eerste werkdag

’t Is voor velen terug de eerste werkdag na een verlof, na een sabbat, na moederschapsverlof. Nichtje L. moet/mag na een kleine zes maanden voltijds moederen terug aan de slag om te verpleegsteren. Broers K. en B. mogen allebei aan de slag met een nieuwe job. En dan mogen er nog een paar met een grote ‘grmbl !’ opstaan om na een welverdiende congé payé terug aan de slag te gaan met oude collega’s en oud werk. Maar die schoolmeesters en -juffrouwen, die zijn nog het beste af: nog twee weken vooraleer ze terug het krijtje in de vaste hand mogen nemen. En dan moeten ze toch wel (schandaal, ramp, betogen, nu direct!) de volle acht weken werken voor ze weer een week pauze kunnen nemen. En Benne mag nu nog vijf maanden lanterfanten en dan is hij ook gedoemd/gezegend om op zijn minst nog 15,5 jaar naar school te gaan. Maar da’s pas voor 2009, en da’s volgend jaar, nog heel lang, nog heel ver weg.

En dan zijn er ook nog die opgestaan zijn met een ‘waauw, zucht, …’, die vanaf nu als getrouwd koppel door het leven mogen gaan, die zo content op wolkjes lopen. Hopelijk komt er in hun man-en-vrouw-leven nooit een werkdag voor. K & G: proficiat en merci!

frustratietolerantie

Fries kan er wat van, hij kan nijdig zijn als de beste. Is dat ventje op zich al zo’n kwaaie beer? Wellicht niet, maar wat doe je als je grote broer constant dingen doet die jij nog niet kan? Als die grote broer dartel door de woonkamer loopt te huppelen en jij op je buik ligt te zwemmen in de hoop vooruit te raken. Wat doe je als grote broer rustig een boekje zit te lezen en jij enkel de balken in het plafond kan tellen? Als je al zou kunnen tellen. Wat doe je als broer in één vloeiende beweging zijn tut, boterham, beker, fles, … naar zijn mond kan brengen en dat dan nog in zijn mond kan stoppen, terwijl jij de helft van de tijd met een speen in je oor zit te draaien? Wat doe je als grote broer zomaar het speelgoed kan nemen dat hij wil, en jij moet wachten en afhankelijk bent van de goodwill van je ouders om regelmatig eens een nieuw speeltje naast je te komen leggen? Wat doe je dan? Dan zet je je keel open en maak je je kwaad. Dan gedraag je je als een nijdig baasje dat wil kruipen maar nog niet kan, dat liever op zijn voeten staat dan te liggen maar dat ook nog niet alleen kan, een baasje dat wil zitten maar nog af en toe omvalt, een kindje dat al groot wil zijn nog voor hij echt klein is geweest.

NederBennes

Zoon Benne heeft een nieuw woord toegevoegd aan zijn woordenschat, en wij ook. Na melke, ‘nade, wate, coja, siensap en cocomelke is  er het woord ‘piekewate’.  Hij had al water met bubbels gedronken, dat wel. Maar toen vond hij het nog niet nodig om daar een naam aan te geven. Wat bij deze gebeurd is. Eén slok, een doordingende blik naar wat er in zijn glas te vinden was en dan de conclusie. Het hoofd rechten, het publiek aankijken en dan heel serieus het nieuwe woord ‘piekewate’ uitspreken.

Ilseeeeeuuuuh – snif!

Eerder werd op dit navelstaarderig webdagboekje al eens vermeld dat de combinatie ‘kinderen – opvang – Gent’ niet echt je dat is. En ook anderen mogen dat nu aan den lijve ondervinden. Wij jammer genoeg ook, maar het zal wellicht minder acuut en nijpend zijn. De liefste, beste, tofste, geestigste, leukste, aandachtigste, meest verantwoorde onthaalmoeder van de wereld (= Ilse, onthaalmama van Benne en Fries) stopt ermee. Het zegt veel dat we eerst tegen twee andere onthaalmoeders ‘njet’ hebben gezegd en dan pas onze liefste bloedjes van zoontjes bij Ilse gedropt hebben. Maar wat een verschil, wat een andere aanpak, nooit hebben we ze moeten ‘afleveren’ met tranen in onze ogen, nooit zijn we vertrokken dat ons hart brak toen één of twee kleine ventjes weenden, want we wisten dat het toch weer goed kwam. Ilse was er, toch? Wel, Ilse stopt ermee. Voor Benne geen probleem, hij gaat in februari naar school (tenzij moeder er anders over beslist en prompt besluit om vrouw aan de haard te worden zodat dat ventje niet naar school hoeft). Fries moet op zoek naar een andere opvangplaats.

Dat ze de beste onthaalmoeder is bewijst Ilse nog maar eens door alle ouders nog een jaar (!) de tijd te geven om andere opvang te zoeken. Ze stopt niet plots, niet over drie maanden of zes maanden. Nee, ze stopt pas na de zomervakantie volgend jaar. Wat natuurlijk nog altijd te vroeg is, maar het is nog maar eens een teken dat ze altijd in de eerste plaats aan de kindjes en ouders denkt. Waarvoor dank!

Waarom stopt ze? Het statuut is niet al te best, zoniet eigenlijk lachwekkend in vergelijking met wat onthaalouders dag in dag uit voor ‘hun’ kinderen doen. Iemand anders zal nu de beste, liefste, tofste, … onthaalmoeder mogen zijn. Hopelijk heeft ze nog een plaatsje voor Fries, over enkele weken starten we de zoektocht.

met de trein naar Oostende

tjoeke tjoeke tuut. Afgelopen zondag zat Benne voor het eerst op de trein. Wederom was het veel goedkoper geweest om met de auto naar Oostende te gaan, dan met het treintje (maar liefst 28 euro). Daar moet toch dringend iets aan gedaan worden, willen ze meer dagjestoeristen laten treinen. Tot zover het wijsvingertje.

Benne, trein, zijn onkeKaa, de zee. ’t Ventje werd gewoon zot, onnozel, kierewiet van zoveel indrukken. Trotser dan een nieuw gevederde pauw zat hij in de zetel van de trein. En bij de eerste halte stond daar (verrassing!) ‘onkeKaa’ en ‘tantAlot’. En die gingen gewoon mee met hem, op diezelfde trein. En toen waren er nog boterhammen, en fruit, en vanalles. En dat kwam allemaal uit de rugzak van papa. En zelfs Fries had warm eten en drinken (pluim voor onszelf, we waren de hele voormiddag bezig geweest met eten klaar te maken, jeeij). En dan stopt die trein, en mag hij op de tram. Een tram! En daar, op een onnoemelijk grote afstand van zijn eigen kleine Deerlijkse wereld zag hij onkeBert, tantKim, Stanneke, opa’rNard en omaKitien. En de zee!

Was hij ’s avonds moe? Jawel hoor. Wou hij slapen? Neen. Tegen dat dat kleine hoofdje al die indrukken mooi had geordend, alles had verwerkt en beoordeeld, was het laat. Behalve zijn visvlieger is er geen enkel overblijvend spoor van herinnering dat hem doet denken aan die dag vol indrukken. Wat er wel voor zorgt dat zijn volgende uitstapje naar zee, met de trein, minstens even geestig zal worden. Gewenning kent hij nog niet.

strafhoek

Lander moet soms? regelmatig? heel vaak? af en toe? zelden? in de hoek staan. Dat doet me eraan denken: vorige week vroeg de verpleegster bij K&G ons ook of Benne al eens in de hoek moest staan. Tien seconden stilte en dan twee keer boem. Wij, Bennes ouders zijnde, vielen compleet uit de lucht. Hoek? Zo’n kind? Snapt dat zoiets al? Is dat wel effectief? Hoe leg je dat uit? Blijkbaar kan het dus al wel, maar hebben wij dit nog nooit toegepast. Is het nodig? Niet dat we weten, voorlopig volstaat het om boos ‘foei’ of ‘stout’ te zeggen (overblijfsel van de hondenschool), om hem te negeren of om Benne van het kwaad te verwijderen. Waarna meneer zich telkens met volle overgave op de grond stort (meestal eerst zitvlak, soms ook op de vlakke rug of buik) en onbedaarlijk begint te huilen. Pruillip in het kwadraat, boos en ontgoocheld in zijn ouders.

Eén van onze andere tactieken: als het gaat om dingen kapot maken moet hij achteraf ook helpen bij het herstellen ervan. Zo tekende meneer vorige week met potlood op de wit geschilderde muur. Een ‘foei’ en daar was die trillende pruillip alweer, gesnif, op en neer gaan met de buik, … De huilbui kon maar net bedwongen worden door Benne te zeggen dat hij moest helpen bij het maken van de muur. Twee codewoorden die het hem doen. En zo geschiedde.

Die muur en bijhorende hoek zou trouwens perfect dienen als naughty step. Eens zien of dat werkt.

mo vent toch! (Ergernissen: deel 2)

Voor wie een happy clappy post verwacht: skip en kom later eens terug. Voor wie er nog tegen kan dat een mens zich al twee keer in twee dagen tijd moet ergeren: lezen maar. U kan zelf de conclusie trekken of ik al dan niet een zaag ben.

Verhaal: M. rijdt van haar werk naar Deerlijk-centrum, er moet nog een groentenabonnement afgehaald worden. Aan de lichten kan ze al niet rechtdoor: wielerwedstrijd (Ergernisscore: 2/10). Rechtsaf, dan eerste straat links. Wachten, want de coureurs passeren (Ergernisscore: 2/10, echt wel, we kunnen daar tegen). Dan terug naar links, echt waar op het gemak door de straat rijden. Dan hier terug rechts en we zitten terug op de weg van gewoonlijk (Ergernisscore op het midden van de straat: 0/10). Einde van de straat, opnieuw zo’n seingever, en daar begint het volgende ‘gesprek’:

Seingever (staat op 5 meter voor de auto): “Madam, naar links!”

M. (door het zijraam dat open staat): “Meneer, ik kom van daar, kan je me dan zeggen hoe ik wel in het centrum raak? Anders blijf ik maar rondjes rijden?”

Seingever: “Madam, naar links, nu!”

M.: kijkt of er auto’s achter haar staan, wat niet het geval is. Besluit uit te stappen en het gewoon te vragen, misschien heeft die vent door het raam de vraag niet goed begrepen. Doet gordel los en wil uitstappen (Ergernisscore nog altijd 0/10, we blijven vriendelijk).

Seingever komt aangestoven, staat aan de auto en roept: “Madam, in uw auto blijven en nu direct naar links!”

‘Madam’ zegt terug: “Ga dan maar gauw aan de kant voor ik je omver rij, gdv! (Ergernisscore: 99/10)”

‘Madam’ sjeest naar links (sorry van de auto), is wroetmiljaardekoleirig om zoveel onbeschoftheid. Denkt nog even om terug te keren en die vent goed de les te spellen: dat hij niet moet denken omdat hij een fluovestje aanheeft dat hij daarom onbeschoft kan zijn, dat je als seingever niet met een fles bier in je broekzak moet zitten tijdens je ‘dienst’, of hoe je dat lanterfanten ook anders moet noemen. Uiteindelijk rijdt ze gewoon door.

Ja, ik ben om de groenten geweest, wat roder en later dan verwacht. Maar hoe is het toch mogelijk?

Ben ik nu een zaag?

over facteurs en verkeerde brieven

Zelf heb ik altijd een heel goede facteur gekend: mijn papa. Nog zo’n mens die nog altijd leeft voor zijn job, een zekere beroepseer heeft, liever met de vélo dan met de scooter rijdt, en die brieven niet per nummer maar op naam aflevert. Als er iemand verhuisd is en die woont niet meer op het aangeduide adres, dan zal papa facteur zo’n stickertje op zo’n brief plakken en dat terugsturen naar de afzender. Of als er een postnummer verkeerd is, dan zal papa facteur dat ook zien, dat corrigeren en dat opnieuw op de post doen. Hij is de post, of het goede deel ervan. Alleen jammer dat hij meer en meer een uitzondering wordt.

Het zit zo: wij hebben in Sellewie al een dozijn facteurs versleten. Ze houden het echt niet lang vol. Is het de Olieberg die ze op moeten? Ze hebben nochtans zo’n ‘postscooterke’. Zijn ze werkmoe? Zijn ze ons moe? Zijn ze lui? Zijn het gewoon facteurs van de nieuwe stempel? ’t Feit is dat er twee zaken zijn die ons ergeren (ja, echt ergeren!):

– Die vorige eigenaar is nu al drie jaar weg: wij hoeven daar echt geen post meer van te ontvangen. Stickertje erop en terugsturen aub! Eerst zijn we zo vriendelijk geweest om de post nog telkens bij de vorige eigenaar te gaan afgeven. Maar toen daar plots een redelijk pikante catalogus tussen zat kregen we de melding dat we eigenlijk geen post meer moesten komen afgeven en alles direct de vuilbak mochten inkieperen. Wat we dus braaf doen. Al drie jaar lang.

– Dit is 8540 Deerlijk, en niet 8450 Bredene! Natuurlijk zijn er sommige mensen die postnummer van Deerlijk combineren met de stad Bredene (voor de slimme mensen: dit geeft 8540 Bredene, terwijl het 8450 moet zijn). Maar, beste facteur/facteuse, u zou toch moeten weten dat wij geen speelbus verhuren, dat wij geen vakantiecentrum zijn dat zeeklassen organiseert (ergens al een zee gezien in Deerlijk?). En dat, als wij een brief hieraan gericht, terug de bus indoen met melding op de brief dat die verkeerd geadresseerd is en dat die naar BREDENE moet en niet naar Deerlijk, dat we die dan geen 3 dagen later terug willen krijgen. En als we dan naar de post gaan om dat eens vriendelijk te gaan zeggen (ja, we willen echt wel dat die kindjes op zeeklas hun brief krijgen van oma en opa), dan nog de melding krijgen dat we zelf maar het nieuwe postnummer er moeten opzetten. En nog zelf een nieuwe zegel opplakken ook? Wij zijn de post niet hé!

’t Moesten allemaal facteurs zijn zoals ’t facteurke Bernard uit Izegem. Ze zouden wel bij ons mogen binnenkomen om een ‘dreupelke’ te drinken met nieuwjaar. Maar eerst moeten ze hun job leren. Dedju toch!

stand van zaken

Het is zondagavond, 21.55 uur: zoon Benne ligt boven in zijn bed te brabbelen. Meneer is nog lang niet moe, ondanks het geravot, gesleur, geval, geboenk buiten. Meneer wil niet in zijn nieuwe kamer slapen, zelfs niet als alle knuffelberen en herkenningspunten verwijderd werden naar de nieuwe kamer. Nee, geef hem maar een lege babykamer met kasten en babybed. Hoe mooi zijn nieuwe kamer ook is: slapen doet hij er niet in. Spelen des te meer.

Fries is terug vlekjesloos. Na de drie-dagencrisis (achteraf gezien: een kinderziekte genaamd ‘drie dagen koorts’ of ‘de zesde ziekte‘, ja, minstens zoveel zijn er) kreeg kleine meneer vlekjes. Nog zieliger, nog mottiger. En dan gingen die vlekjes terug weg. En Fries werd blijer, contenter, een baby met heel wat eetlust.

En mijn eerste week verlof zit erop. Zijn we uitgerust? Neen. Hebben we veel taken kunnen doen? Neen. Hebben we eigenlijk iets kunnen doen? Ja, genieten van die twee kleine koters. En dat volstaat wel.

crisis: voorlopig onder controle

Het kleine ventje Fries had vanmorgen nog altijd koorts. Gelukkig was Benne blijven overnachten bij oma en opa Izegem, zodat hij de ziekenhuistoestanden van vandaag niet moest meemaken. Als een kinderarts al met een zorgelijke blik zegt dat dat boeleke echt wel heel ziek is, dan begint dat moederhart ook al serieus alle kanten op te slaan. Van doemscenario’s wilden we niet weten, positief blijven was de boodschap. Maar dat is zo ontzettend moeilijk als dat ventje huilt zoals je hem nog nooit hebt horen huilen (zelfs broer Benne heeft nog nooit zo gehuild). En die tranen bleven maar komen. Eerst toen de kinderarts hem onderzocht. Dan toen de NKO-arts hem onderzocht en (oef! gelukkig is het dat maar!) een oorontsteking constateerde. Wij blij, Fries iets minder, die moest zijn trauma nog verwerken. Vervolgens op het programma: RX-scan van de longen en bloedafname. Eerst naar de radiologie. Ons zuchten was niets in vergelijking met wat Fries deed: zuchten, kreunen, murmelen, hangen, met de ogen knipperen, … We konden rekenen op een algehele compassie van alle ziekenhuisbezoekers. Ahja, zo’n klein ventje, wat voor ergs zou daar nu aan mankeren dat hij zo ziek was? Longfoto wees uit dat meneer met een ernstige bronchitis zit. Gelukkig! Jawel, want zo moest er geen bloed meer getrokken worden, én gelukkig waren we op tijd gekomen voor er zich een heuse longontsteking zou aandienen.

Conclusie: een heel arsenaal aan medicijnen (aërosolmiddelen, antibioticum (uit te nemen, beste mensen!), neussprays, neusdruppels, koortswerende middeltjes). De apotheker heeft zijn beste klant van deze maand al gehad, zoveel is zeker.

Conclusie 2: ’t manneke is al heel wat beter. Koorts is gezakt, het zuchten en kreunen gaat nog even door (drama-king als hij is), moeders hart slaat terug normaal, de pijn (van Fries en bij mama) is weg.

Conclusie 3: Waren we vandaag niet langsgeweest, dan hadden we morgen een telefoontje kunnen verwachten van de kinderarts zelf. Als kindjes langskomen op de spoed, volgen ze dat in Waregem blijkbaar op. En dat is echt wel fantastisch! En maar goed dat dokters daarvoor gestudeerd hebben en dat we weten dat ze het doen om kindjes beter te maken, want had er iemand anders zo dat ventje laten wenen hij had een serieuze djoef kunnen krijgen van beide ouders.

Enfin: de congé van moeder Mieke is alvast intens ingezet.