Zijn naam was Haas

Hier liep een haas. Of twee hazen, of drie zelfs. ’s Avonds kwamen ze altijd uit de velden en toen sprongen ze vol vertrouwen op straat, keken met grote ogen naar die schim die vanuit een kamer naar hen aan het staren was. Ik had er eigenlijk al een band mee, met mijn haas, of hazen. Ook de zonen vonden zo’n haas als huisdier-dat-niet-moet-onderhouden-worden best wel fijn. Ik bedacht dat de haas kleine haasjes zou krijgen en dat we hier volgende zomer het gezin haas op bezoek zouden krijgen.

Het heeft niet mogen zijn. Een stuk of vier jagers hebben er anders over beslist. Toen de zonen vroegen wat die mensen met die geweren kwamen doen mocht ik zelf mijn mening niet opdringen, zijnde een combinatie van ‘ik begrijp dat niet’, ‘voor hun plezier’, ‘hier zit toch geen overpopulatie van hazen’, ‘opeten’ en ‘zet hun banden plat’. De zonen stonden met grote ogen te kijken naar de meneren met geweren en huppelden vrolijk mee langs de weg. Toen één van die jagers plots te lang naar de oudste begon te kijken riep ik nogal luid dat mijn zoon vooralsnog geen lange oren had dus dat hij maar beter zorgde dat er geen kogels onze richting uit kwamen. De jagers zullen wel gemerkt hebben dat hun hobby niet echt de mijne is.

Een kwartier later kwamen ze terug. De zonen vroegen benieuwd of de jagers een haas hadden kunnen vangen. Waarop één van die jagers vol geste zijn zak opendeed en daar een dode haas aan de oren uit trok. Mijn haas, het kon niet anders, dat is goed voor de dramatiek.

Fries deed een stap achteruit, Benne keek stil. Nu komt het trauma, dacht ik. Nu lopen ze hier half hysterisch weg of beginnen ze op die jager te slaan, boos om die dode haas. Ik stond klaar om twee schreiende jongens te troosten. Ook weer goed voor de dramatiek.

Fries zette een stap naar voor, Benne boog zich voorover. Ik hoorde dingen als: “Mag ik de kogel zien?”, “Waah, in zijn mond geschoten, cool!”, “En ga je die nu opeten?”, “Kijk mama, ik heb een kogel gekregen!”.

Het was de normaalste zaak van de wereld voor hen. Misschien maar goed ook. Ik zoek me wel een ander vriendje ’s avonds, er zal tussen de mais nog wel een rat te vinden zijn.

Mijn vriend Haas: weze smakelijk, zo hebben ze er toch nog iets aan gehad.

Mij interesseert het alleszins nog, en u?

Even overwogen om de handdoek in de ring te gooien, of de blog in de virtuele vuilbak. Excuses zijn er genoeg: beperkt internet, te moe ’s avonds, niet meer mee met andere blogs, te veel zagen over hetzelfde eigenlijk. Want wat interesseert een ander mens dat nu, dat wij verbouwen? Iedereen kent wel iemand die (ver)bouwt, en het is net zoals met kinderen: sommigen praten er gewoon te veel over, vind ik. Mezelf inbegrepen.

Maar kom, omdat er af en toe wat stoom moet afgelaten worden en ik niet altijd de kwaaie kan zijn tegen al wat een overall en veiligheidsschoenen draagt (hierna genoemd: “men”, “zij”, “die gasten”), zou ik hier ook wel eens mijn frustraties durven ventileren. Zoals daar zijn:

– als men belt en zegt dat woensdag de ramen geleverd worden dan interpreteer ik, redelijk mens zijnde, dat als woensdag. Meerbepaald: die woensdag die net zoals alle andere dagen in de week 24 uren telt. Bijgevolg vraag ik dan ook enkel die woensdag verlof. Als woensdag dan ook meteen donderdag, vrijdag en maandag blijkt te zijn, raak ik een beetje mijn kluts kwijt. En als ik die kwijt ben durf ik nogal eens nijdig te worden, ja. U heeft gelijk, meneer van de ramen, u bent woensdag gekomen (hoera voor dat al). Maar u mocht er gerust bijzeggen dat u dan meteen ook vier dagen ging blijven.

– als een aannemer zegt om zeven uur te beginnen, dan bedoelt hij eigenlijk kwart na zes. Nu, ik vind dat dus wel een goede aannemer eigenlijk. Ze worden zeldzaam.

– als een andere aannemer zegt er op de middag te zullen zijn, dan bedoelt hij eigenlijk: “Bel me eens terug rond drie uur om dan te horen hoe hard ik de hele afspraak ben vergeten…”.

– als ze zeggen dat iets zolang zal duren, doe dan voor jezelf zolang maal vier. Stelling bewezen bij de afbraak, de ruwbouw en bij de ramen. Bij alles dus voorlopig.

– als ze zeggen dat iets niet veel geld gaat kosten, begin dan niet weer met je ogen te rollen. Lach ze integendeel vierkant in hun gezicht uit. Ze worden een beetje bang van je op den duur.

– als ze zeggen dat iets “een beetje vuil zal worden”, laat het dan gewoon allemaal zo. Je halve huisraad afdekken met dekens, lakens, plastiek allerhande zal toch niet helpen. Dat “beetje vuil” kruipt overal door.

– plaats geen vuilzakken of vuilnisbakken. Ze gebruiken ze toch niet. Woon daar eens mee samen denk ik dan.

– als je iets niet begrijpt: leg je hand tegen je kind, rol je ogen naar rechtsboven en doe alsof je nadenkt. Knik af en toe eens met je hoofd en probeer de weinige woorden die je wel begrijpt op te schrijven. Vraag daarna aan de echtgenoot om het je nog eens uit te leggen. Herhaal de hele handeling. Zoek het daarna op bij vriend internet en ervaar de aha-erlebnis.

– Werkmannen omkopen met snoep werkt: vraag ze iets te doen en zet er een grote schaal snoep, chocolade, eender wat: ze doen het. Of het zou aan mijn schone kijkers moeten liggen, maar gezien deze hele verbouwtoestand ga ik ervan uit dat ik hier niet op mijn knapst bijloop.

– neem jezelf voor om te bloggen, telkens je op één der mannen zit te wachten. Zoals nu bijvoorbeeld. Als ik dit voornemen kan volhouden dan heb ik tegen het eind van het jaar een boek vol.

Maar kom, niet getreurd, ook dit is ons huis. En het maakt veel, zoniet alles, goed.

 

Dilemma

Het oudste kind had al wat circusborden van Circus Zavatta (o.a. ook bekend als Zavatta Pacific) zien staan langs de weg. En maar zeuren over dat circus, en maar vragen wanneer het zou komen. Een paar dagen later zag het kind de circustent staan, ze waren er: de acrobaten, de jongleurs, de grappige clowns, de mooie dieren, de grote dieren, …

Moeder ging het even uitpluizen, of hij misschien op zijn verjaardag naar het circus kon gaan. En zo geschiedde en werd ietwat gegoogeld. Blijkt dat dat circus dus vooral gekend staat om plots afgelaste voorstellingen, een raid door de politie, slechte voorstellingen, en wat me nog het meest stoort: inbreuken op dierenwelzijn en halve maffiapraktijken als hier iets over wordt gezegd. En ik kan dus niet naar een olifant staan kijken met in het achterhoofd het besef dat dat beest doodongelukkig is en niet wordt verzorgd zoals het moet verzorgd worden. U mag me onnozel vinden, ja.

Je kan dat aan een kind van vijf-min-zes-dagen niet uitleggen. Zijn wereld bestaat vooralsnog uit alleen goede mensen, brave mensen en vrolijke dieren. Dus zitten we hier met een opvoedkundig probleem: leg ik hem uit wat principes zijn, wat dierenmishandeling is? Of gaan we toch naar het circus, zit ik de rit uit en bedrieg ik het kind met mijn vals enthousiasme?

Principes zijn mooi, maar misschien is onwetendheid dat nog meer?

RamenIQ

Ik heb me zelden zo blond gevoeld als toen we ramen gingen kiezen. Anderhalf uur heb ik de technische uitleg moeten aanhoren en probeerde deze juffrouw met wisselend succes geïnteresseerd en begrijpend te kijken. Echt wel, hun nieuwe schuifdeuren zijn met dubbele looprails ontwikkeld en de U-waarden zijn heel goed. Ik vond het handvat vooral heel mooi.

De grote schande bleef me bespaard omdat ik doorhad wanneer een vrouw moet zwijgen. Als de verkoper zegt dat hij profielen heeft met vijf kamers dan moet je niet zeggen dat het maar voor een huis is met vier kamers.

(Ik laat u even fronsen)

Je mag dat denken, maar je houdt net op tijd je mond. En als je achteraf doorhebt wat hij bedoelt met vijfkamerprofielen, dan ben je opgelucht dat je voor één keer je mond hebt kunnen houden.

Achteraf controleer je toch nog even bij de echtgenoot of je de schijn van intelligentie goed hebt kunnen ophouden:

zij: Valt het op dat ik er anderhalf uur niets van heb begrepen?

hij: Nogal.

En dan rij je naar huis, jezelf oppeppend dat als je niet weet wat vijfkamerprofielen zijn, je tenminste wel zal weten welke kleur te kiezen. Ieder zijn specialiteit.

Van die keer dat er snot was

Veel snot. Hooikoorts dus, en dat wordt erger met de jaren.

Moeder heeft het zitten en de jongste heeft het zitten. Dus, lieverds en mindere lieverds allemaal: ik ben niet ongeïnteresseerd, ik ben niet boos, ik ben niet arrogant: ’t is hooikoorts-time!

Wat betekent: ik zie u door de spleetjes van mijn ogen, ik hoor uw stem op zachte en gedempte wijze en ik praat zelf alsof ik al jaren onder een rood licht in een doorrookt café zit. Als ik plots begin te snuffelen dan is dat niet omdat ik mijn dierlijke instincten niet meer kan bedwingen, maar omdat ik mijn zakdoek niet vlug genoeg kan vinden. U mag gerust zeggen dat ik er mottig uitzie, ik zie dat als een bevestiging van mijn lijden. U mag ook zeggen dat ik er goed uitzie, maar vanaf dan weet ik dat u wel eens zou durven liegen.

Kortom: Fries en ik vechten hier om de zakdoeken. ’t Is erger dan vorig jaar en wellicht minder erg dan volgend jaar, tenzij u hier nu meteen een remedie kan voorstellen. Homeopathische oplossingen mogen achterwege blijven, wegens al veel geprobeerd en niets geholpen. Keiharde medicijnen willen wij! Shoot!

December & kerstboom: the sequel.

Na een hele fijne en bijzonder intellectuele discussie op smoelenboek, na veel wikken en wegen, pro’s en contra’s afwegen, heelder panels samengesteld te hebben en en passant ook nog eens een enquête gehouden te hebben, werd hier dit weekend de fijnste aller bomen gezet. Zo plastiek als iets, ja. En dat heeft zo zijn enorme voordelen blijkt nu:

1. Om een deftige kerstboom (levend en wel) te hebben moet je al bijzonder vroeg naar de winkels gaan. Anders blijven enkel de dutsboompjes over. Zij die net nog op de vrachtwagen mochten om de grote bomen warm te houden, de reis maar half hebben overleefd en al dagen niet worden bekeken door kooplustige vroeg-kerstinkopen-doende mensen.

2. Je moet dus wel degelijk tijd hebben om zo’n boom te halen, te verpotten, eventueel wat te trimmen. En dat paste dus dit weekend ook al niet. Snel het boompje van de zolder halen, takjes openvouwen, takjes beetje herschikken tot de boom een beetje volume kreeg. ’t Was snel gebeurd.

3. Potaarde heb je ook al niet nodig, het enige vuil dat aan je handen hangt zijn twinkeltjes en glittertjes allerhande. Heel geestig als je dan uren erna merkt dat je nog altijd met van die glittertjes op je gezicht rondloopt. How very kerstsfeer, jochei.

Vinden wij dat leuk, zo’n kerstboom versieren? Totaal niet, echt. Zo’n boom zetten dat is voor mij pure stress. Ik hang ballen en slingers, steek sterren, worstel met lichtjes… Ik breek vervolgens ballen, struikel over slingers, haper met stokken, (tip: zet nooit een kerstboom terwijl u nylonkousen draagt) … Zenuwen tot en met. Omdat ik weet dat ik dat niet kan, zo’n kerstboom ineen steken, zo je huis kerstklaar te maken, daar een plan bij te hebben en dat ook minutieus uit te voeren.

Enfin, ik ben blij dat deze queeste is voltooid, de boom loopt niet meer weg, de kindertjens zijn blij en ik bespaar me de schande van ‘moeder-zonder-kerstboom’ zoals twee jaar geleden. Geen foto’s, neen. De boom heeft nogal wat complexen, door mij aangepraat.

 

Van die keer dat ik van huismoeder deed…

En er dus hie-han-ties veel kwaliteitstijd met de zonen zou doorgebracht worden. Alle fouten van de voorbije vier en tweeënhalf jaar zouden meteen rechtgezet worden, alle kindertrauma’s uitgeveegd, alle boehoe-waar-is-mijn-moeder-nu-momenten zouden vergeten én vergeven worden en ik? Ik zou zomaar even dé award der awards in ontvangst nemen, die van meest geëngageerde moeder op een zondagmiddag. Het verhaal dus.

Er was eens:

Een jongen die naar de tweede kleuterklas ging. En die op vrijdag met de boodschap “Pompom is jarig!” thuis kwam. Pompom, klaspop van de tweede kleuterklas zijnde, zou dus maandag voor de wellicht al vijftiende keer zijn (haar?) vierde verjaardag vieren. En dat moest gevierd! Met koekjes, zo bedacht de immer vindingrijke moeder.

Want naast vindingrijk, was die moeder ook nog eens heel goed in het combineren van dingen. U noemt een ding en moeder combineert het, echt. Met iets, met iemand, geen grenzen. Eerst kwam de combinatie koekjes bakken – onhandige kookkluns. Remedie daartegen is echter een kookboek. En had die moeder nu net niet enkele weken daarvoor (als subtiele hint) een kookboek “Bakpret voor kleine handjes” gekregen? De moeder heeft kleine handjes, gaat nu eenmaal graag in op hints, zeker als ze van de ouders van haar toekomstige metekind komen (jawel, hoera!!!), en bedacht dat ze daarmee dus zou scoren bij zichzelf (grenzen verleggen, en van die dingen), bij de oudste zoon (met koekjes naar school, stel je voor!), bij de man (mits geen halve keuken laten uitbranden), bij de ouders van het toekomstige metekind (want gebruik van kookboekkado), bij de jongste zoon (gewoon: koeken. Eten) en misschien zelfs bij de juf als ultiem bonuspunt. Kunnen scoren bij minstens zeven mensen, door simpelweg koekjes te bakken. Klonk de moeder als muziek in de oren, en nog meer: als een steengoed en strak plan.

En dus geschiedde. Pedagogische doelstelling van deze activiteit: kinderen betrekken, zelfwaarde, het “hé-ik-kan-iets”-gevoel versterken en zo verder. Er werden dus ingrediënten samengevoegd, zoals dat heet. En toen zagen moeder en kinderen het nog heel hard zitten. Tot de kinderhandjes zich ook zouden mengen in de ingrediënten. Na een paar keer de opmerking gekregen te hebben dat dit toch wel heel vieze koeken zouden zijn, werden de kinderhanden afgespoeld en namen de iets grotere handen de controle. Tempo tempo, ’t moest een beetje vooruit gaan. Tenslotte was het al zondagnamiddag.

Kneden ging de kinderhandjes dan wel weer goed af. En dan mochten er dingen gevuld worden met andere dingen. En daarvoor had je zo’n ding nodig, dat je gebruikt wanneer je je vinger niet mag gebruiken om de kom leeg te maken.

Enfin. Fase twee van de werken. Zonen hadden zich intussen al verschanst tussen speelgoed en televisie, zodat de moeder in haar eentje van de hele keuken een slagveld moest maken. Immer van haar plicht bewust besloot ze dan ook om dit met volledige overgave te doen. Meer zelfs, alle waarschuwingen voor zelfoverschatting ten spijt werd zowaar besloten om twee (2!!) ‘dingen’ te bakken. Koekjes en cakejes, jawel!

En die koekjes zouden versierd worden, met glazuur. Omdat dat zo in het boek staat, ja. En die moeder is nogal conformistisch als het op kookboeken aankomt. En die cakejes zouden ook versierd worden, met berenhoofden. Meer eerst moest nog even vlug een nieuwe film ingestopt worden om de zonen wat zoet te houden.

Dus: versierde koekjes en cakejes. Herken de ‘P’! Herken de ‘4’. Herken de genialiteit, de creativiteit, de ongetwijfeld nooit geziene pracht van koekjes. Enfin, dat zelfgemaakte koekjes er behoorlijk ordinair kunnen utzien was het laatste van moeders zorgen. Niets was aangebrand, de keuken stond er nog, en het indianenmasker van bloem en suiker kon makkelijk weggewassen worden. Klinkt als ‘missie geslaagd’!

Tot de Peter Goossens van Sellewie langskwam. Alles Peter, niets Sergio, behalve dan misschien de strenge blik waarvoor de moeder hier ten huize al lang niet meer in zwijm valt. Enfin, de echtgenoot, DrieSterrenPeter van dienst zijnde, bedacht dat “’t Geregje toch wel’n beetje te veel naar suiker smaakte. En of er iets met die glazuur was gebeurd? Omdat dat er toch zo onglazurig uitzag?” Met chef-koks uit Sellewie moet men niet discussiëren, en al zeker niet als men er nog een bed mee moet delen. Dus werden overal de glazuur/suikerlaagjes afgeschraapt en dat was dat.

Tot! Tot! Tot! Moeder met een nieuw plan kwam (ja, we spreken hier over een doorzettertje): chocoladeversierselkens op de koekjes aanbrengen. Ergens nog een spuit uitgehaald, chocolade laten smelten (oo bain marie natuurlijk), en in opperste concentratie de ‘P’ (“stokje en buikje boven hé mama”), de ‘4’ (“mo ség, da moet wel recht hé mama”) en een occasioneel bloemetje (bakken voor gevorderden) en hartje (voor de DrieSterrenPeter) op de koekjes gooien.

Enfin. Ze werden eetbaar geacht, de koekjes. En na een rusteloze nacht vol nachtmerries over voedselvergiftigde kleuters, hysterisch lachende juffen en boze ouders werd het bewijs van een gebrek aan zelfkennis meegegeven naar school.

En kijk! Toen de moeder die avond thuiskwam zag ze zowaar een berichtje van de juf. Met trillende vingers werd het boekje van de oudste zoon opengeslagen en wat toen gebeurde kan geen mens beschrijven: de vreugde, de intense blijheid, het gevoel van puur, intens kindergeluk. De moeder had zowaar een stempel gekregen van de juf! Het was het waard, elke seconde van pure inspanning…

verlatingsangst

Zo net voor je naar school moet gaan, dat is wel een goede periode om eens een ontwikkelingspsychologische inhaalbeweging te doen. Niet waar, kleine lieve Fries van me?

Je moeder eerst vol vertrouwen dat nieuwe schooljaar tegemoet laten zien, zorgen dat ze er allemaal heel gerust in is, dat die eerste schooldag van jou heel goed zal meevallen, want dat je er klaar voor bent en nog van die dingen die ouders zichzelf wijsmaken om het schuldgevoel wat te temperen.

Heel enthousiast praten over klas en skool en juffouw en koekjes eten en spahettieee eten op skool, over leren knutselen, tekenen, singen, tansen en turnen. Over poekentas en nieuwe soentjes, over A. en S. en R. die ook mee naar de grote school gaan. Over ‘Fries nie meer baby é, Fries naar de klas, Fries grote, flinke jongen‘.

Zo ging dat dus de laatste weken/maanden. Met een air dat hij wel eens even vlug die eerste kleuterklas zou doorlopen om dan in rechte lijn naar zijn dokterspraktijk te wandelen. Tot een maand geleden.

Intussen heeft meneer zijn nieuw plan klaar en dat is het ‘start-to-krijs-wanneer-je-moeder-er-nog-maar-aan-denkt-om-haar-rug-te-draaien’. Krijsen dus, gecombineerd met dikke, natte tranen, een occasionele snottebel en het door merg en been snijdende “Mah-maaaaaah!!!”. Zo aanstekelijk blijkbaar dat Benne de helft van de tijd gezellig meedoet.

Wat kijken we hier uit naar 1 september zeg. Kleine zakdoek voor Benne en Fries, donsovertrek voor moeder.

Robèèèèrt! Drie pintjes en ne cola light voor dien onnozelaar hier.

De Sterre.  Volks café in de Voskenslaan in Gent. Stamcafé van ettelijke generaties Astridianen (ofte: bewoners van de coolste studentenhome van Gent). Jukebox, pooltafel, darts, tapijt dat al 20 jaar niet meer werd gekuist, duizend foto’s aan de muur van studenten, Cara pils als het bier al op was voor de brouwer had kunnen leveren, honderden studenten, één cafébaas: Robert.

De cafébaas die me tevergeefs Gents probeerde te leren begrijpen, hij die naar de Scabs heeft geluisterd tot het zijn oren uitkwam, diegene bij wie ik op zondag wel als eerste moesten langsgaan om daar met mijn verse 2000 frank zakgeld de poef van de vorige week te betalen. Zodat er eigenlijk op zondagavond weeral niet veel meer over was.

De cafébaas die honderden eerste kussen heeft gezien en minstens evenveel laatste kussen. Om de dag erna te luisteren naar het liefdesverdriet, de wanhoop. Met al zijn wijsheid moet hij zich vaak afgevraagd hebben wat hij in godsnaam deed tussen zo’n bende puberale studenten. Als hij het al dacht, liet hij het nooit merken.

De cafébaas die maar bleef luisteren naar onze plannen om de wereld te verbeteren, om de politiek te hervormen, om Sergio echt wel naar het Songfestival te sturen, om de voetbalwereld eens op te kuisen. De cafébaas die goedkeurend knikte toen ik eindelijk de buitenspelregel(s) kon uitleggen.

De cafébaas die zijn vrouw Lud introduceerde, met haar vreemde Russische baksels in een keuken die nu nooit nog door eender welke inspectie zou raken. Lud, die Nederlands moest leren, en wij die haar dat niet konden leren omdat de kern van onze woordenschat bestond uit bier, pint, muziek, feest.

De cafébaas die voor velen als een vader was, een ongelooflijk luisterend oor, die een half uur kon knikken om dan vervolgens zwijgzaam nog een pint voor je neer te zetten. De wereld zag er toen telkens een stukje beter uit.

De cafébaas die cantussen filmde, maar waar (gelukkig voor velen) niets van terug te vinden is op YouTube en dergelijke. Het aantal bezwarende foto’s en filmpjes groeide nochtans elk jaar.

De cafébaas de ooit mijn ouders en huidige schoonouders op bezoek kreeg. En die wijselijk zweeg.

Vijf jaar student in Gent. Overpoort? Zelden geweest. Café De Sterre des te meer.

Robert, visser vaar naar huis. Bedankt en santé!

Crisis (gelukkig maar half)

Fries. Is. Allergisch. Aan. Bepaalde*. Antibiotica!!!

Voila, iedereen weet het nu, onthou het en geef het kind niet zomaar meer siroopjes tegen keelontstekingen of andere vlammende aandoeningen. Anders maken we hier weer een halve crisis mee. Zoals deze afgelopen dagen:

– weekend: Fries zit met hoge koorts maar houdt zich enorm sterk.

– maandag: bezoek aan de kinderarts, zware keelontsteking, ’t ventje krijgt Clamoxyl voorgeschreven. Wat misschien ook niet strikt nodig was, aangezien de meeste keelontstekingen veroorzaakt worden door virussen en we weten het intussen al wel: antibiotica werken niet bij virale infecties. Maar bon, de witte jas zal wel weten wat ze doet zeker?

– dinsdag: Friesje is al wat beter, stilte voor de storm…

– woensdag: Fries staat op met overal (grote) vlekken, puistjes en een allermottigst gezicht. Plots is hij weer het kleine beebietje, hangt, zeurt, … Hij kan die dag terecht bij oma C., alwaar hij nog een dagje verder kan uitzieken. Moeder belt intussen naar de onthaalmoeder en doet het hele vlekjesverhaal. Die waarschuwt ons gelukkig voor een allergie voor antibiotica (want mijn dochter … ziekenhuis … spoed … op tijd erbij …). De stress slaat toe. Moeder belt naar oma C., beveelt (jawel! aan mijn eigen moeder, zeg) om geen siroop meer te geven en de huisarts aldaar te bellen (waar ik trouwens nog altijd tien keer meer vertrouwen in heb dan in alle dokters van Sellewie en omstreken).

– woensdagmiddag: oma C. staat op het punt om met Fries naar de spoed te gaan als de huisarts langskomt. Die weet te melden dat kleine Fries allergisch reageert op zijn siroop en dat hij dringend wat vocht en suiker moet bijnemen. Gevolg: een heel arsenaal aan nieuwe doosjes medicijnen, druivensuiker, zakjes voor sapjes, puffertjes (oh, mijn eigen heimwee naar het Ventolin-puffertje!), siroopje tegen de jeuk. Alles naast elkaar: een halve meter producten dus.

Enfin: crisis bezworen, Friesje al heel wat beter. Maar hij heeft nog wat medelijden te goed, dat krijgt hij dit weekend, exclusief voor hem en zijn allergietjes (nu al op vier: huisdieren, huisstofmijt, hooikoorts en iets* van antibiotica).

Tijd dat het weekend is, denk ik zo.

*bij de huisarts in Sellewie kreeg hij telkens Amoxicilline voorgeschreven, en vertoonde geen reacties. Nu bij de kinderarts was dit Clamoxyl en meneertje reageert daar dus wel serieus sterk op. Ofwel is die allergie er plots gekomen, ofwel heeft hij het niet zo voor merken?