Van 4 naar 6.

Sommige weekends lijken wij hier wel een nieuw samengesteld gezin. Met twee blonde jongens en twee bruinharige jongens. De twee blonde zijn ‘van ons’, de twee bruinharige ventjes zijn niet van ons. Die laatste komen hier in ’t weekend wat onnozel doen, samen met ons (gast- of pleeggezinactiviteiten heet zoiets dan). Een beetje tijd doorbrengen in een gewoon gezin, zoals de pedagogen van de instelling dit noemen.

Twee broertjes, M. en I.  (*), bijna 7 en bijna 4 jaar oud, al een aantal jaren ‘instellingskinderen’, maar ondanks dit heel vlijtige, lieve, drukke, bezige baasjes. We zien ze graag, zij vinden ons ook leuk, dus we hopen dat we hier nog een aantal jaren mee mogen doorgaan. Dat we ze toch enkele fijne herinneringen kunnen geven aan hun kindertijd, dat ze misschien later een extra (t)huis hebben waar ze terecht kunnen met dingen die hen bezighouden, goed of minder goed, dat ze gewoon weten dat er ook nog buiten hun grote huis mensen zijn die hen heel graag zien. Druppels op een hete plaat? Te hoge verwachtingen? Misschien, maar alle beetjes helpen en wie niet probeert…

Maar wat we ook hopen is dat Benne en Fries zo opgroeien tot kinderen/jongeren die sociaal bewogen zijn, die weten dat wat zij allemaal hebben niet vanzelfsprekend is en dat ze dus niet moeten onnozel doen als ze op 12-jarige leeftijd zelf hun PlayStation zullen moeten bijeen sparen.

En dan nog enkele vooroordelen (u hoeft ze dus niet meer te vermelden, we hebben ze al eens gehoord :-)):

  • Tot nu toe hebben de onze geen lelijke manieren geleerd, nee. ’t Is niet omdat M. en I. uit een instelling komen dat ze daarom krapuul zijn. Zeker niet.
  • Benne en Fries worden niet verwaarloosd, ze moeten niet inleveren. Ze moeten gewoon hun speelgoed leren delen. Is dat inleveren?
  • Ja, wij hebben nog tijd over. Omdat mijn eigen kinderen nogal druktemakers zijn moest ik er dus ook al niet aan denken om soep te maken (denk ik dat sowieso al?), te kuisen, te strijken, … terwijl ze wakker zijn. Dus veel verschil maakt het niet uit. Opruimen gaat hier nu zelfs makkelijker, want met vier opruimen vinden ze hier behoorlijk leuk.
  • En een laatste kan ik wel bevestigen: vier kinderen is druk. Pompaf zijn we ’s avonds, alle zes. Voordeel van dit alles is dat we wel heel goed slapen als de broertjes  hier zijn geweest. Druk, maar wel zot en geestig! Een aanrader dus!

(*) ’t is niet omdat ik mijn eigen kinderen geen recht op privacy gun en  hier al hun avonturen te grabbel gooi, dat ik dat met een ander zijn kinderen mag he:-)

Mmmmm! Mosselen!

Zo ergens tussen Tunesië en de West-Vlaanders, via Skype:

– Mamaaaa, wij (= oma ‘Tien, opa ‘Nard, tante Lalotte en nonkel Kaas) eten mosselen vanavond!

– Waauw, kindje, mosselen! Fantastisch! Da’s heel lekker, eet maar flink veel mosselen!

– Jaaah mama, met frietjes!

– Allez zeg, ik wou dat ik er bij was, lekkere mosselen uit de zee eten! Mmmmmm!

Kijk Benne, als je oud genoeg bent om dit te lezen: ik heb gelogen tegen je. Flagrant, zoals een moeder het niet zou mogen doen. Je moeder heeft namelijk een grandioze afkeer van mosselen sinds ze er eentje moest dissecteren. En nee, dat betert niet met de jaren, integendeel. Mijn maag zou spontaan z’n inhoud verliezen bij het zien, ruiken of zelfs horen van een mossel. Maar omwille van pedagogische doeleinden heb ik dus mijn krulneus niet opgezet toen je ’t woord ‘mosselen’ liet vallen. Ik heb me mentaal een spaghetti voorgesteld en deed lekker enthousiast over je avondmaal. Ik hoop dat het je heeft gesmaakt, kleine vent. Mocht je uiteindelijk toch geen mosselen lusten, dan is het niet omdat je moeder je geconditioneerd heeft met haar kokhalsgeluiden. Nee echt, eet smakelijk! Je vader zal ze wel voor je koken als je dat wil.

allergische shiners

Kinderarts aan moeder: “Ja, ik herken dat direct dus hé, dat zijn dus van die allergische shiners, wij noemen dat een allergische bril. Je ziet dat direct, da’s overduidelijk bij dat ventje hier, die heeft daar echt last van, zo’n donkere kringen rond zijn ogen…”

Ik kwam niet voor zijn bril, allergisch of niet, ik kwam omdat ik vond dat de huiduitslag van de F-man wel een beetje de spuigaten uitliep. Akkoord dat het ventje er een beetje mottig moet uitzien en altijd met open mond moet rondlopen, al zeverend en hijgend, en dat we moeten wachten tot dat eruit groeit, maar eczeem is van een andere orde.

Bleek de gevlektheid en gekorreldheid van Zijne Ruwheid dus ook weer een gevolg te zijn van zijn allergie. Voedselallergie probeerde ik nog, hopend op iets nieuws, maar nee: algehele allergie aan alles wat met stof en pollen te maken heeft. Na de oren (buisjes), de luchtwegen (puffers), de honden (op een boerderij in Nederland), de tapijten (waar?), de flanellen lakens (waar?), roken in huis (waar?), … is het dus nu van ‘algemene allergie’ te doen. En met de benaming ‘allergische bril’ hebben we nog een cool ziektebeeld ook… We gaan er dus van uit dat mijn jongste hyperallergisch is en ik mag al tevreden zijn dat hij mij nog verdraagt. Allergische bril dus, of zijn het toch nog de poliepen?

Eens een maand testen met anti-allergische pillen en siroop en als de kleine vent daarna nog steeds met een allergische (zonne)bril rondloopt, zevert, met zijn mond open slaapt en daarbij zo een wedstrijd rochelen en reutelen voor bejaarden zou winnen, dan vliegen zijn poliepen eruit. En als dat zou werken? Dan vliegen de mijne er ook helemaal uit want ik ben mijn allergische bril ook wel een beetje beu. Nogal een geluk dat ik het bestaan van concealers heb ontdekt, ik mag dat nu wel gebruiken vind ik, op mijn leeftijd 🙂

En hopelijk lukt het vanaf nu om wat regelmatiger te schrijven. Genoeg zaken om te schrijven, daar niet van, maar ik wil u liever entertainen met onnozeliteiten en luchtige schrijfsels dan met half existentiële crisissen, met die laatste zou ik zelfs de mensen in real life niet durven vervelen 🙂

Robèèèèrt! Drie pintjes en ne cola light voor dien onnozelaar hier.

De Sterre.  Volks café in de Voskenslaan in Gent. Stamcafé van ettelijke generaties Astridianen (ofte: bewoners van de coolste studentenhome van Gent). Jukebox, pooltafel, darts, tapijt dat al 20 jaar niet meer werd gekuist, duizend foto’s aan de muur van studenten, Cara pils als het bier al op was voor de brouwer had kunnen leveren, honderden studenten, één cafébaas: Robert.

De cafébaas die me tevergeefs Gents probeerde te leren begrijpen, hij die naar de Scabs heeft geluisterd tot het zijn oren uitkwam, diegene bij wie ik op zondag wel als eerste moesten langsgaan om daar met mijn verse 2000 frank zakgeld de poef van de vorige week te betalen. Zodat er eigenlijk op zondagavond weeral niet veel meer over was.

De cafébaas die honderden eerste kussen heeft gezien en minstens evenveel laatste kussen. Om de dag erna te luisteren naar het liefdesverdriet, de wanhoop. Met al zijn wijsheid moet hij zich vaak afgevraagd hebben wat hij in godsnaam deed tussen zo’n bende puberale studenten. Als hij het al dacht, liet hij het nooit merken.

De cafébaas die maar bleef luisteren naar onze plannen om de wereld te verbeteren, om de politiek te hervormen, om Sergio echt wel naar het Songfestival te sturen, om de voetbalwereld eens op te kuisen. De cafébaas die goedkeurend knikte toen ik eindelijk de buitenspelregel(s) kon uitleggen.

De cafébaas die zijn vrouw Lud introduceerde, met haar vreemde Russische baksels in een keuken die nu nooit nog door eender welke inspectie zou raken. Lud, die Nederlands moest leren, en wij die haar dat niet konden leren omdat de kern van onze woordenschat bestond uit bier, pint, muziek, feest.

De cafébaas die voor velen als een vader was, een ongelooflijk luisterend oor, die een half uur kon knikken om dan vervolgens zwijgzaam nog een pint voor je neer te zetten. De wereld zag er toen telkens een stukje beter uit.

De cafébaas die cantussen filmde, maar waar (gelukkig voor velen) niets van terug te vinden is op YouTube en dergelijke. Het aantal bezwarende foto’s en filmpjes groeide nochtans elk jaar.

De cafébaas de ooit mijn ouders en huidige schoonouders op bezoek kreeg. En die wijselijk zweeg.

Vijf jaar student in Gent. Overpoort? Zelden geweest. Café De Sterre des te meer.

Robert, visser vaar naar huis. Bedankt en santé!

praten of plassen

We zijn eraan begonnen begin april (paasvakantie), en sinds halfweg mei* durven we voorzichtig zeggen dat… hij… misschien… nu… toch… wel… eens… zou… kunnen… proper… zijn… ? Maar dus echt heel voorzichtig, want ik vrees nog altijd voor een terugval. Maar kom: juicht en klapt alom, één pamperbroekje voor ’s nachts, de wereld kan er alleen maar wel bij varen.

Over het feit dat die training bijna postgraduaatsvormen begon aan te nemen: ik heb daar zo mijn eigen theorie over (achteraf valt alles natuurlijk altijd te verklaren). Hij was echt te druk bezig met zijn taalontwikkeling. ’t Kind (van de mannelijke soort) kan natuurlijk geen twee dingen tegelijk, dus neem ik het hem niet eens kwalijk dat hij had besloten om eerst eens deftig te leren praten, werkwoorden te vervoegen, commanderen, smeken, sorry zeggen, eisen, rebelleren, … en pas daarna zou starten met dat potjesgedoe. Eens dat taaltje zo goed als op het niveau van een bijna 2,5-jarige moest zijn, stond meneer open voor wat gekir van moeder en applaus van vader telkens hij een druppeltje in zijn potje achterliet.

Klein detail nog: hij laat ons duidelijk merken dat op het potje gaan nog steeds een ‘schone geste’ is van zijn kant. Komt het applaus iets te laat, dan begint hij maar voor zichzelf te applaudiseren, desnoods haalt hij zelf zijn snoep uit de kast. En staat het hem niet aan, wil meneertje stampvoeten van colère maar is dat op dat moment te lastig? Dan plassen we toch gewoon terug in de broek. Met een blik van: “Awel, moeder, nu gij weer, had je mij m’n zin gegeven, dan zou je nu niet moeten beginnen kuisen. Voila”.

Love him, kleine Fries 🙂

*wat dus een groot verschil is met de drie dagen die Benne nodig had om de link potje-plassen door te hebben.

Ondertussen in…

Stand van zaken hier: ik weet nog altijd niet waar mijn hoofd staat, maar ik heb het gevoel dat ik het de komende weken weleens zal terugvinden. Dan zetten we dat hoofd weer op het lijf en kan het evenwichtige bestaan weer beginnen.

Wat hebben we vandaag geleerd? Dat een agenda niets voorstelt als je die de zondagavond niet opendoet. Weekendactiviteiten ken ik meestal wel uit mijn hoofd, omdat ik daar altijd zwaar naar uitkijk, en dus gaat die agenda in het weekend niet open. Zo geschiedde ook dit weekend, terwijl daar in koeien van letters wel een heel belangrijk evenement voor de oudste zoon stond ingeschreven.

Maandagmorgen: ik was al blij dat de twee zonen deze morgen flink op tijd, helemaal gewassen, gestreken, gepoetst, gegeld en gevoed naar school/onthaalmoeder konden, dus ging ik me eens neervlijen op die werkplek van me. Agenda open en daar een voor maandagmorgen behoorlijk zware schok ervaren: “Schoolreis Benne”, zag ik staan. Meteen vertoonde het vege lijf een fysieke reactie op deze woorden en kromp zowat alles dat krimpen kon. Licht angstzweet brak uit en meteen vroeg ik me af of ik mezelf niet moest aangeven bij K&G zodat ze me voor eeuwig en altijd konden brandmerken als genomineerd voor slechtste moeder 2010.

Enfin: de zoon in kwestie ging naar een binnenspeeltuin, moest gemakkelijke schoenen aanhebben (die hij zelf kon uitdoen) en gemakkelijke kledij. Dat had ik wel nog in mijn hoofd. En wonder boven wonder: vandaag had hij net zijn schoenen aan met velcroplakkerkes. Toch klein punt voor de moeder. Toen de hartslag weer min of meer normaal was, werd besloten om dan ook maar de papa in kwestie (hij was het ook wel vergeten hé!) te verwittigen met de volgende sms: “Ter info: Benne heeft schoolreis vandaag”. Droger kon niet, ’t moest snel en de papa moest gewoon even een update krijgen, kwestie van niet compleet uit de lucht te vallen als zijn oudste zoon in de auto zou beginnen over springkastelen, autobus, schoolreis, …

Al bij al: het kind is niet op schoolreis moeten gaan zonder pistoleetjes, zonder regenjasje, zonder extra drankjes. Eten en drinken was er via school en de hele hemel weze bedankt voor het niet sturen van regen. Ik ben er dus nog redelijk mee weggekomen en Benne heeft er geen trauma aan overgehouden. Moeder des te meer…

Kiezen. Zitten. Tellen. Vaderdag.

Daar gaat mijn strakke plan voor Vaderdag…

Deze morgen twee brieven gekregen van meneer postbode. Kiesbrieven dacht ik. Wel een beetje dik, vond ik. En jawel: zelf mag ik gaan zitten, zoals dat heet in Sellewie city, en de man des huizes mag de boel aflossen en gaan tellen in Harelbeke city. En weet je… ik ben blij, dat ik dat eens mag doen. Ik vind: als je wil kunnen kiezen, als je wil kunnen zagen over de politiek, als je wil blij zijn dat de goeie vooruitgaan of ontgoocheld zijn als de minder goeie niet achteruitgaan, dan doe je wat je moet doen: kiezen. Er zijn nog teveel landen waar dat niet deftig kan of mag, om dan hier feestelijk te bedanken voor de kans om mijn gedacht te zeggen/kleuren. En om te kunnen kiezen heb je voorzitters, bijzitters en tellers nodig. In de lagere school moest je toch ook af en toe het bord afwassen om daarna weer les te krijgen?

Ik weet: het is meer in (inner?) om daar eens flink over te zagen, om allerlei praktische bezwaren aan te halen, om uitvluchten te zoeken, om stoer te doen en niet te komen opdagen (kijk eens mama, wat ik nu durf zeg!), en wees maar gerust: de eerste zuurpruim die ik daar zondagmorgen zie zal mijn litanie over burgerplichten mogen aanhoren.

Ik ben blij dat ik mag kiezen en zitten. Nu nog gewoon eens opzoeken in de marketingpsychologie of de kledijkleur keuzes kan beïnvloeden 🙂

Kleur bekennen

Hij, de blonde jongen van wie ‘een stukje van zijn naam’ op zowat alle Belgische auto’s geplakt is (‘met sterretjes errond!’), leert in school opnieuw over de kleuren. Gisteren was ‘blauwe dag’. Dan gaat dat zo: moeder legt zijn sjiensproek klaar, een blauw t-shirt met een haai erop (schokeffect), en een blauwe pull. Vader belooft plechtig om hem speciaal met de blauwe auto naar school te brengen (kwam dat even goed uit zeg, zo’n blauwe auto hebben) en Benne zelf geeft te kennen dat hij liever niet zijn groene jas wil aandoen om naar school te gaan. Ah nee, want groen is geen blauw, beste blonde moeder. Maar mijn zoon zou mijn zoon niet zijn had hij niet meteen een oplossing voor dat probleem: zijn, jawel, blauwe regenjas. Zo’n schrik om een blauwtje te slaan bij de juf en zijn lief? (‘k weet het, die laatste is een beetje flauw :-))

We zijn allemaal een beetje Benne

Die oudste van ons hoef je niets meer te leren over zelfbewustzijn. Alles is hier tegenwoordig Benne. Sinds meneer zijn naam kan lezen (*stoeftoontje*) ofwel herkennen (*meer realistisch toontje*) is het hier van:

– “Kijk mama, da’s mijn naam hé” – op de parking van een bedrijf ‘Belgian blabla’ genaamd. De ‘Be’ was voldoende.

– “Kijk mama, een wasmachine van mijn naam” – ja, ik heb een Bosch.

– “Kijk mama, mijn naam in een blokje!” – soms is meneer nog wakker als ’t van House M.D. is op tv

En dan de volgende conversatie, die aangeeft hoe graag hij wel een Benne is:

  • moeder: Benne, wat wil jij worden later, als je groot bent? Een dokter, rechter, tandarts, chirurg? (Ik vind: je kan er niet vroeg genoeg mee beginnen, met die indoctrinatie)
  • Benne: Ik wil dat allemaal niet zijn…
  • moeder: (even praktische jobs dan) Wil je dan liever een brandweerman zijn, of een loodgieter, of huizen bouwen, of in de tuin werken?
  • Benne: Ma nee, mama, ik wil gewoon Benne zijn.

Hij stond bijna te huilen bij zoveel moeilijke vragen, ’t prutske.

ik beloof u allen…

…plechtig op mijn communiezieltje (als dat nog enige waarde mag hebben tegenwoordig): vanaf zaterdag 8 mei zijn wij terug. Meer concreet zijnde: de avonturen van de broertjes, de moeder, de vader en al wat er aan los en vast hangt! En ook nog: nieuwe onnozele reacties van mijn kant op jullie verhalen. ’t Is niet dat ik jullie virtueel en in ’t echt niet mis…

U heeft nog tegoed:

  • een paar pipi-in-de-broekverhalen van de jongste en zijn zindelijkheidstraining
  • een paar kijk-da’s-de-B-van-Benne-verhalen van de oudste en toen hij de eerste letter van zijn naam kon schrijven
  • een verhaaltje over hoe we naar Porto gingen om te vieren dat we tien jaar samen zijn (en ook vijf jaar getrouwd), daar een beetje vastzaten door een gevaarlijk spuwende vulkaan en via een vroegere rit op de bus zowat een halve scheiding vermeden hebben 🙂 (voor de ongerusten: beetje overdreven statement, maar ik moet mijn punt duidelijk maken).
  • verhaaltjes over jongens op hoge hakken
  • verhaaltjes over jongens met lippenstift
  • verhaaltjes over jongens met moeders speldjes in hun haar… moet ik nu niet stilaan beginnen schrijven over mijn twee dochters?

Ik beloof het u allemaal: wacht nog een beetje, ’t komt in orde, we zijn er bijna! En bedankt aan mevrouw van hier om de boel een beetje te triggeren, zoals dat heet 🙂

(Net gezien dat de laatste post dus van eind maart dateert. Schandalig, ik weet het. En ik zit nog altijd met mijn hoofd ergens in februari… Bon, back to work nu).