burgerdingen

Nog in Kortrijk, gisteren, voor de fenomenale doortocht door het station. Ik had mijn auto op de parking van die Collect&Go-winkel gezet. Mag niet, ik weet het, maar ik ging die dag we nog naar een andere winkel van die keten gaan, dus mijn geweten had er principieel geen bezwaar tegen dat ik me daar ging zetten. Viel dat weer even dik tegen. Nog maar net geparkeerd, volop bezig met buggy en twee kinderen uit de auto te halen krijg ik te horen: “Madam, ik ben van de burgerwacht, ’t is voor ne sticker.” Ik vraag hoeveel dat dat kost, en gewoon om van die vent af te zijn geef ik hem anderhalve euro. Ik krijg zo’n sticker van een ‘burgerwacht’ met klein meisje, en daaronder de schone woorden ‘burgerlijke veiligheid’. Ding in de auto gegooid en weg. En het krioelde daar van die mensen. En eerlijk: ze zagen me er echt niet al te snugger uit. Maar verkopen deden die stickers wel.

De echtgenoot vindt ’s middags die sticker in de auto en ik doe hem het hele verhaal (’t kan soms echt over onbenulligheden gaan bij ons). Met mijn eigen gedachte dat ze er niet al te snugger uitzagen. De vent had het weeral vlugger door dan de kip: dat die stickerverkoop wellicht weer een verborgen activiteit is van bepaalde politieke partijen. Op Google heb ik alleszins niets gevonden over stickerverkoop bij burgerwachten, de burgerwacht zelf, activiteiten die ze organiseren, … 

Weet iemand wat die burgerwacht precies kan/zou moeten inhouden? En als iemand de sticker wil: vraag het maar, ik vind het toch geen mooi ding.

meest nutteloze aankoop

Inwendige conversatie met mezelf, deze morgen:

“Oh, kijk! Een Brita-kan, om je kraantjeswater te zuiveren. Zou ik ook nog wel willen…”

“Ah, juist, ik heb er al één :-)”

En die gebruik ik dus nooit meer. Omdat:

  1. Ik mijn water rechtstreeks uit het kraantje haal, ik heb daar geen filter voor nodig. Ik heb nogal een redelijk groot vertrouwen in die leidingmensen en hun watercontroles.
  2. Mensen die geen kraantjeswater (willen) drinken kan ik toch *niet* overtuigen dat wel te doen, zelfs niet als het gefilterd uit een Brita-kan komt.
  3. Dus ik schenk voor die mensen gewoon flessenwater. Of: als ik ze eens goed wil liggen hebben geef ik ze toch kraantjeswater, gewoon om te zien of ze ’t merken. Ik vermoed dat er geen kraantjeswaterallergieën bestaan en dat ik dus niemands leven hiermee op het spel zet? Als u ’t wil weten of ik u ooit heb ‘gehad’: vraag het maar, ik geef eerlijk antwoord.

Dus: De Brita-kan is de meest nutteloze aankoop tot nu toe. Benieuwd of die stofzuiger die ik straks ga halen zijn reputatie zal kunnen waarmaken.

ter herinnering

Even ter herinnering voor mezelf: Mens, je bent echt wel een gelukzak. Op sommige momenten lig je niet met je gat, maar eerder met je hele lijf in de boter te wriemelen van contentement. Onthou dat dan ook wat vaker. Gewoon even:

  • Ik ben al bijna tien jaar samen met een jongen die ik echt mocht graag zien en nog altijd graag zie, ook al denk ik soms dat dat meer zijn verdienste is dan de mijne. De familie heeft zich niet gemoeid met schatten of kamelen, ’t was al goed genoeg dat ik van straat was.
  • Ik heb twee probleemloze zwangerschappen achter de rug, de ene veel trager dan gepland, de andere veel sneller dan gepland, maar 2×9 maanden zonder misselijkheid en kotsneigingen noem ik geluk hebben.
  • Er zijn twee schattige nog geen meter grote wijsneuzen op deze wereld die ik mijn zonen mag noemen. Ik heb ze nog niet aan draadjes zien hangen in een ziekenhuis, ik kon ze tot nu toe altijd troosten toen ze bang waren of pijn hadden, ik heb ze hoogstens eens van het aanrecht laten vallen of met mijn uurwerk een schram in hun gezicht gemaakt. Mijn grootste trauma met hen is windpokken en een net-niet-longontsteking. Zei ik al iets over boter en lijf? In de zomermaanden zie ik mijn huisarts nooit, in de wintermaanden heb ik de luxe langs te kunnen bij het minste zuchtje en piepje dat uit die koters hun longen lijkt te komen.
  • Ik ben één van die mensen die zich zorgen kunnen maken over hun huis, dat dat altijd wel beter kan, dat bepaalde dingen toch anders mogen zijn, maar hey: ik heb een stevig en groot dak boven mijn hoofd. ’t Staat wel niet waar ik het zou willen, maar in het licht van ’s werelds uitgestrektheid is dat een te verwaarlozen punt, denkt een mens dan op een dag als deze.
  • Ik heb werk, wat zoveel betekent als: ik krijg elke maand nieuwe eurootjes op mijn rekening. En het leuke is dat ik dat geld nog verdien door dingen te doen die ik echt wel graag doe. Wat ook weinigen gegeven is in de wereld. Ik moet me geen zorgen maken over vers of oud brood, ’t is altijd vers, want ik kan dat betalen. Ik moet niet bang zijn om de deur open te doen, hoogstens komen ze mij ambeteren met de vraag of ik een nieuw gsm-abonnement wil. Ik zucht wel eens bij rekeningen, en soms laat ik een wreed schoon kleedje hangen omdat ik daar geen geld wil aan geven, maar ik heb alles wat ik nodig heb en kleedjes durf ik toch niet zoveel te dragen. Alles hebben wat ik wil zou me niet per sé contenter maken in dit leven.
  • Ik krijg water uit een kraan, ik krijg stroom uit twee gaatjes, ik krijg post (als ik tenminste mijn facteur niet omverrij), ik krijg kaartjes bij mijn verjaardag, ik krijg sms’jes en ik word nog altijd uitgenodigd voor feestjes. ’t Moet zijn dat ik bij momenten dus best wel een aimabel mens ben. Ook heel fijn is: ik kan allerhande brol lezen en tellen hoeveel keer het nog slapen is voor Sinterklaas komt. Ik kan, als moeder die een vader goed overtuigen kan, Sinterklaas uitnodigen voor mijn zonen, kan de paashaas en desgewenst zelfs de klokken uit Rome optrommelen. Ik kan ze instructies geven om met hopen chocolade en speelgoed en boekjes en kleertjes af te komen.
  • Er is een school voor mijn oudste zoon en volgend jaar voor de jongste zoon. En daarvoor moeten ze geen halve dag te voet voor wandelen. Dat ligt op redelijke afstand van dat dak boven mijn en hun hoofd en er geven daar meesters en juffen les die daar iets van kennen.  
  • En dat gaat zo al een tijdje goed, en al wat eerder is gebeurd lijkt weeral ver weg en verwerkt, en ’t leven is echt luchtig en levendig en warm en wat zo nog al van Eftelingachtige woorden.

Een gelukkig mens dus, zou men denken. Maar die definitie van geluk is mij altijd zo wazig gebleven. En net omdat dat hele geluksconcept ook zo broos lijkt en moeilijk vast te houden is, durf ik het niet teveel uitspreken. Er zijn teveel mensen met wie het op dit ogenblik niet zo goed gaat, er gebeuren teveel dingen waar een mens echt kwaad van zou worden. Ik kan nooit precies zeggen wanneer ik gelukkig was of ben, altijd is er wel iets waardoor je een beetje beschaamd bent voor je eigen ‘geluk’. Content ja, wreed content, niet ondanks veel, maar dankzij veel. Echt content, dat ben ik. En ik spreek voor vier.

Iemand hier van hetzelfde? Of van iets anders? Net wel of niet beschaamd geweest over gelukkig of content zijn?

En nog iets over Italië

Dat we terug zijn, maar dat had u wel door. Dat ik mijn vader daar zijn eerste deftige pizza heb leren eten, en dat hem dat nog gesmaakt heeft ook. Dat ik mijn ouders heb geleerd dat je restjes pasta niet moet weggooien maar dat je daar met wat pesto bij nog heel veel buikgenot van kan hebben de dag erna (ik, de keukenprinses, ha!). Dat ik wel degelijk kan kaartlezen en dat onze twee gps hebbende medechauffeurs op den duur mijn oriëntatievermogen meer vertrouwden dan hun eigen Suzanne of Patrick. *Einde gestoef*

Dat ik mijn definitie van ‘vakantie’ voor de komende vijftien jaar grondig moet bijstellen. Vakantie is nu: een beetje vermoeid die periode starten omdat je nog vlug vlug wat dingen wilde afwerken. Na één week de bobbels op je gezicht tellen en de koortsblazen proberen meester te worden, om na twee weken met verse wallen onder je ogen terug te komen en te besluiten dat je maar weer meer je bril zal dragen om die ondingen te verbergen voor de medemens. Dit met dank aan veel te lange (maar gezellige) avonden en veel te vroege (een beetje gezellige) ochtenden en halve nachten. Maar mooie zonsopgangen daar in Italië, echt schoon gedoe!

Vakantie is dus niet meer: twee weken de hort op, vanalles van nieuwe sporten uitproberen, half gekneusd en geblutst terugkeren, met een gemiddelde van 1 boek per 2 dagen achter de kiezen. Vakantie is nu wel: lachen met de grappen en grollen van een peuter en een kleuter, ze troosten als zijzelf half gekneusd en geblutst naar hun mama of papa toekomen, en een gemiddelde van 36 dvd’s per dag om toch maar een rustig moment te hebben. Niet mijn idee, die dvd-speler, maar wel verdomd handig als je eens het halve stort in de tuin wil opruimen zonder elke vijf seconden te moeten controleren of één van je twee gasten niet halvelings over het balkon hangt te bengelen.

Ooit komt de dag… dat ik terug echte vakantie hebben mag. Tot die tijd houden we het beiden op quality-time met onze koters 🙂 Maar mijn wraak zal zoet zijn, ik verwittig ze nu al!

En nee, die trouwring is nog niet teruggevonden, maar wij hebben al een veel beter idee. Later meer…

it’s raining kleine Italiener…

Wat er in Italië dringend moet gebeuren:

  • minder regen als ik er ben, meer zon. Twee dagen van de zeven is te veel. Ik heb die aftersunmelk niet voor niets gekocht, hé. Voordeel is wel dat het boekenlezen hier vlotjes gaat: de eerste van Stieg Larsson (“Mannen die vrouwen haten”), zo’n boek gaat er op tijd en stond wel in. Is ook al verslonden: Atonement van Ian McEwan, azo schoon zeg! Begonnen: Mevrouw Verona daalt de heuvel af van Dimitri Verhulst, en 1984 van George Orwell. Ligt nog klaar: Until I find you van John Irving en de schrijfseltjes van  Jane Austen, verder nog: de andere twee van Stieg Larsson.
  • minder haarspeldbochten want ik ben hier zo al een aantal jaren van mijn leven kwijt aan pure stress om van punt A naar punt B te raken, via een route waar de betere rollercoaster zelfs niet goed van zou zijn.
  • minder koortsblazen. Niet dat dat nu specifiek iets met dit land te maken heeft, maar op reis gaan met een rij koortsblazen met Dolomieten-ambities is niet leuk. Op vakantiefoto’s anno 2009 zal je mij dus vaak zien met een wat zurig lachje zien. Angst om die dingen te doen openspringen is het dus.
  • Ook nog dringend gevraagd: Valium-verstuivers: om die twee gasten van mij wat langer te laten slapen. Het concept ‘vakantie’ hebben die twee nog niet zo goed door, tenzij een dauwtrip om 03.40 uur onder de noemer ontspanning valt. Vier jaar geleden wel nog, nu niet meer, dank u.

Wat nooit mag veranderen in Italië:

  • het gestoef met mijn twee zonen en bij uitbreiding met alle neefjes hier aanwezig. Telkens als wij fietskar-, buggy- of draagdoekgewijs de hort opgaan worden wij tegengehouden door jong en oud om ‘mi complimenti’, ‘belissimo’, ‘bello bambino’, en andere verrukte kreetjes uit te slaan. Bovenop mijn 1 meter 62 is intussen al 20 cm gegroeid. Leve Don Fries Juan en Dr. Benne Love. Blond betekent hier nog iets!
  • Bennes oneliners: zoals Benne die wijst naar mijn koortsblazen, heel erg bezorgd vraagt: “Mama, dat gaat toch nog weg hé?”, ik knik en zeg dat dat grotendeels van hem en zijn broer zal afhangen. Hij sust en zegt: “De maan zal dat wel wegdoen, mamaatje!”.
  • Nog? Benne ziet een dame in een rolstoel. ’t Kind roept het uit: “Kijk, die mevrouw gaat dood!”. In het licht van de eeuwigheid heeft hij gelijk, maar gelukkig begrijpen ze hier zijn gekwebbel niet.
  • En zo zijn we gisteren ook op zoek gegaan naar het kasteel van Prins Martino, vroeg hij zich af waarom dat kasteel geen springkasteel was, had hij plotseling medelijden met prins Martino en kreeg de echtgenoot zowaar enorm veel zin in het gelijknamige broodje.
  • Ook nog goed voor warme momenten in een wetsuit: schone instructeurs die me goed vastnemen tijdens het canyoning. Ik die zo de stoere probeer uit te hangen en indruk wil maken op echtgenoot en instructeur. Samen met schoonzus Kim van rotsen en rotsjes gegleden, gesprongen van veel te hoge rotsen en bruggen. Allemaal om toch maar in die schone oogskes van de schoonste Italiaan tot nu toe te kunnen kijken. Straks eens flauwvallen op de mountainbike zodat de flying verplegers mij kunnen komen halen 🙂

Conclusie: ik amuseer me hier wel, maar ’t mag nu stoppen met regenen zodat ik weer naar buiten kan, die kuiten nog wat kleur geven. Ciao!

ik ga op reis en ik neem mee:

Boeken! Ik ben een total loss boekenwurm. Er zijn maanden dat ik behalve mijn Humo en de verjaardagskalender op het toilet niets lees. Er zijn maanden waarin ik een aanloopje neem en er vijf boeken op het nachtkastje liggen, telkens met een bladwijzer erin die zich situeert tussen de eerste en vijftigste pagina, en er zijn maanden waarin in sprintjes trek. Waar boeken van 500 bladzijden in drie dagen worden uitgelezen. Of correcter: in drie nachten. Want overdag werk ik voor de job, ’s avonds werk ik voor het huishouden en ’s nachts, rond een uur of twaalf duik ik in mijn bed met een boek. Dat blijf ik lezen tot de nacht overgaat in de dag (zo ergens rond vier uur, half vijf) om vervolgens als een halve zombie de dag door te komen, te verlangen tot ik weer in mijn bed kan om de resterende pagina’s te lezen.

“Lees dan in kleine stukjes, een beetje hier, een beetje daar” hoor ik dan als tip tegen dat nachtelijk lettervreten. Werkt dus niet bij mij: zet mij met een boek op het kleinste kamertje en dat blijft een halve dag bezet, zet mij met een boek op de trein en ik krijg een pesthumeur als ik moet afstappen voor mijn boek en ik er klaar voor zijn, zet mij in de keuken terwijl de soep opwarmt en die brandt sowieso aan (nuja, anders ook).

Na mijn halfjaarlijkse (zomer- en winterperiode) literaire uitputtingsslag moet ik dus telkens zo’n vijf maanden bekomen. Om er dan weer voor een maand in te vliegen en junkiegewijs telkens te beloven dat ik nu echt wel ga stoppen, nog eentje, nog één hoofdstukje, … Ik moet leren om saaie boeken te lezen. Maar in zo’n boekenvreetbui lijkt zelfs de bijbel onwaarschijnlijk spannend.

[USA] Wat ik me afvroeg…

Dingen waarover ik vandaag hard heb nagedacht:

  • de zin van het leven, maar daar denk ik natuurlijk elke dag heel hard over na,
  • hoe het zou zijn met mijn bijna 3-jarige en mijn bijna anderhalfjarige,
  • hoe het zou zijn met mijn 31-jarige,
  • of ik niet moet opletten als ik terug thuis kom met dat handjes schudden en knuffelen omdat ik toch wel een Mexicaans-grieprisico ben,
  • wat ik het eerst zou eten als ik terug thuis kom. Zijn nog in de running: spaghetti van de echtgenoot, frietjes van het St-Louis frietkot (u ziet, we doen hier chique in ons gehucht),
  • of ik al dan niet nog een bad zou nemen als ik zaterdagavond thuisben,
  • of ik al dan niet zaterdagavond zal thuisraken (ik heb namelijk maar een uur om in Philadelphia mijn vlucht naar Londen te halen),
  • of ik in mijn leven ooit nog meer onder de indruk zal zijn dan van iets wat komende zondag drie jaar geleden gebeurd is. En dat bedacht ik terwijl ik op een plaats stond waar de meeste mensen wel van onder de indruk zouden zijn. Op een plaats die door dé Amerikanen (en zij kunnen het weten) als tweede mooiste in dé (hun?) wereld wordt beschouwd: Duquesne Incline in Pittsburgh. Mooi, maar ik was er nog geen fractie van onder de indruk als ik onder de indruk was van die zoon van me, toen die me bijna drie jaar geleden onderplaste, nog geen minuut oud. Hij had het opgehouden, dat moest ik niet afvragen, daar ben ik zeker van. Zo is hij.

[USA] Op zoek naar… fruit

Een hele dag heb ik lopen zoeken naar fruit. Het enige wat ik heb kunnen scoren was een yoghurtje met aardbeien. En als ik gewild had waren daar ook nog bij: frieten, hamburgers, 7 keer McDo’s, chicken wings, hotdogs, extralarge hotdogs, nog een keer McDo’s en pretzels. Maar fruit? Wellicht zijn ze dat zo’n 500 jaar geleden vergeten mee te importeren. Door heel die zoektocht heb ik dus al tamelijk veel afgewandeld en al veel torens gezien waarvan een mens een nekbreuk (bestaat dat eigenlijk) zou oplopen van het steeds maar weer omhoog kijken. En twee eekhoorntjes, eentje zelfs op het voetbad van een enorm drukke straat (Forbes Ave. voor de kenners). Ja kijk, dat eekhoorntje blijft me bij, omdat ik weet dat ik met de foto’s van dat beestje ga scoren bij mijn kleine mannen als ik zaterdagavond thuiskom.

MSBF_juni2009 053

Die kleine mannen, blonde god Benne en always-smiling Fries,  zitten trouwens te zwaaien en kushandjes te werpen alsof hun halve leven ervan afhangt. Hoe ik dat zo weet? Omdat ik dat zie en hoor en net niet voel via Skype. En zo weet Benne dat zijn mama in Amerika zit, om te werken. En dan zegt hij: “Mijn Amerika”, want “mijn mama” zit daar. Obama is gewaarschuwd. Zolang ik elke dag mijn portie peuter- en kleuterkusjes krijg gaat alles goed dus 🙂

Brighton Pier

’t Zal allemaal wel mooi zijn ’s nachts en zo, en ook overdag is het van ver redelijk indrukwekkend. Maar als je erop loopt is dat maar een vreemd gevoel. Lawaai, gejengel, bliep bliep, toenke toenk, boem boem, zoef dzjief, wiiiieeep, … gecombineerd met het arsenaal aan lichtjes waar zelfs een zomerse sterrenhemel niet tegenop kan. Het was fout van ons (blondie hier en collega K.) om die pier overdag te gaan bekijken. Zo zie je meteen wat voor mankementjes er aan dat houtwerk zitten, hoe oud en onverzorgd alles is, hoe ongelooflijk mistroostig het hele gedoe wel is, wat een tristesse daarvan afstraalt. Vergane glorie, en toch nog zo levendig. Zoveel momenten zijn daar al beleefd en zoveel mensen zijn daar al gepasseerd: eerste liefjes, eerste break-ups, zatte nonkels, verdwenen kinderen, depressieve moeders, twinkeloogjes, tienermoeders op stap, jolijtige baasjes, oude elegante dames, eenzame mannen, de laatste pond van de maand inwisselen om toch maar de one-armed bandit meester te kunnen, al je zakgeld verspelen om die nieuwe Wii-toepassing te kunnen winnen, …

Een fotograaf met 1. een fototoestel en 2. oog voor detail en 3. nostalgie en 4. een zekere vakkennis zou hier prachtige, warme, glorierijke beelden van kunnen schieten. Mij ontbreekt het voorlopig aan 1. en voor eeuwig aan 4.