de overdraagbaarheid der dingen

Dat ’s ochtends traag moeten wakker worden: dat heeft Benne mee van mij. Ik had dat ook toen ik jonger was maar extra activiteiten zoals werken en moederke spelen hebben me doen besluiten dat zo’n dingen niet meer kunnen. In de winter moest ik ’s morgens een kwartier met mijn rug voor de verwarming zitten, en na dat kwartier voor me uit zitten staren begon ik dan voorzichtjes aan een drukke dag vol puberperikelen.

Die neiging om altijd onder dekentjes te kruipen: dat heeft Benne mee van mij. Ik ligt niet zo graag ‘onbedekt’ in de zetel. ’t Mag zelfs een tropische zomernacht zijn, ik lig altijd onder een laken. Herfst- en winteravonden vind ik dus best gezellig, zolang ik mijn fleecedekentje over mij en mijn oudste zoon kan gooien.

Dat onbezonnen gedrag, geen gevaren herkennen, nijdig worden als je iets niet kan, blijven proberen: dat heeft Fries mee van mij. Ofwel zijn we één en al zen en blijven we proberen tot het lukt, soms uren aan een stuk met hetzelfde ding bezig zijn. Ofwel worden we nijdig en gooien we de oorzaak van onze frustraties aan de kant. Fries kan het nog, zo’n potje stampvoeten. Mij hebben ze gezegd dat dat niet meer past eens je als volwassene wordt beschouwd.

Het lachebekje spelen: dat zou Fries dan ook een beetje hebben van mij. Ik was volgens mensen die het kunnen weten een erg vrolijk kind: altijd vriendelijk, blij en opgewekt. Ik kon zelfs grappig zijn en ik was bijzonder lief. Als ik me nu soms bezig zie, vermoed ik dat ik ergens een zusje moet gehad hebben waarmee ze me verwarren 🙂

De liefde voor boekjes en boeken: allebei hebben ze ’t mee van mij en hopelijk mag dat ook zo blijven. ’s Avonds boekjes lezen in bed, nog één kwartiertje voor het slapengaan. Leeuwen zien onder tafel, olifanten op het plafond, vliegtuigen in je hand en vlinders in je haar. Ik kon het allemaal goed bij elkaar verzinnen, en die jongens van me blijkbaar ook wel.

De liefde voor water, een bad, zwemmen, plonsen: ook weer van mij. Als ik ze zo in bad zie spelen en de halve badkamer zie onderspatten heb ik eigenlijk meer zin om gewoon mee te doen. Maar ’t schijnt dat je je dan als moeder kordaat moet opstellen en zeggen dat zoiets niet past, dat ze geen water uit het bad mogen gieten.

Ik zou het wel eens fijn vinden om zo’n genenkaart te hebben, met alle eigenschappen van mijn zonen. Gewoon om te weten wat ze allemaal hebben doorgekregen van hun ouders en of ik daar al dan niet blij mee moet zijn.

Billengeschud

Als de oudste zoon het waagt om eens wakker te blijven als hij van school komt kan je hem zo nu en dan eens iets vragen. Als die ondervraging rustig en niet te overdonderend gebeurt krijg je dan ook nog wel eens een antwoord. En als hij helemaal in de mood is zou hij zelfs na 7 laaaaastige uren op school wel eens een heel verhaaltje durven te vertellen. Dat hij heeft mogen turnen met meester T., dat hij heeft geschilderend, dat hij warme soep heeft gedrinkt deze middag, dat juf Sjustien hem een stempel heeft gegeeft, dat er weer een goed potje gebeten is in de klas, dat er veel fjiendjes gewenend hebben, ma ikke niet hé, ik ben flink!

Die blonde god: hij smeert zijn eigen boterhammen als wij het niet vlug genoeg doen, hij doet zijn kleren meer af dan aan, doet zijn jas en boekentas aan en legt zijn jongste broer de fundamentele beleefdheidsregels uit (Fjiesje, je moet wel danku seggen hé, so: Dank-u!). Hij zegt na één dag oefenen een gedichtje op, kan liedjes zingen en kent zowat de namen van alle kindjes in zijn klas (20, alstublieft!). Ik ben nog altijd verwonderd en loop te zweven als ik zo’n dingen zie en hoor.

Maar ook: ’t feit dat die jongste van me, dat huppeldepupje van zo’n 20 maanden oud, dat hij zo met zijn billen loopt te schudden zodra er twee noten elkaar opvolgen in minder dan 5 seconden, dat hij met zijn handjes loopt te zwaaien, het hoofd ritmisch beweegt, dat gaat er bij mij niet in. Dat hij dat al kan? Ik die had gedacht dat hij eeuwig klein zou blijven? Dat hij zo al eens een hele zin zou durven uitspreken (ma ik zit ier! mama buitekijken an deu(r)), dat hij zelf op stoelen en tafels kruipt, dat hij zelf de trap opkan, dat hij zo ongelooflijk hard probeert om zijn grote broer te zijn. Echt, ik vind dat nogal verwonderlijk. Dat die baby mijn baby niet meer is. En dat dat toch allemaal net iets vlugger gebeurt dan ik had verwacht. Snif.

Kijkt ne keer hier!

*start stoef*

Om maar even droog mede te delen dat mijn allerliefste oudste zoon het verschil kent tussen een dromedaris en een kameel. En dat terwijl ik er jaren over gedaan heb om daar niet meer over te twijfelen omdat iemand me ooit heeft wijs gemaakt dat het beest met de meeste lettergrepen ook het meeste bulten heeft. Dat slim zijn heeft hij dus duidelijk niet mee van mij 🙂

Mijn ‘regeltje’ om de kameel te onderscheiden van de dromedaris: ka-meel heeft twee lettergrepen dus ook twee bulten. De dromedaris is dan die andere. Hoe hij het doet is me een compleet raadsel, maar zei ik al dat ik hem dus bijzonder slim vind zo?

*stop stoef*

verhaaltje voor het slapengaan

3376341-lgAls je weer eens veel te laat naar bed gaat mag je er zeker van zijn dat die liefste kinderkens van je ook van plan zijn om dan meteen maar je hele nachtrust naar de knoppen te helpen. Eerst Benne die als een halve brulkikker in zijn bed voor zich uit zit te staren, wel met bijpassend gehuil en geroep. Daarna Fries die heeft  beslist om die nachtelijke pamper eens goed in te soppen, met verversactiviteiten tot gevolg. Volgende stap: die twee terug in slaap krijgen. En ja, dan leest een mens wel eens een verhaaltje, of je verzint er gewoon één wegens te lui om een boek te halen. Hier komt het:

Er was eens een blauwe koe. Helemaal blauw, zonder ook maar één wit, bruin of zwart vlekje. De koe stond al jaren in de wei en had van zichzelf niet door dat ze een beetje anders was. De andere koeien hadden er ook niet echt een probleem mee wegens veel te druk bezig met grazen en drinken. Op een dag gooide iemand een spiegel in de weide (foei, sluikstorters!). De koe zag dat zij als enige blauw was en de zoektocht naar de oorsprong van haar blauwigheid begon. Ze ging op wandel en zag plots een regenboog. “Goh”, dacht ze, “misschien ben ik wel bestraald geweest door een regenboog, en ben ik daarom blauw.” De goede fee rinkelde een belletje om de koe te laten weten dat dit niet het goede antwoord was. De koe ging verder op stap en kwam tenslotte op een prachtige weide vol met blauwe bloemetjes. “Dat is het, ik heb gewoon teveel blauwe bloemetjes gegeten”, dacht ze. Opnieuw rinkelde het belletje. Vele uren later begon de zon te schijnen en de lucht was heerlijk felblauw. De koe dacht bij zichzelf dat ze misschien wel te lang onder de zomerhemel had gestaan en dat de blauwe lucht zo op haar was afgebladerd. Nee, weer niets, het belletje rinkelde opnieuw. Al een beetje moe van het vele stappen en het nadenken overwoog de koe om de genetische kant van de zaak te bekijken. Ze ging naar mama koe en papa stier, zag dat deze allebei mooi bruin waren en witte vlekken hadden. “Vreemd”, dacht de koe, “hoe kom ik dan in godsnaam aan mijn blauwe kleur?”. De koe vroeg het aan haar moeder. De moeder begon te giechelen en de papa proestte het uit. De koe wist dat ze bij haar ouders het antwoord zou vinden. “Maar wat is er nu toch gebeurd dat ik zo blauw ben?”, vroeg de koe ongeduldig. “Wel, mijn lieve kleine koetje”, zei de mama, “toen jij heel klein was, ben je in een vat vol blue koeracao gevallen…”

Echt, neem het me niet kwalijk, ik was moe en dan vind ik alles grappig. Fries was wel gestopt met huilen, ha!

*foto photo.net – Marc Aubry*

Gezocht: vast babysitteam

Soms bellen wij hier de mevrouw van de Gezinsbond en vragen haar heel lief of ze nog een babysitter in voorraad heeft voor ’t komende weekend. Dat moet wel zo’n 3 dagen op voorhand gebeuren en dat is al een eerste probleem. Ik weet meestal niet op woensdag of ik op vrijdag of zaterdag veel goesting zal hebben om of een 20-jarig fuifnummer of een 30-jarige huismus te zijn. Vaak heb ik dus geen babysit op vrijdag of zaterdag, maar zit ik wel te wriemelen in de zetel wegens veel willen: zoals weg, glas drinken, beentje strekken, kluchtje vertellen (die trouwens altijd grappiger zijn in mijn hoofd, dan wanneer ik ze vertel), zever verzamelen en grote plannen maken.

We hebben wel een opa-en-oma-team ter beschikking, maar die mensen moet je nu ook niet elk weekend gaan opzadelen met twee ventjes die elk moment kunnen veranderen van grootste vriendjes naar ergste vijanden. En dan blijven die ventjes daar ook slapen, slaap ik dan de zondag tot een gat in de dag en heeft een mens zo ook weer niets gedaan.

Tot ik hoorde van een andere mama dat zij de tussenstap ‘bellen-naar-die-van-den-Bond’ al lang overslaat. Ze belt rechtstreeks ’t babysitmeisje op (misschien zelfs nog de dag zelf), vraagt of dat past, en informeert daarna die belangrijke mensen die dat bijhouden in boeken. Zo ben je zeker dat je jouw voorkeursoppas kan ‘reserveren’ en dus niet spannend moet afwachten op vrijdagavond, een kwartier voor je vertrekt, wat ze nu weer binnen gooien.

Een vast babysitteam lijkt me dus wel bijzonder aangenaam, vooral als ik een last-minute opwelling krijg om eens het kieken uit te hangen. Is ‘Den Bond’ het enige alternatief of moet ik gewoon dichter bij de familie gaan wonen en mijn kinderen veel peters en meters geven?

Benne beweegt!

Benne gaat naar de bewegingsschool, wat tamelijk klinkt als een mix van Steiner, Freinet en Montessori. ’t Kind gaat eigenlijk gewoon flink turnen op zaterdagvoormiddag, maar dat wordt hier dus gelabeld als bewegingsschool, vanaf de tweede kleuterklas is dat dan plots kleuterturnen. Is dat geestig? Nogal, ja. Op zaterdagvoormiddag mag hij een uur ravotten tussen andere kleuters, speelgoed, banken, matten, ballen. Onder en op alles wat hij maar wil, naast en tussen veel wat hij al wil. Begeleiding moet aanwezig zijn, met wie moeten ze anders paardje rijden op het einde van de les? Moeder bukte zich al zuchtend denkend aan al het leed dat haar kapotte knieën weer zouden meemaken. Benne wou nog de sympathieke spelen door te zeggen dat hij wel paard wou zijn en mama de ruiter, maar dat spelletje vonden we nu ook niet meteen kindvriendelijk. De compromis: Benne en mama als twee paarden naast elkaar van start tot finish, vrolijk hinnikend en met de manen zwaaiend. ’t Is me wat, zo’n bewegingspedagogie.

’t gaat om mijn zonen

’t Gaat om oeverloos gepieker, als ik denk aan de wereld waarin ze leven en zullen leven

’t Gaat om zorgeloos gelach, als ik zie in welk wereldje ze nu leven

’t Gaat om mijn zonen, hun leven lang, mijn leven bang.

Bang dat ik er niet ben als ze me nodig hebben. Een geschaafde knie, een bloedende lip, een neus die moet afgeveegd worden.

Bang dat ik er niet ben als ze me niet nodig hebben. De eerste keer fietsen, het eerste kusje, de eerste ‘kouvejou’.

Bang dat zij er niet zijn als ik ze nodig heb. Elke dag.

Ze gaven me zonsopgang, zonsondergang en toonden me de sterren en de maan.

Ze leerden me kijken naar grote gele zonnebollen en pratende bomen. Naar ingebeelde leeuwen en levensechte spoken. Naar zichzelf als baby, jongen, superster, held.

’t Gaat om mijn zonen en ik geef me graag over aan hun liefde.

Met het besef dat ik nooit alles zal kunnen grijpen en begrijpen. En dat stelt me gerust.

*einde sentimentele praat*

Benne1Fries1

van toen hij drie jaar werd

intussen ook al twee maanden geleden. ‘k Weet het.

Kwamen op bezoek: broer, neefje, ouders, grootouders, overgrootouders en tantekes en nonkeltjes. Kwam iets later en zorgde voor wat toegeknepen billen bij Benne: een leeuw. Zorgde voor de ontlading van de eeuw (en van Bennes bilspieren): nonkel Klaas die uit het leeuwenpak tevoorschijn kwam.

ik heb het weer gedaan…

Benne_leeuw_3jaarGisterenavond liep hij afwisselend als een halve olifant of muis boven in de gang. Hij had zijn pyama af- en aangedaan, zijn boekjes in, uit en naast het bed gespreid. Hij was zijn broer even gaan bezoeken en had die net niet wakker gemaakt, en hij was het grote bed even gaan uittesten ook. Ik had echt de moed niet meer om er nog veel pedagogisch gedoe aan vast te koppelen en dus bleef het beperkt tot beneden aan de deur of net boven aan de trap staan, half moedeloos, en te zeggen: “Benne, ga in je bed, het is tijd om te slapen”. Licht uit, gevolgd door een klik vijf minuten later wat zoveel wil zeggen dat meneer het licht terug heeft aangelegd.

Gevolg: ’t kind zit de volgende morgen met een pesthumeur voor zich uit te staren, twijfelend of hij zijn boterhammen zou opeten of op de grond gooien. Hij staart voor zich uit, te moe om al kwaad te zijn op die moeder die hem heeft wakker gemaakt.

Ik kan het niet laten om de wijsneus uit te hangen en zeg dat hij het maar moet weten, dat hij vroeger moet slapen, dat hij in zijn bed moet blijven liggen, dat hij niet meer moet rondlopen, en zaag zaag zaag. Hij staart me weer aan met die grote ogen van hem en trekt een halve wenkbrauw op. ’t Kind is moe. En dan spreekt hij. Mijn schuld, redeneert hij, ik moest maar samen met hem in bed gegaan zijn (“mama moet ook in mijn bed hé, of Benne in ’t grote bed”), dan konden we samen slapen (“mama moet hier blijven, slapen met Benne”), kon hij vroeger slapen en was hij zo moe niet (“feel slapen, niet moe”). Voila. Heb ik het weer gedaan.

Trouwens: is het supernanny-gewijs verantwoord om je kind op te sluiten in de kamer en er zo voor te zorgen dat hij geen gangfuiven meer organiseert?

Bedankt beer!

Lieve Benne,

Lieve oudste zoon van me, ik ben je moeder en ik ben een zaag. Meer nog: ik zaag soms ongelooflijk veel, want je hebt ook nog een broer. Ik mag dat doen, zagen, want bij je geboorte kreeg ik niet alleen een zoon, maar meteen ook het recht om af en toe eens stevig over die zoon door te drammen.

En ik ben daar nogal bedreven in, zo’n potje goed doordrammen op tijd en stond kan ferm deugd doen. Heel vaak is het in positieve zin: ik loop op te scheppen over mijn blonde god, laat zelfs de perfectie verbleken als ik die met jou vergelijk en kan het niet laten om je te bewieroken met de geuren, kleuren en woorden waar zelfs de meest fervente Woodstock-ganger hoofdpijn van zou krijgen. Dat mag ook wel vind ik, je bent nu eenmaal het liefste, slimste, mooiste en grappigste kind. Een gedeelde eerste plaats met je broer is dat.

Maar soms, heel soms, loop ik ook echt te zagen. Liefst met andere moeders: wie het verschrikkelijkste kind heeft, wie het minste uren slaapt per nacht, wie er het vaakst zijn kind in de hoek zet en wie het meest moet opruimen en kuisen. Dat is nu eenmaal zo, een moeder is er graag het slechtste aantoe van al haar vriendinnen. Zo is ze weer eens bevestigd in het heldenwerk dat ze elke dag verzet. Ik zaag dus regelmatig over dat slaappatroon van jou, of het gebrek eraan. Over die nachtelijke uitstapjes, het veel te vroeg opstaan en het veel veel veel te laat gaan slapen.

Maar mag ik je nu even bedanken voor gisteren? Ik moest een trein halen om half zeven, ik moest opstaan om half zes. Het was half zes en mijn wekkers hadden niet gerinkeld, gezoemd, gepiept, getuut of wat dan ook*. Ik sliep, jij niet meer. Meneer de wekker, lieve zoon, ik wil je bedanken omdat je gisteren je huilalarm om half zes hebt gezet. Zo kon ik mijn trein halen en waren we weer vertrokken voor een dagje werken.

Ik geef je nu dus een maand krediet, ga een maand niet zagen over je slaapgedrag, daarvoor ben ik nu net even te blij.

(* als je gsm op stil staat en je het schakeltje van je wekker niet op ‘on’ zet: dan hoor je niets als het tijd is om op te staan. Echt niets.)