gewoon rondlopen.

1 september 2010: derde eerste schooldag Benne, eerste schooldag Fries: bleiten tot 1 km van school en 7 km van thuis. Niks zielig gevoel, trots ben ik. ’t Komt nog helemaal goed 🙂

Duimen voor 1 september

Duimen dus.

Niet voor kleine Fries die met zijn veel te grote boekentas, zijn veel te nieuwe schoenen, zijn veel te grote koek naar de peuterklas zal stappen. Maar, afgezien van hysterische huilbuien als moeder vertrekt ziet het jongste kind het heel goed zitten. Vooral nu hij zijn juf al eens op foto heeft gezien en ze heeft kunnen goedkeuren.

Ook niet voor grote broer Benne, die ook met zijn veel te grote boekentas, veel te nieuwe schoenen en veel te grote koek naar de tweede kleuterklas stapt. Hij kent ook al zijn nieuwe juf en vindt het ‘sjiek’ dat de door ons uitgeroepen broer van klaspop-van-de-eerste-kleuterklas-Jules met hem zal meegaan naar de nieuwe klas (een zeker Pompom zou die pop heten). En ook grote broer heeft zijn juf goedgekeurd. Hij moest het eens anders proberen.

Wel duimen voor moeder, dat ze op tijd terug mag zijn van een 3-daags werktuitstapje naar Duitsland, dat ze overal net haar trein kan halen, dat ze woensdagmorgen fijn haar drie venten mag wakker maken en zingen dat het de eerste schooldag is (iets in de trant van: “t Is vandaag mijn eerste schooldag, o wat ben ik toch zo blij!).

Heel lief gezongen voor de twee kleinste ventjes, een beetje lachen met de oudste vent. Die zonder boekentas, zonder nieuwe schoenen en zonder koek naar school moet. Zo benadeeld worden, zeg.

Vloeken en zo

Als de moeder kwaad is of als iets niet lukt dan durft ze nogal gauw het woordje ‘sh*t’ op allerlei toonhoogtes en volumes uit te spreken. Bij de vader glippen woorden als ‘vrdmme’, ‘miljaarde’, of ‘gdvdmme’ uit de mond.

We vloeken sowieso al bijna nooit (ik begin tegenwoordig nog eerder te kuisen van colère dan dat ik zou roepen), en als we die woorden zeggen is het zelden in het bijzijn van de zonen. Maar toch, die monstertjes vangen zowat alles op, ook woorden die ze in school, bij familie, bij vriendjes horen. Dus hadden we er hier twee rondlopen die nogal graag, zo voor de fun weet u wel, bepaalde vloektermen wilden gebruiken. Maar dan meer als ‘potverdimme’ en ‘potverdomme’. Toen de ‘pot’ op een bepaalde dag vervangen werden door ‘god’ was er voor mij persoonlijk niet echt veel verschil (want in West-Vlaanderen spreken we hier van ‘hod’, dus Wuk? What’s the problem?), maar er zijn sociale normen, mensen die snel gechoqueerd zijn door zo’n dingen, dus moest er weer wat opgevoed worden.

Gevolg: we hebben ze weer wat nieuwe woordjes aangeleerd en horen nu, bij de minste frustratie van de zonen, woorden als ‘potvolkoffie’, ‘potvolchoco’, ‘sapristietjes’, ‘drommels drommels’, ‘potvolthee’. Fries zou er nog wel eens een ‘potvolkaka’ aan durven toe te voegen maar dat kind zit zo diep in zijn pipi- en kakafase dat we vrezen dat hij schoonmaker van septische putten zal worden.

Dus als u ooit een halve janet ziet staan stampvoeten, met de handjes in de zij, en hoort roepen dat het allemaal weer heel erg potvolchoco’s is: ’t zal er één van de mijne zijn.

verlatingsangst

Zo net voor je naar school moet gaan, dat is wel een goede periode om eens een ontwikkelingspsychologische inhaalbeweging te doen. Niet waar, kleine lieve Fries van me?

Je moeder eerst vol vertrouwen dat nieuwe schooljaar tegemoet laten zien, zorgen dat ze er allemaal heel gerust in is, dat die eerste schooldag van jou heel goed zal meevallen, want dat je er klaar voor bent en nog van die dingen die ouders zichzelf wijsmaken om het schuldgevoel wat te temperen.

Heel enthousiast praten over klas en skool en juffouw en koekjes eten en spahettieee eten op skool, over leren knutselen, tekenen, singen, tansen en turnen. Over poekentas en nieuwe soentjes, over A. en S. en R. die ook mee naar de grote school gaan. Over ‘Fries nie meer baby é, Fries naar de klas, Fries grote, flinke jongen‘.

Zo ging dat dus de laatste weken/maanden. Met een air dat hij wel eens even vlug die eerste kleuterklas zou doorlopen om dan in rechte lijn naar zijn dokterspraktijk te wandelen. Tot een maand geleden.

Intussen heeft meneer zijn nieuw plan klaar en dat is het ‘start-to-krijs-wanneer-je-moeder-er-nog-maar-aan-denkt-om-haar-rug-te-draaien’. Krijsen dus, gecombineerd met dikke, natte tranen, een occasionele snottebel en het door merg en been snijdende “Mah-maaaaaah!!!”. Zo aanstekelijk blijkbaar dat Benne de helft van de tijd gezellig meedoet.

Wat kijken we hier uit naar 1 september zeg. Kleine zakdoek voor Benne en Fries, donsovertrek voor moeder.

Met de voeten op de grond

Dat M., één van die twee rakkers die hier regelmatig de boel mee helpen verbouwen, graag de dvd van Sinterklaas wou zien.

Dat Benne toen zei dat hij Sinterklaas al een paar keer in het echt had gezien.

Dat M. vroeg of dat echt echt écht waar was? En dat hij vroeg of de Sint hier ook langskwam.

Dat ik zei dat de grote Sinterman Benne en Fries zeker wist wonen, en dat hij hier al elke keer op 6 december is langsgekomen, ondanks vele dreigingen van het tegenovergestelde als die van ons weer eens niet wilden slapen, opruimen, luisteren, gewoon willoos hun ouders volgen zonder al te veel protest 🙂

Dat M. zei dat hij zo blij was dat de Sint hem vorig jaar ook had gevonden, in het grote huis waar hij nu woont, en dat hij toch waarlijks, waarachtig, warempel, alle Sinterklazen nog aan toe, vorig jaar een bal had gekregen. Het. Kind. Had. Een. Bal. Gekregen. Een bal, dus. En daar was hij zo oprecht content mee, na 8 maanden nog altijd. Van Sinterklaas een bal krijgen, stel je voor.

En dat mijn twee koters waarschijnlijk aan een grandioze zoektocht zouden beginnen mocht hier op tafel enkel een bal liggen te pronken, ze zouden er het leuke niet van inzien.

En dat M. vroeg of de Sint wel zou weten of hij nu ook naar hier kwam (opportunisme is van alle leeftijden en van alle kinderen :-))

En toen zei ik, trots van hier tot Sinterklaasland, dat ik de Sint en alle zwarte pieten van de wereld persoonlijk zou verwittigen dat hij zijn zak mag vullen voor vier als hij naar hier komt.

En toen begonnen mijn ogen precies een beetje te pieken. Seut die ik ben.

Kind van de natuur

Ardennen – Aquascope (een aanrader trouwens) – we zien een hoop bijenkasten en zelfs zo’n bijenraat (de zeshoekjes) achter glas. Ook achter glas: zo’n duizend wriemelende bijen.

Moeder begint aan een hele grondige uitleg over bijen en wat ze daar precies doen, en over honing, blah blah, en de imker die de honing komt halen, blah blah, … Moeder vraagt aan Benne of hij wel weet waar die bijtjes hun honing vandaan halen?

“Ah mama, uit een potje, in de kast van de keuken hé”

Geduld is een schone deugd…

… maar dat mag je overduidelijk niet verwachten bij een vierjarige.

En al zeker niet als je kleine broertje van twee jaar en een klets je de korte blonde haren uit het hoofd zou doen trekken met zijn standaardvraag dezer dagen: “waajomwaarom*?”

De grote mensen maken er intussen weer een sport van om daar de onnozelste antwoorden bij te verzinnen (“waajom waarom ma’k geen ijsje?” – “omdat het crisis is jongen, en mocht dat op te lossen zijn met ijsjes, je moeder hier al gauw een voltijdse job van zou maken” of “Fries, dat is nu jouw grote kamer, daar mag jij straks in slapen” – “Waajom?Waarom” – Omdat je voetjes anders in die spijltjes van je babybed zullen groeien en dat het zo moeilijk wandelen is naar school, zo met spijltjes rond je voeten”).

De grote broer krijgt het op zijn heupen, op zijn darmen, op zijn hele gestel van die hele waarom-fase en mag zich intussen ervaren oogroller noemen. Eén keer wil hij zo’n vraag beantwoorden, de tweede keer is hij al wat korter van stof en de derde keer hoor je: “Ma Fries, seg, ik heb het al twéééééé (zwaait met ongeveer alle vingers om de buitensporigheid van dit aantal te benadrukken) keer gezegd! Goooh…”

Wijsneus zijn is geestig, maar niet als je jongere broer de hele tijd domme baby-vragen stelt…

*’t is niet omdat de moeder nog altijd niet deftig de ‘r’ kan uitspreken, dat de jongste zoon het niet zou kunnen. Vanavond getest en djie keej kon hij het zeggen.

Elementaire beleefdheid… voor jezelf

De oudste zoon heeft hier nogal de neiging om in termen van willen en moeten te communiceren. Meneer wil een boterham, meneer wil een tas melk, meneer wil naar buiten, meneer moet iets hebben. Hij zou ondertussen wel mogen weten dat zijn ouders daar behoorlijk doof voor zijn, tenzij hij het ‘mooi’ vraagt, zoals wij hem hier dan uitnodigen om het eens beleefd te formuleren. Samen met de evolutie van zijn taalgebruik ging dat dan als volgt:

“Ma’k noepje abliebt?”

“Mahhuk(*) een snoepje asjebliebt?” (*dat West-Vlaams is gewoon aangeboren)

“Mag ik een snoepje asjeblieft?”

Dat zit dus wel snor, die vragende vorm.

Een tweede ding is het dankuwel zeggen, maar daar hebben beide zonen eigenlijk nooit een probleem mee gehad. Wel was er de nodige verwarring bij het geven van iets (“asjeblief Benne, asjeblief Fries”), wat zij dan moesten beantwoorden met een dankjewel. Heel vaak ging het zo:

“Asjeblief Benne, je tas melk.”

“Asjeblief mamaaaa!”

Nu ze weten dat het codewoord ‘danku’ is als je iets hebt gekregen beginnen ze zichzelf te bedanken. Na het zelf smeren van een botherham bijvoorbeeld zegt Benne:

“Danku voor mezelf, Benneeuh!”

Welja zoon, als moeder wil ik je ook oprecht bedanken voor jezelf, ’t is fijn met zo’n kereltje als jij 🙂