Eens gaan babbelen

Blonde kleuter komt thuis met de mededeling dat hij op bezoek mag bij zijn lief. Een zekere Amélie. Mogen is veel gezegd: zijn lief, zijn alles-van-minder-dan-één-meter, zijn eigenste kleutergodin is naar ’t schijnt nogal dominant want hij moet eigenlijk naar haar huis gaan. Om te spelen, zo veronderstelde ik. Hij ontkende, ’t is niet om te spelen, ’t is om te babbelen. Wat zouden zij nu gaan spelen daar in dat huis? Babbelen gaan ze doen, over hun toekomst, over hoe het verder moet als het straks vakantie is en ze elkaar een hele week niet zien, over wie welke koeken met de ander zal delen, over wie er de frieten zal ruilen voor de balletjes ’s middags en over wie het dichtst bij de juf mag lopen. Hij moet (moet!) dus gaan babbelen, die kleine van ons.

Eén voordeel alvast van die kleuterliefde: Amélie is ons nieuwste stokje achter de deur. Jammer voor dat meisje, ’t ziet er mij een ongelooflijk lief en guitig ding uit, maar mijn stokje is en zal ze zijn. Benne wil zijn tandjes niet poetsen? Amélietjeuh zal dat niet zo leuk vinden. Benne wil zijn boterham niet opeten? Amélietjeuh wil alleen maar spelen met sterke jongens die hun boterhammetjes opeten. Benne wil niet gaan slapen? Amélietjeuh ligt al lang in haar bedje te dromen van stoere blonde jongens. Flink meisje, zijn vriendinnetje.

Denk er het uwe van, ik ben een slechte en manipulatieve moeder, ik weet het, maar ’t werkt wel 🙂

ik was beter kinderloos gebleven

Soms denk ik dat, zo’n dingen. En ik denk dat niet bij de zoveelste nachtelijke huilbui-na-een-nachtmerrie, ik denk dat niet als ik een pamper met bruin smeersel sta te verversen. Ik denk dat ook niet als ze net een beker melk richting vloer hebben geduwd en ik denk dat zeker niet als ze ruzie aan ’t maken zijn. Ik denk het niet als mijn badkamer tot zwembad is omgetoverd en ik denk het ook niet als ze zich allebei op de grond gooien omdat ze dat nu eenmaal fijn vinden. Geen haar op mijn hoofd dat eraan zou denken te denken dat ik beter geen kinderen had gehad. Op zo’n momenten.

Op welke momenten dan wel? Als ik naar het nieuws kijk, als ik de krant lees, als ik in de winkel ben en daar een zevenjarige vreemde energiedrankjes zie drinken, als ik ouders hoor roepen, krijsen tegen hun kinderen met de lelijkste woorden eerst, als ik ouders hun kinderen zie trekken of ze een lap rond hun oren zie geven, …

Vroeger deed me dat echt niet zoveel, ik vond het wel erg, op dat eigenste moment. Maar ik was meer verontwaardigd dan dat het me raakte. Waarna ik verder ging in mijn eigen fantastische egocentrische wereldje. Nu blijven zo’n beelden, geluiden en gevoelens veel te lang hangen, en zou ik meteen mijn hele hebben en houden opgeven om als een wilde moeder Teresa te gaan zorgen voor alle ongelukkige kinderkes op deze wereld. Daarom dat ik soms denk dat ik beter geen moeder was geworden: ik ben een emotionele seut geworden op dat vlak.

de overdraagbaarheid der dingen

Dat ’s ochtends traag moeten wakker worden: dat heeft Benne mee van mij. Ik had dat ook toen ik jonger was maar extra activiteiten zoals werken en moederke spelen hebben me doen besluiten dat zo’n dingen niet meer kunnen. In de winter moest ik ’s morgens een kwartier met mijn rug voor de verwarming zitten, en na dat kwartier voor me uit zitten staren begon ik dan voorzichtjes aan een drukke dag vol puberperikelen.

Die neiging om altijd onder dekentjes te kruipen: dat heeft Benne mee van mij. Ik ligt niet zo graag ‘onbedekt’ in de zetel. ’t Mag zelfs een tropische zomernacht zijn, ik lig altijd onder een laken. Herfst- en winteravonden vind ik dus best gezellig, zolang ik mijn fleecedekentje over mij en mijn oudste zoon kan gooien.

Dat onbezonnen gedrag, geen gevaren herkennen, nijdig worden als je iets niet kan, blijven proberen: dat heeft Fries mee van mij. Ofwel zijn we één en al zen en blijven we proberen tot het lukt, soms uren aan een stuk met hetzelfde ding bezig zijn. Ofwel worden we nijdig en gooien we de oorzaak van onze frustraties aan de kant. Fries kan het nog, zo’n potje stampvoeten. Mij hebben ze gezegd dat dat niet meer past eens je als volwassene wordt beschouwd.

Het lachebekje spelen: dat zou Fries dan ook een beetje hebben van mij. Ik was volgens mensen die het kunnen weten een erg vrolijk kind: altijd vriendelijk, blij en opgewekt. Ik kon zelfs grappig zijn en ik was bijzonder lief. Als ik me nu soms bezig zie, vermoed ik dat ik ergens een zusje moet gehad hebben waarmee ze me verwarren 🙂

De liefde voor boekjes en boeken: allebei hebben ze ’t mee van mij en hopelijk mag dat ook zo blijven. ’s Avonds boekjes lezen in bed, nog één kwartiertje voor het slapengaan. Leeuwen zien onder tafel, olifanten op het plafond, vliegtuigen in je hand en vlinders in je haar. Ik kon het allemaal goed bij elkaar verzinnen, en die jongens van me blijkbaar ook wel.

De liefde voor water, een bad, zwemmen, plonsen: ook weer van mij. Als ik ze zo in bad zie spelen en de halve badkamer zie onderspatten heb ik eigenlijk meer zin om gewoon mee te doen. Maar ’t schijnt dat je je dan als moeder kordaat moet opstellen en zeggen dat zoiets niet past, dat ze geen water uit het bad mogen gieten.

Ik zou het wel eens fijn vinden om zo’n genenkaart te hebben, met alle eigenschappen van mijn zonen. Gewoon om te weten wat ze allemaal hebben doorgekregen van hun ouders en of ik daar al dan niet blij mee moet zijn.

Billengeschud

Als de oudste zoon het waagt om eens wakker te blijven als hij van school komt kan je hem zo nu en dan eens iets vragen. Als die ondervraging rustig en niet te overdonderend gebeurt krijg je dan ook nog wel eens een antwoord. En als hij helemaal in de mood is zou hij zelfs na 7 laaaaastige uren op school wel eens een heel verhaaltje durven te vertellen. Dat hij heeft mogen turnen met meester T., dat hij heeft geschilderend, dat hij warme soep heeft gedrinkt deze middag, dat juf Sjustien hem een stempel heeft gegeeft, dat er weer een goed potje gebeten is in de klas, dat er veel fjiendjes gewenend hebben, ma ikke niet hé, ik ben flink!

Die blonde god: hij smeert zijn eigen boterhammen als wij het niet vlug genoeg doen, hij doet zijn kleren meer af dan aan, doet zijn jas en boekentas aan en legt zijn jongste broer de fundamentele beleefdheidsregels uit (Fjiesje, je moet wel danku seggen hé, so: Dank-u!). Hij zegt na één dag oefenen een gedichtje op, kan liedjes zingen en kent zowat de namen van alle kindjes in zijn klas (20, alstublieft!). Ik ben nog altijd verwonderd en loop te zweven als ik zo’n dingen zie en hoor.

Maar ook: ’t feit dat die jongste van me, dat huppeldepupje van zo’n 20 maanden oud, dat hij zo met zijn billen loopt te schudden zodra er twee noten elkaar opvolgen in minder dan 5 seconden, dat hij met zijn handjes loopt te zwaaien, het hoofd ritmisch beweegt, dat gaat er bij mij niet in. Dat hij dat al kan? Ik die had gedacht dat hij eeuwig klein zou blijven? Dat hij zo al eens een hele zin zou durven uitspreken (ma ik zit ier! mama buitekijken an deu(r)), dat hij zelf op stoelen en tafels kruipt, dat hij zelf de trap opkan, dat hij zo ongelooflijk hard probeert om zijn grote broer te zijn. Echt, ik vind dat nogal verwonderlijk. Dat die baby mijn baby niet meer is. En dat dat toch allemaal net iets vlugger gebeurt dan ik had verwacht. Snif.

Kijkt ne keer hier!

*start stoef*

Om maar even droog mede te delen dat mijn allerliefste oudste zoon het verschil kent tussen een dromedaris en een kameel. En dat terwijl ik er jaren over gedaan heb om daar niet meer over te twijfelen omdat iemand me ooit heeft wijs gemaakt dat het beest met de meeste lettergrepen ook het meeste bulten heeft. Dat slim zijn heeft hij dus duidelijk niet mee van mij 🙂

Mijn ‘regeltje’ om de kameel te onderscheiden van de dromedaris: ka-meel heeft twee lettergrepen dus ook twee bulten. De dromedaris is dan die andere. Hoe hij het doet is me een compleet raadsel, maar zei ik al dat ik hem dus bijzonder slim vind zo?

*stop stoef*

verhaaltje voor het slapengaan

3376341-lgAls je weer eens veel te laat naar bed gaat mag je er zeker van zijn dat die liefste kinderkens van je ook van plan zijn om dan meteen maar je hele nachtrust naar de knoppen te helpen. Eerst Benne die als een halve brulkikker in zijn bed voor zich uit zit te staren, wel met bijpassend gehuil en geroep. Daarna Fries die heeft  beslist om die nachtelijke pamper eens goed in te soppen, met verversactiviteiten tot gevolg. Volgende stap: die twee terug in slaap krijgen. En ja, dan leest een mens wel eens een verhaaltje, of je verzint er gewoon één wegens te lui om een boek te halen. Hier komt het:

Er was eens een blauwe koe. Helemaal blauw, zonder ook maar één wit, bruin of zwart vlekje. De koe stond al jaren in de wei en had van zichzelf niet door dat ze een beetje anders was. De andere koeien hadden er ook niet echt een probleem mee wegens veel te druk bezig met grazen en drinken. Op een dag gooide iemand een spiegel in de weide (foei, sluikstorters!). De koe zag dat zij als enige blauw was en de zoektocht naar de oorsprong van haar blauwigheid begon. Ze ging op wandel en zag plots een regenboog. “Goh”, dacht ze, “misschien ben ik wel bestraald geweest door een regenboog, en ben ik daarom blauw.” De goede fee rinkelde een belletje om de koe te laten weten dat dit niet het goede antwoord was. De koe ging verder op stap en kwam tenslotte op een prachtige weide vol met blauwe bloemetjes. “Dat is het, ik heb gewoon teveel blauwe bloemetjes gegeten”, dacht ze. Opnieuw rinkelde het belletje. Vele uren later begon de zon te schijnen en de lucht was heerlijk felblauw. De koe dacht bij zichzelf dat ze misschien wel te lang onder de zomerhemel had gestaan en dat de blauwe lucht zo op haar was afgebladerd. Nee, weer niets, het belletje rinkelde opnieuw. Al een beetje moe van het vele stappen en het nadenken overwoog de koe om de genetische kant van de zaak te bekijken. Ze ging naar mama koe en papa stier, zag dat deze allebei mooi bruin waren en witte vlekken hadden. “Vreemd”, dacht de koe, “hoe kom ik dan in godsnaam aan mijn blauwe kleur?”. De koe vroeg het aan haar moeder. De moeder begon te giechelen en de papa proestte het uit. De koe wist dat ze bij haar ouders het antwoord zou vinden. “Maar wat is er nu toch gebeurd dat ik zo blauw ben?”, vroeg de koe ongeduldig. “Wel, mijn lieve kleine koetje”, zei de mama, “toen jij heel klein was, ben je in een vat vol blue koeracao gevallen…”

Echt, neem het me niet kwalijk, ik was moe en dan vind ik alles grappig. Fries was wel gestopt met huilen, ha!

*foto photo.net – Marc Aubry*

karootjes

MSBF 172of kotjes, of ruitjes, of ’n motiefke: niet meteen het gemakkelijkste om te mee te werken: kotjes. Maar miss moest het weer eens anders doen. Terwijl de rest zich bezig houdt met bollekes, streepkes, wilde bloemen of zelfs effen -maar o zo gebroken- wit, koos madam die van zichzelf vindt dat ze al verdomd goed kan naaien (ahum) voor karootjes dus. Een ‘burberrietje’ zoals ze dat in de naailes zo schoon kunnen zeggen. Meteen gevolgd door de frons van hun leven als ze bedenken dat hun eerstejaarke zich al meteen in de karootjes gaat inwerken. Awel: ik noem dat een uitdaging, beste mensen en ben content, en ‘preus ip m’n eigen’ zoals wij dat hier zeggen.

Jawel, miss is fan van naaien, stikken, patronen uittekenen. Het onsje geduld dat blijkbaar toch al ettelijke jaren in mij verscholen zit komt er nu eindelijk uit: drie uur per week, naailes, alwaar ik als een volmaakte zen-meesteres mijn schortje in elkaar knutsel. ’t Is elk zijn hobby hé… En voor de kenners onder u: let op de -volgens mijn al vier weken lang getrainde oog- tamelijk vlekkeloze overgang tussen zak van schort en schort zelf. Die lijntjes lopen door hé!

En als de schort af is, kan deze janet ze misschien dragen. De schoenen heeft hij al.

Gezocht: vast babysitteam

Soms bellen wij hier de mevrouw van de Gezinsbond en vragen haar heel lief of ze nog een babysitter in voorraad heeft voor ’t komende weekend. Dat moet wel zo’n 3 dagen op voorhand gebeuren en dat is al een eerste probleem. Ik weet meestal niet op woensdag of ik op vrijdag of zaterdag veel goesting zal hebben om of een 20-jarig fuifnummer of een 30-jarige huismus te zijn. Vaak heb ik dus geen babysit op vrijdag of zaterdag, maar zit ik wel te wriemelen in de zetel wegens veel willen: zoals weg, glas drinken, beentje strekken, kluchtje vertellen (die trouwens altijd grappiger zijn in mijn hoofd, dan wanneer ik ze vertel), zever verzamelen en grote plannen maken.

We hebben wel een opa-en-oma-team ter beschikking, maar die mensen moet je nu ook niet elk weekend gaan opzadelen met twee ventjes die elk moment kunnen veranderen van grootste vriendjes naar ergste vijanden. En dan blijven die ventjes daar ook slapen, slaap ik dan de zondag tot een gat in de dag en heeft een mens zo ook weer niets gedaan.

Tot ik hoorde van een andere mama dat zij de tussenstap ‘bellen-naar-die-van-den-Bond’ al lang overslaat. Ze belt rechtstreeks ’t babysitmeisje op (misschien zelfs nog de dag zelf), vraagt of dat past, en informeert daarna die belangrijke mensen die dat bijhouden in boeken. Zo ben je zeker dat je jouw voorkeursoppas kan ‘reserveren’ en dus niet spannend moet afwachten op vrijdagavond, een kwartier voor je vertrekt, wat ze nu weer binnen gooien.

Een vast babysitteam lijkt me dus wel bijzonder aangenaam, vooral als ik een last-minute opwelling krijg om eens het kieken uit te hangen. Is ‘Den Bond’ het enige alternatief of moet ik gewoon dichter bij de familie gaan wonen en mijn kinderen veel peters en meters geven?

Benne beweegt!

Benne gaat naar de bewegingsschool, wat tamelijk klinkt als een mix van Steiner, Freinet en Montessori. ’t Kind gaat eigenlijk gewoon flink turnen op zaterdagvoormiddag, maar dat wordt hier dus gelabeld als bewegingsschool, vanaf de tweede kleuterklas is dat dan plots kleuterturnen. Is dat geestig? Nogal, ja. Op zaterdagvoormiddag mag hij een uur ravotten tussen andere kleuters, speelgoed, banken, matten, ballen. Onder en op alles wat hij maar wil, naast en tussen veel wat hij al wil. Begeleiding moet aanwezig zijn, met wie moeten ze anders paardje rijden op het einde van de les? Moeder bukte zich al zuchtend denkend aan al het leed dat haar kapotte knieën weer zouden meemaken. Benne wou nog de sympathieke spelen door te zeggen dat hij wel paard wou zijn en mama de ruiter, maar dat spelletje vonden we nu ook niet meteen kindvriendelijk. De compromis: Benne en mama als twee paarden naast elkaar van start tot finish, vrolijk hinnikend en met de manen zwaaiend. ’t Is me wat, zo’n bewegingspedagogie.

huh?

Dat Pascal Smet het brutoloon van leerkrachten en onderwijspersoneel met 1 procent naar omlaag wil? Wellicht voel je daar niet al te veel van als leerkracht, maar waarom net leerkrachten? En waarom moet het departement onderwijs eigenlijk besparen? Waarom niet 3 procent afdoen van het loon van topambtenaren? Of het subsidiegeld voor kerkfabrieken van de gemeente terugvorderen? Of gewoon de senaat opdoeken? Of gewoon allemaal 5 procent van de verkiezingsuitgaven inleveren? Ik droom dus maar.

Gelukkig is het (nog) maar een voorstel, maar wel een vreemd, als ik dat zo mag vinden. Dat een departement zoals onderwijs minder geld krijgt: huh? Vooral nu blijkt dat veel scholen het amper aankunnen wat betreft extra begeleiding van leerlingen. Maar da’s weer een ander verhaal, met heel veel meningen.

Nu, als die één procent van dat loon naar nuttige zaken gaat (en niet naar een zoveelste leuk onderzoek waar dan uiteindelijk niets mee wordt gedaan): mijn vent en ik kunnen daar best mee en van leven.