Fernand, de klopgeest

Donder en bliksem afgelopen nacht. Blonde god, een ultralichte slaper die zelfs wakker wordt als je nog maar een lakentje op hem legt is er niet van wakker geworden. Klein venijn (bruine god klinkt zo belachelijk, niet?), was al wakker voor het onweer begon en wou naar ‘penéééé’, beneden dus. Moeder besloot om van deze nacht een ware uitputtingsslag te maken en nu voor eens en altijd komaf te maken met dat nachtelijke uitstapje naar beneden om daar god weet wat te doen. Gevolg: zagen, neuten, bleiten, krijsen, roepen, sniffen zo allemaal tussen middernacht en drie uur. Tel daar nog bij: een vierkantje dakvenster en een wolkje stortregen, overgoten met een sausje van donder en men krijge een resultaat waar een gemiddelde decibelmeter voor zou bedanken.

Vraag blijft: waarom worden mijn twee zonen zo vaak wakker? Waarom hebben ze zoveel angstdromen en krijg je ze met momenten gewoon niet klaarwakker, waardoor ze hysterisch blijven huilen tot je ze met hun hand in het water steekt? Waarom is dat altijd rond hetzelfde uur?

Ik weet het nu wel: wij hebben Fernand, de (klop)geest. Een oude zatlap die hier vroeger (ons huis was vroeger een café, café ‘Den Appel’, whoehaaa!) eens van zijn kruk gedonderd is en sindsdien geen rust meer vindt. Of ’t is iets met aardstralen en feng-shuidingen, of iets met hypnose, … of gewoon twee slechte slapers. Maar bij dat laatste leg ik me liever niet neer, dan liever nog zo’n spannend verhaal van een klopgeest 🙂

wat hebben wij zoal geleerd dit weekend?

  • Dat ze in West-Vlaanderen geen fietskarren gewoon zijn. Half Vlaanderen zat gisteren op de fiets, en geen enkele andere fietskar tegengekomen. Integendeel, je zag de mensen naar binnen loeren, gluren, snuffelen om toch maar een glimp van die twee hondjes op te vangen. ’t Zijn mijn zonen, meneer.
  • Dat een mens maar beter een grondanalyse kan uitvoeren als hij een huis koopt. Wie verwacht er nu na drie jaar nog eternietplaten (schrijf je dat zo?) en een half stort achteraan in zijn tuin? Zeker als dat nog schoon bedekt was met een laagje aarde en iets wat voor gras kon doorgaan. Vuile vieze vorige eigenaar…
  • Dat de twee zonen des huizes regelrechte watterratten, eenden, vissen, krokodillen, … zijn. Geef ze twee centimeter water in zo’n blauw schelpke en ze zijn vertrokken.
  • Dat wij als ouders dringend onze opvoedkundige aanpak moeten veranderen. Met zowat een hele kar vol buitenspeelgoed (emmerkes, schepkes, gieterkes, zandfiguurdingskes, …), een puzzel, en nog wat andere brol komen we aan de kassa van een grote speelgoedwinkel tot stilstand. Een mens zou denken dat die twee zonen waarachtig staan te springen van contentement en dan ook nog een zacht geknor ten gehore brengen. Niets van: een luid gekrijs, een oorverdovend booooeeee-hoooeee, snik snif en mamaaaatjeeeeuuuh. Allemaal omdat die oudste van ons geen snoepje kreeg aan de kassa. Bijna hing de oudste zoon tussen de rekken en was ik alleen thuis met mijn schepje en emmertje aan ’t spelen.

KonkeKaas

Toen Benne zijn nonkel Klaas wou roepen deed hij van “KonkeKaa-aaa!”, intussen kan hij het ‘mooi’ zeggen.

Fries kan nu ook al zijn nonkel Klaas roepen en doet dat zo: “NonkeKaasjj!”.

Taalontwikkeling, het blijft grappig en voor elk kind zo verschillend. Fries heeft intussen een bladzijde toegevoegd aan zijn woordenboek met de volgende inhoud: wate (water), aaibei (aardbei), vies (vis), aap (schaap of aap of papa, kan ook), uma (oma), ‘opla (hopla, ’t konijn), beej (beer), wé (weg), en nog heel wat ander gebrabbel dat we proberen te ontcijferen.

Hij kan ook al van danke dank doen (klappen in de handjes), zwaaien (handen spastisch beginnen bewegen), blub blub (wat de vissen doen), een beer nadoen (hjaaaauw!), zoentjes geven, kushandjes werpen, zijn haar wassen, zijn tanden poetsen, zijn kousen afdoen, zijn pamper afdoen, zelf eten (u wil het resultaat niet zien), en zijn hoofd zo tegen muren en deuren bonken dat hij zich een halve hersenschudding zou bonken mochten wij hem dan niet onder luid gekrijs van die deur of muur weghalen. Oh! En ’t is ne properen op zijn eigen: hij kruipt nogal graag eens in de afwasmachine.

wat een mens zou kunnen doen als hij niet bezig is met wachten op zand

– werken. Tamelijk belangrijk, zo’n beetje dingen afwerken, indienen, schrijven, voorbereiden. ’t Is niet dat ik me verveeld ging hebben.

– mensen in het stadhuis gaan ambeteren: twee keer een Kids-ID aanvragen, een paspoort aanvragen, een brief afgeven dat onze kleinste wel degelijk voldoende beschermd is tegen polio en aldus in de statistieken met groen gemarkeerd mag worden. Trouwens: hoe kom je erbij om je stadhuis enkel open te houden ’s morgens (vanaf 9 uur pas, niet te vroeg meneer), en dan nog één keer per maand op zaterdag (twee uurkes) en zo af en toe (als ’t geen feestdag is) eens op donderdag (tot -whoehoe zooo laat!- half zeven toch wel). ’t Moest er even uit. We blijven vriendjes, mijn gemeente en ik.

– naar de winkel gaan: heel handig als je met gasten zit vanavond.

– je oprit (ja, dat stuk land waar er dan zand moet opgegooid worden) eens goed schuren en kuisen

– een auto kuisen (op den oprit): niet aan te raden want als (als! als!) ze dan komen met zand dan moet je je half ingezeepte auto op straat zetten. Which is niet zo mooi.

– gewoon niet wachten op zand, een dikke foert en olé zeggen, melden dat ze hun plan kunnen trekken en dat zand hier maar moeten gooien. In pakskes van tien. En ’t mogen zelfs dikke lelijke venten zijn, ik zie het toch niet meer. Straks eens bellen om dat te melden, met mijn ene hand afwisselend in mijn zij en hevig gesticulerend. Eens zien of we dit verlengd weekend dan gaan kunnen doorwerken aan dat stuk land dat een optimist weleens ‘tuin’ zou durven te noemen.

Zo tussen nu en 8 minuten geleden gebeld naar de vriendelijke meneer van de bouwmaterialen. Dat het daar druk is (wij begrijpen dat wel, meneer), dat ze eigenlijk zowat verzuipen (ik zou u willen een reddingsboei gooien, maar zelf heb ik niet om zoveel zand komen, meneer), maar dat hij eens naar de chauffeur ging bellen. En dat de cola-light zand- en cementman hier over een half uur zal zijn! Als dat voor die mannen nog voormiddag is, dan wil ik niet weten wanneer ze ’s avonds gedaan hebben met hun werk. Maar: jeeeij dus!

en toen was er zand

maar alleszins nog niet op onze oprit. Foert! Boe! Awoert! Miljaar!

Was en is nog steeds besteld: zo’n 1000 kilogram zand en zo’n 250 kilogram cement. Om een grote bruine sneeuwman van te maken, voor wat anders? Madammeke moest woensdagvoormiddag maar thuis blijven, want die levering zou dan gebeuren en zomaar zand op een oprit smijten, dat doen ze niet. Een mens moet daar dus bij zijn. Gelijk of dat die ouwe meetjes en peetjes in onze straat ook niet ’s nachts met hun bakwagen zand zouden kunnen komen ‘lenen’.

’t Feit is: ik wacht al van 7 uur deze morgen op mijn zand. ’t Is vijf minuten na ‘ergens in de voormiddag’, en ik begin zo langzamerhand iets op mijn heupen te krijgen.

Ter compensatie verwacht ik gaarne: twee zongebruinde cola light-mannen, mét sixpack, blauwe overall, bovenlijf ontbloot, bruin haar: scheppen die 1000 kilo zand met een spade uit hun grote vrachtwagen. Vier uur aan een stuk.

’t Zou nog ’t minste zijn.

gekrijs, gezang, geroep, …

en gehuil.

Ik ging mij eens concentreren op die fantastische Hadise (of Adisé voor onze Waalse vrienden), die nu plots de nieuwe Belgische inzending blijkt te zijn voor het Eurokitschfestival. Net op tijd klaar om naar nummertje 18 te luisteren tot mijn nummertje 1 boven het huilconcert startte. Een krijsconcert, wat zoveel wil zeggen als: “Ga direct naar boven, haal die kleine voor hij zijn broer wakker maakt en je met twee blèrende kinders op je schoot zit.”

De blonde god heeft welgeteld één nummertje zitten huilen. Tot miss Mol klaar was met zingen. Ik vond het dus geen goed nummer, veel te veel gekrijs en gejank. Tot zover mijn bijdrage aan de beoordelingen van “Europe’s favorite TV-show”…

nieuw beest!

Blonde god vraagt aan zijn vader welk beest hij wil. Papa zegt dat hij wel graag een prentje van een schaap wil. Blonde god geeft het schaap-op-prentje aan papa.
Blonde god vraagt vervolgens aan zijn moeder welk beest zij wil. Zij besluit de ambetante uit te hangen en zegt dat ze ook wel graag een schaap zou krijgen. Goed wetende dat dat kind maar één schaap-op-prentje heeft.
Blonde god twijfelt event, en geeft dan een prentje van een kip. Vergezeld van een blik die zegt: “Waag het eens om daar commentaar op te leveren”.
Moeder geeft toch commentaar en zegt dat er op dat prentje toch niet het gevraagde schaap staat.
Blonde god draait maximaal arrogant met zijn ogen en zegt dan: “Nee, geen schaap, een schip.”
Ik wou een schaap, ik kreeg een kip. Hij noemde het een schip. Een diplomaat pur sang, die blonde god.

nieuwe woorden

Koeten:

“Benne! Kijk! Daar in de wei! Een koe!”

“Oh ja, mamaa, kijk daar! Veel koeten!”

Zwinnekonin:

En varkenshaasje? Dat vinden wij niet zo lekker. Hij had het nochtans overheerlijk klaargemaakt, de man en kok des huizes. Maar juk en ieuw allen tesamen: mals vlees is dus niets voor mij. En voor de zonen blijkbaar ook niet. En de West-Vlaamse vertaling voor varkenshaasje doet het ook al niet veel smakelijker klinken.

Kabouterbotjes:

En dan nog: wie is er op het afgrijselijke idee gekomen om deze zomer van die kabouterbotjes te lanceren? Die dingen zijn dan nog de helft van de tijd ‘gewatteerd’ of met één of ander warm stofje binnenin voorzien, waardoor je echte zweetenkels krijgt. Bovendien: allemaal schoon zo onder een broek, van die kabouterbotjes. Maar als je zoals ik met van die megakuiten zit is dat echt geen zicht, denk ik zo. Blijft over: schoenen waar je grote teen een verkoudheid van krijgt, schoenen met hakken zo hoog dat je kuitspier zal krimpen tot de lengte van anderhalve centimeter en gladiatorsandalen. Dat ze maar een koude zomer geven, kan ik mijn winterbotjes blijven dragen.

zuchten…

– als je al in de auto moest zitten richting Kind & Gezin, de waakhond der Vlaamse kinderzieltjes, om daar met veel schwung en poeha je kleine te laten beoorden, maar op dat eigenste moment in je keuken staat met twee bleitende kinderen. Eén zoon op je armen omdat hij zo moe is van naar school te gaan en wakker is geworden temidden van een mooie naschoolse droom. De andere zoon hangt (echt, hangt!) aan je broek, doet een poging om nog harder te huilen dan zijn grote broer, gewoon omdat hij dat leuk vindt.

– als je jongste zoon de hele tijd zijn beeste beentje, voetje, armpje, … voorzet bij de dokter, opdat die toch maar zou oordelen dat deze flinke jongen geen spuiten meer nodig heeft. Ondanks alle verleidersblikken, het mooi blokjes op elkaar stapelen, de vele woordjes die hij zei: twee keer een stuk naald in zijn koersbillen. Die blik in zijn ogen, dat verwijt erachter, meneer was kwaad, dat heeft zowat iedereen gehoord daar aanwezig.

– als je in je hall merkt dat die twee grote boxen met foto’s bedolven zijn onder een derde stapel met foto’s. Nog te sorteren, dateren, in te plakken, … en liefst ook voorzien van wat snedige commentaar waar ze dan later, samen met hun lief, mee kunnen lachen.

– als je voor een website drie foto’s van jezelf moet doorgeven, alsnog graaft tot diep in 2007 om dan te merken dat er eigenlijk gewoon geen pixelversies van jou bestaan. Dat je digitaal een nobody bent.

– als je merkt dat je eigenlijk nogal een gelukzakje bent, dat je aan de goede kant van de wereld geboren bent, en dat je niet zo moet zuchten. Dan zucht ik ook 🙂