#wijvenweek – zelfcensuur

Opdracht van de dag: doe eens normaal hier, en stoef niet altijd hoe geestig uw leven wel is.

Ik moet hier geen foto van mijn living posten net voor de poetsvrouw komt, dit wegens geen living en ook geen poetsvrouw (maar die komt er wel!), ik moet ook niets schrijven over wat er deze week echt beuzakkerij was want dan zondig ik tegen één van mijn beginregels.

Het zijn er vier, de criteria waaraan ik mijn schrijfsels toets vooraleer ik ze hier loslaat: 1. Mag de baas het weten? Daarmee bedoel ik de baas die het verst van me af staat, of een toekomstige baas. 2. Mogen mijn schoonouders het weten? 3. Kan het mijn kinderen (later) schade toebrengen? 4. Gaat het over het werk? Indien op vraag 1 en 2 een negatief antwoord en/of op vraag 3 en 4 een bevestigend antwoord: deleten, die boel en ik ga me op een ander afreageren.
Dat zijn de vier criteria, en dus is hier heel wat zelfcensuur.

En laten we dat vooral zo houden ja? U mag gerust denken, op basis van mijn schrijfsels, dat ik een leeghoofd ben en van de boze wereld geen besef heb. Mocht dat uw mening zijn en u ziet me als een clown of een naïef wicht, dan bewijst u me dat ik met mijn schrijfsels mijn doel heb bereikt en aanvaard ik met plezier het compliment.

Er is hier dus weinig echt persoonlijks van mij en mijn ménage te lezen, behalve een twijfeltje hier en daar. Voor meer details verwijs ik u graag naar de zetel in mijn huis, mijn telefoon, mijzelve aan een toog met een glas wijn. Laten we het hier dus houden op ‘mezelf in Wonderland’, fijner voor u, beter voor mij.

#wijvenweek – van toen ze haar bloemetjesschort omdeed.

Opdracht van de dag: vertel uw dromen en ambities, verwelkt, vergaan of juist niet.

Kijk, ik ben zowat alles geworden wat ik vroeger niet wilde zijn. Voor het gemak houden we het er even op dat ik nu net geen dertig ben (kuch) en tien jaar geleden had ik toch wel een ander beeld van mijn toekomst. Mijn vroegere ambitie was een Libelle-vrouw te worden, zo eentje als mijn moeder en tante in de tijd van het Rijk der Vrouw. Het huis altijd netjes en gezellig, mee met de nieuwste interieurtrends, frisse planten in huis, de gepaste tijdschriften op tafel en zeven dagen op zeven de geur van koffie en cake in huis. Ik werk als leerkracht of ik heb een rijke vent zodat ik om vier uur kan klaarstaan met boterhammen voor mijn prachtkindertjes die van school komen, vol aandacht luisterend naar hun verhalen. Om daarna heel pedagogisch verantwoord samen het huiswerk te maken, terwijl moeder en kind elkaar af en toe een warme, begripvolle blik toegooien. En een kushandje. *vioolmuziek zwelt aan*

Daarna doe ik mijn gebloemde schort aan, loop ik mijn tuin in op zoek naar verse groenen. Ik passeer mijn kruidentuin en denk na wat ik zou kunnen maken. Altijd creatief, altijd het nieuwste Libelle-recept op tafel, gezond en al. Ik moet niet meer naar de winkel hollen om vlees, een sausje of brood, want dat heb ik, met mijn goede organisatie, namelijk altijd in huis. Ik moet me niet haasten om iets klaar te krijgen, want ik ben zo bedreven in dat hele huishouden dat ik, terwijl mijn patatjes koken, nog even kan bellen naar die goede vriendin, de was kan insteken en intussen mijn zonen leer hoe ze lekker soep kunnen maken.

De man des huizes komt thuis en ik, immer vrolijk en er goed uitziend, verwelkom hem. Niet hartstochtelijk, neen. Zo passioneel is die Libelle-vrouw nu ook weer niet, maar hij voelt zich toch welkom genoeg om te weten dat hij met mij de hoofdvogel heeft afgeschoten. *verleidelijke blik*

En bla, bla en bleh. Dat is dus hoe ik mezelf tien jaar geleden zag. En dat is dus alles wat ik niet ben geworden.*tromgeroffel, paukenslagen* Ik ben de man in huis, de vader van de kinderen, de pretpapa. Zeker wat uithuizigheid betreft. Je zou dan nog kunnen denken, zo’n man die veel van huis is, die is uitermate succesvol. Maar nee, want hier speelt mijn biologische geslacht mij parten. *eventueel lachband* Dat ingebouwde permanente schuldgevoel dat ervoor zorgt dat ik teveel vrouw en moeder blijf om te gaan denken als een man. En dan mag ik nog van geluk spreken dat de vader van mijn kinderen kan en wil koken. En dat hij voor de zonen zorgt. En hij doet dat goed. Maar zeker niet zo goed als ik het zou gedaan hebben volgens mijn filosofie van tien jaar geleden. *flashback in sepia naar een dromend kind*

Ik ben geen Libelle-vrouw. Ook geen Flair-vrouw. Ik ben een kind dat nog altijd op zoek is en probeert om stukjes van die vroegere ambitie in haar huidige leven te integreren. Met vallen en opstaan, met meer falen dan succes. Het enige wat ik kan doen is ervoor zorgen dat mijn zonen en lief nooit ofte nimmer een Libelle te zien krijgen.

Beter vergane dromen en ambities dan geen meer kunnen of mogen hebben, niet?

#wijvenweek – De stilte

Ik had er eentje klaarstaan (over leerkrachten), een compleet op niets gebaseerde mening (want ik spreek niet uit ervaring), goed voor veel commentaar en al (aangezien het over leerkrachten ging). Maar in het licht van wat vandaag is gebeurd zwijg ik maar. Zwalpend tussen ongeloof en medeleven. Zo weerloos als een kind kan zijn, zo fragiel als het opgroeien kan zijn, zo sterk en veerkrachtig hoop ik dat de gezinnen, families, vriendjes, vrienden, collega’s en leerkrachten mogen zijn.

En niet alleen zij, maar ook al wie door dit nieuws oud verdriet als een zweer voelt opkomen of verse wonden nog meer voelt branden: dat de krop in uw keel doorslikbaar mag zijn. Dat het straks beter mag gaan dan daarnet. 

Niet is meer van waarde nu dan dit.

#wijvenweek: Guilty pleasures en kleine kantjes

1.    Guilty Pleasure 1: Ik vind het jammer dat de Pfaffs er niet meer zijn. Op zondagavond deed ik altijd mijn strijk met Debby en Kelly op de achtergrond. Nu Debby en Kelly me niet meer verblijden met hun gekwek,  strijk ik ook niet meer. Of toch veel minder alleszins.
2.    Guilty Pleasure 2: Ik kijk soms naar Komen Eten tijdens het afwassen ’s avonds. U weet, wij hebben geen afwasmachine wegens een paar minuscule verbouwingskes, en dus doen wij de afwas met een drieteilensysteem. En als die koters slapen en wij beginnen onze afwas te doen, dan durven wij zo eens naar Komen Eten kijken. Nee, ik heb geen schaamrood op mijn wangen nu.
3.    Klein kantje 1: Ik kan soms een aardig stukje toneel spelen. Als ik vind dat u aan het neuten, trunten, ongelooflijk aan het doordrammen bent, dan ga ik 1. luisteren en vooral niet veel zeggen als ik vind dat u mag neuten en trunten en ongelukkig zijn, 2. proberen om te zeggen dat u zich niet als een hysterisch wijf moet gedragen als ik vind dat het toch wat teveel van het goeie aan het worden is, 3. meedoen met uw spelleke en dus mee neuten, trunten en doordrammen. Op die manier heb ik mijn uitlaatklep en moet ik niet op zoek naar een amateurgezelschap toneelspelers en u bent blij dat ik zo goed kan luisteren en volop meega in uw verhaal. Schijnheilig? Nee, dat lijkt me dan gewoon het beste voor ons beiden. Sommige mensen neuten nu eenmaal graag, en if you can’t beat them, join them. Voor alle duidelijkheid: ik heb dit nog maar bij één iemand gedaan, dus meestal lukt het wel met de acties 1 en 2 en actie 4. vermijden/negeren.
4.    Guilty pleasure 3 en klein kantje 2: Als u me vraagt hoeveel m&m’s ik nu weer naar binnen heb gespeeld: doe mijn antwoord maal drie en u krijgt een realistisch beeld van de hoeveelheid die ik achter de kiezen heb. En u mag daar gerust nog een halve zak chips bijdoen. Ik doe geen half werk, ook niet als ik een (emo-)vreetbui heb.
5.    Klein kantje 3: Als u me nu om mijn gewicht zou vragen dan geef ik dat van november 2011. Toen vond ik dat goed, dat van nu wat minder, of liever: meer, teveel meer. Maar met mijn nieuwe strak dieetplan (soep soep soep!) zijn die kilo’s er over een paar weken wel weer af (duim duim), dus wat maakt het nu uit dat ik u alvast mijn gewicht van over een paar weken geef? Niets toch? Eigenlijk vraagt u me gemakshalve het best niets over mijn gewicht, goed?
U ziet me nu toch nog wel graag hoop ik?

#wijvenweek – Grijs wijf

’t Is hoe je ’t uitstraalt. Het is misschien zo dat je niet meteen in de categorie MILF of lekker ding thuishoort, maar als je zelfvertrouwen uitstraalt heeft dat ook al zo’n grote impact. Een beautyqueen zijn in het diepst van uw gedachten: het halve werk is al gedaan. ’t Schijnt, men zegt dat.
En laat dat nu  net het probleem zijn: in het diepst van mijn gedachten ben ik helemaal niet speciaal, en zo gewoon dat zelfs een grijze muis minachtend haar snorharen doet trillen als ze mij ziet. En zoiets straal je soms ook uit. Voeg daar nog aan toe: een minimum of niets van make-up op een doordeweekse dag en u zal kunnen beamen dat mijn oogopslag niet meteen in de categorie sexy, ontwapenend of verleidend hoort en dat ook mijn mond het meer moet hebben van wat eruit komt dan van hoe ik die met felrood gestifte lippen kan tuiten.
Ik zou wel graag eens uit de band springen en me wat deftiger gaan kleden. Lees: rokjes en kleedjes dragen, meer kleur, meer motiefjes, een hippe bril, een deftige coiffure, felgelakte nagels. Want ik vind: kleurrijke mensen zijn vrolijke mensen, bovendien maken ze mij ook vrolijk. Waarvoor dank aan deze kleurrijke mensen, en doe vooral zo verder. Laat ik dan diegene zijn die jullie kleurenfeestje verpest.
Ik heb kleedjes en rokjes, jawel. En die doe ik soms aan, omdat ik vind dat ik op bepaalde evenementen niet met een jeansbroek kan afkomen. De intentie is er wel degelijk: ik doe zo’n kleedje aan, ik bekijk mezelf in de spiegel en beslis daarna om toch maar weer in jeansbroek de hort op te gaan. Om de mensheid mijn kleedjesverschijning te besparen heet dat dan.
Niet dat ik niet flashy kan zijn hoor, mijn huidige winterjas is rood. Een kleine opvallendheid voor u, maar een grote stap voor mij. Een grijze muis dus, dit kind, en al zeker geen beautyqueen in ’t holst van haar fantasieën. Maar wel een grote mond, u zou ervan versteld staan wat daar allemaal kan uit komen.  Zoals dat van morgen bijvoorbeeld.

Moederfunctie

Ik begin zo stilaan te beseffen dat de jaren van meisjesachtig gegiechel en gedans echt definitief achter mij liggen. Samen met het besef dat ik niet langer een meisje-met-een-paar-kinderen ben. En ik heb mijn beeld over dat moederschap serieus mogen bijstellen. Vroeger, voor ik zelf ‘moeder’ werd, stond een dergelijke functie gelijk met het dragen van platte schoenen en gemakkelijke kledij, het hebben van een grote portemonnee om alle to-do-lijstjes in te stoppen, het schillen van patatjes en beslissen wat er op tafel zou komen en vooral veel saai werk doen zoals verstellen (naampjes innaaien, lussen van jassen herstellen), foto-albums maken, heen-en-weerschriftjes bekijken en je bemoeien in het oudercomité.

Bon, er zijn dingen die ik doe en er zijn dingen die ik niet doe. Ik ben allesbehalve een ‘volledige’ moeder, maar wat ik wel weet: ik doe alles liever, met meer goesting, met meer besef van de toekomst, minder vrijblijvend en meer bewust. Als (als!) ik kook, dan kies ik heel bewust, ik begin zowaar in kinderkookboeken te snuisteren naar wat geestig zou kunnen zijn om te maken. Als ik dingen herstel dan is dat met het volle besef dat ik mijn kinderen daar geen groot plezier mee ga doen (wat kan hen die lus in hun jas schelen), maar ik kan wel kinderlijk blij zijn als die lus blijft zitten. Als ik de jongste troost omdat hij midden in de nacht gillend is wakker geworden omdat er een grote boze kreeft achter hem aanzat, dan kan ik oprecht genieten, tussen zijn snikken door. Soms ben ik blij als ze vallen, zodat ik ze kan troosten. Soms is het grappig als er eentje LDVD heeft, zodat ik hen kan duidelijk maken dat één meisje hen altijd zal graag zien.

En als die oudste dan zijn tand verliest, of zegt dat hij zich zo amuseert als hij het eerste leerjaar mag bezoeken, dan kan ik daar een halve dag ongemakkelijk van rondlopen. Of als de jongste meer en meer grote praat begint te verkopen, en zijn werkwoorden al veel te correct vervoegt, dan is er wat melancholie. Omdat die ene tand nooit meer terugkeert, net als de afgelopen jaren. Omdat de tijd van de grappige taalfouten wellicht ook al achter ons ligt.

En omdat ik vrees dat ik dichter bij de dag kom dat ik echt platte schoenen en een grote portemonnee ga hebben. Dat ook.

Efficiënt leven

Ik, vroeger het toppunt van efficiëntie. Ik had veel aan mijn hoofd, soms heel veel tegelijk, maar ik wist dat precies allemaal te organiseren. Er waren wel wat zottekesmomenten, maar die waren eerder zeldzaam. Dat dat allemaal zo gesmeerd liep, daar stak een strakke planning achter. En we kwamen wel overal en altijd te laat, dat wel. Maar dat was mijn handelsmerk, dat was ingepland, voor alle duidelijkheid.

Maar nu, ik vind mezelf nog altijd heel efficiënt, als ik zie hoeveel ballen tegelijk ik in de lucht kan houden en welk strakke timing daar achter zit (soms echt per avond, per halve dag in het weekend). En ik doe mijn best, maar veel externe factoren (ziek kind, zelf ziek, extra verbouwwerk, …) mogen toch geen roet in het eten komen gooien of mijn delicate evenwichtsoefening valt compleet stil. Samen met het gevoel van rust in mijn hoofd en mijn luchtig walsje door het leven.

Concreet, wat is het probleem nu? Voor elk punt dat ik kan wegwerken, komen er twee bij. Op het werk, thuis, … Over mij persoonlijk spreek ik dan zelfs niet meer, wegens geen tijd meer om stil te staan bij mezelf, niet dat dat ook voor iets nodig is, ’t zou misschien zelfs gevaarlijk kunnen zijn. Maar ik poets wel nog mijn tanden en al het overige, voor u zich hier echt zorgen begint te maken.

Tips als lijstjes maken hoef ik hier niet, ik heb tegenwoordig een set lijstjes. Maar u heeft ongetwijfeld andere tips om een leven meer op orde te krijgen, tips voor een efficiënter leven. Zodat ik, al uw tips indachtig, over enkele weken met een gelukzalige glimlach, frisgekapt en met een dunne agenda door het leven vlieg.

haast en spoed…

Dankjewel lieve Fries, dat je hebt gewacht met ziek worden tot je moeder en vader weer een weekend vrij hadden. Je moeder lag net een uur te dutten toen je vrijdagnacht begon te gillen. En diezelfde moeder liet je net niet vallen van de hitte toen ze je optilde. Toen je ook nog moest overgeven en de thermometer zonder al te veel moeite 40.7° aangaf, besloten we je vader wakker te maken met de lachwekkende woorden: “Rap, rap, Fries moet binnen in de spoed”.

Net geen uur later kwamen we aan. Want daar had je geen rekening mee gehouden, lieve zoon, dat die wegen er spekglad bij lagen, dat enkel de kwart en halve garen onder ons de weg op gingen, zeker vanuit het boerengat waar wij wonen.

Spoed dus. De allereerste keer in 5,5 jaar moederschap, te danken aan een combinatie van sterke kinderkes en veel geluk. En van de spoed naar het grote ziekenhuis. Toen was het ongeveer vier uur ’s morgens. En blij dat je was, toen je een spuit kreeg. Want ja, op school leer je over de dokter en het ziekenhuis. Qua ervaringsgericht onderwijs kan dat tellen, score voor de ouders om zo betrokken te zijn bij het lesgebeuren.

En moeder heeft zich sterk gehouden, zeker toen ze begonnen over een hersenvliesontsteking. Wetende dat een flippende moeder iets is wat kinderartsen best wel kunnen missen. Tenzij ze daarvoor spuitjes hebben. Lieve Fries, heb je ons daar even goed liggen gehad. Want na een paar uur wachten bleek het helemaal geen hersenvliesontsteking, maar ‘iets anders, we zoeken verder’. Gaan we nog even gezamenlijk lachen en bleiten van pure decompressie?

Enfin, lieve vriend, je bent zo schattig als je ziek bent. Door die rode gezwollen wangetjes van je komen je blauwe ogen nog beter uit. En als je lacht, is het wat geforceerd, en daarom maakt het me des te vrolijker. En geen denken aan dat je huilt bij een prik, daar ben je toch veel te stoer voor. Of te ziek, maar dat hoeft niemand te weten.

Lief klein ziek kindje, laten we snel naar huis gaan.

En wat nu?

Bestaat er een vragenlijst om verbouwstress bij koppels te meten? En bestaat er dan een risicoberekening om de kans te bepalen dat ze het niet samen overleven? Mogen wij dan even de uitzondering op de regel zijn?

Er is hier namelijk ontzettend veel verbouwstress geweest, genoeg om de boel te laten ontploffen. Wat niet gebeurd is, meer nog: er is hier niet gesnauwd, gesnakt, gebeten. Er is hier veel gezucht, er is hier veel inwendig ontploft, maar we zijn lief gebleven voor elkaar. Hoe deden we dat? Door een gemeenschappelijke vijand te zoeken en daarop af te geven. Dat schept een band, niet normaal. Wij twee, en als het zielig moest zijn: wij twee met de arme schaapjes van kindjes erbij, tegen de rest van de aannemers. En nu tegen het weer.

Die zonen van ons, die gaan nooit ofte nimmer willen verbouwen: toch allemaal stoute meneren. Behalve die meneer van de elektriciteit en die meneer van het dak en van de ruwbouw. Die zijn flink, die doen hun best. De rest mag aanschuiven in het rijtje gelabeld ‘met strenge hand op te volgen’.

Maar! Zo’n zeven uur voor de plakker zou komen (u leest ‘m al: zou) deden wij een triomfantelijke high-five en trokken we de overwinningsfoto. Alles is klaar, vanaf nu is het aan plakker, sanitairman en vloerder. Meer dan een beetje pleisterwerk afkappen, een plafonnetje steken, wat elektriciteit en een half dakje leggen en wat sleufjes graven konden we niet meer doen precies. En dat maakt dat ik nu weer tijd genoeg heb om iedereen achter zijn vodden te zitten en te starten met een serie aangetekende brieven.  En tijd om haarmaskertjes in overvloed te gebruiken, dat ook. Aftellen? Nee, daar doen we niet (meer) aan mee. Ergens in april dalen we neder, maar laat ons er vooral geen week opplakken, dat doet het vriesweer ook niet.

En nu: slapen, sociaal doen, blogs lezen, wishlist opstellen voor het ‘nieuwe’ huis, half gehypnotiseerd naar de beeldbuis kijken en zonder druk verder werken. Of zijn we weer te optimistisch?